maandag 21 december 2009

PLENUM - zondagmiddag 3 mei 1987

Brugge, België
Zondagmiddag 3 mei 1987

Tijdens deze plenum bijeenkomst waren in het panel: Christie Amons, Els Göttgens en Audrey McAllen. De vragen aan Audrey zijn hier onder opgenomen.


1. Kunt u wat zeggen over het spel van kinderen in de kleuterklas, de vijf tot zevenjarigen?

Kinderen op die leeftijd (het laatste jaar kleuterklas) moeten kunnen timmeren met hout, zagen, hameren, ze moeten huishoudelijk werk kunnen doen, bv. vegen (vanuit de hoeken naar het midden). Ze moeten weven. De leidsters moeten zelf veel activiteiten doen die de kinderen kunnen nabootsen. De kleuterleidster moet hen daarbij een goede lichaamshouding aanleren, voordoen. Ze moeten vaardigheden en spelletjes beginnen te oefenen zoals touwtjespringen.

2. Wat moet een leerkracht doen met zijn klas, wanneer er veel kinderen in de klas zijn, die nog mensfiguren tekenen zonder taille?

Men kan spelletjes doen zoals dierentuin spelen: alle kinderen moeten dan verschillende dieren imiteren (zie: De Extra Les, blz. 128 Integratie van vroege bewegingspatronen). Men kan de oefeningen met bonenzakjes uit het boekje 'Stap voor Stap’ doen, heel nauwkeurig, met een kleine groepjes van niet meer dan zes kinderen voor de klas. Men kan bijvoorbeeld "Chinees Voetbal" spelen: De hele klas staat in een cirkel met gespreide benen, de buitenkant van de voeten tegen de buitenkant van de voeten van de buren. De kinderen trachten de bal tussen de benen van een ander kind te stoten, dat dan echter probeert af te weren met de handen. Hierbij merkt men op dat sommige kinderen, die het moeilijk hebben, de knieën tegen elkaar persen, of op hun hurken gaan zitten en niet buigen met hun hoofd omlaag.

3. Kunt u iets zeggen over de combinatie van antroposofische muziektherapie en Extra Lesson-remedial teaching? (Bv. bepaalde intervallen om zintuigproblemen (misschien van de denkzin) te genezen?

Het muzikale element is niet de sterkste kant van "The Extra Lesson", maar het zou er wel in passen. Men kan op de lier een ritmische toonladder voorspelen. Oudere kinderen kan men na de Rechthoekige Driehoek Oefening laten spelen op de lier wat ze gedaan hebben. Men kan, bij de Koperen Baloefening, een toonladder omhoog en omlaag spelen, maar daarbij meegaan met het ritme van de bewegingen van het kind. Gebleken is dat een Dorische ladder erg geschikt is. Een toonladder van D zonder kruisen en mollen (D, E, F, G, A, B, C, D).

4. Over Dr. Alfred Tomatis

Dr. Tomatis onderzocht mensen die doof of slechthorend waren geworden doordat zij werkten in een vliegtuigfabriek. Ook kreeg hij onder zijn patienten beroemde musici en operazangers(-essen), die stemklachten hadden. Hij ontdekte zo het verband tussen horen en spreken (en zingen), de strottenhoofdbewegingen. Bij dyslectici kan het voorkomen, dat zij niet horen wat ze zeggen wanneer ze lezen. Met heileurythmie (tooneuritmie) zou men hun ontwikkeling moeten kunnen verbeteren.

5. Kunt u iets zeggen over het gebruik van donkere kleuren (zwart/bruin) bij kleine kinderen?

Vroeger kregen de kinderen, ook in de Waldorfscholen, (vrijescholen, Steinerscholen), alle kleuren potloden en krijtjes. Later ontstond het gebruik om alleen de primaire kleuren (rood, geel, blauw) te geven, omdat -naar men zei- de andere kleuren " te sterk incarneren". Maar: worden we als pedagogen dan niet verondersteld de kinderen te helpen incarneren? Men moet er zich van bewust zijn dat er een groot verschil is tussen tekenen en schilderen. Bij tekenen hebben we te doen met de "archetypen" uit de beeldenwereld: huis, boom, mens, rook, dieren. Hierdoor maakt het kind een relatie met de werkelijkheid, bv. de stam van de boom is bruin, de rook uit de schoorsteen is zwart enz. Als we het kind bruin en zwart niet geven, dan forceren we het kind om onwaarheden te tekenen. De kinderen zullen dan kleuren gaan mengen. Mengen van kleuren is een ziele activiteit, die hoort bij kinderen tussen 7 en 14 jaar. Kinderen hebben het soms nodig om met donkere kleuren te werken. Het zijn kleuren om zich af te schermen, om bescherming te zoeken.
Bij het schilderen komt men in het waterelement en in het beleven van de kleuren. Het is een activiteit, die het kind omhoog tilt, naar buiten brengt. Tijdens het schilderen kom je niet meteen tot beelden, maar werk je meer met kleurenvlakken, kleurstemmingen. ("nat in nat" schilderen)

5b. Wanneer het kind donkere kleuren veelvuldig blijft gebruiken, wat dan?

Dan is er een blokkering, iets waar het kind niet in kan doordringen, of iets waar het kind niet doorheen komt. De bewegingen zijn mechanisch en het bewegingsorganisme heeft misschien weinig levenskrachten, is stram. Dan gebruikt het kind zwart. Lukt het niet om een afdruk te maken van de fysieke motorische bewegingen in de ritmische processen van het etherlichaam (een afdruk in het gewoontelichaam), blijft het etherlichaam taai en ondoordringbaar, dan gebruikt het kind veelvuldig bruintinten. Men kan de kinderen dan als therapie vaak brood laten maken, kneden of laten oefenen met knikkers tussen de tenen. Soms zie je dit voor een ziekte (etherlichaam) in is het opgehelderd erna. Wat men ook kan doen is liet kind een blad van gekleurd papier geven dat echter met waskrijt helemaal zwart is gemaakt. Het kind moet er dan figuren (bv. een bloem) uit wegschrappen met een krabbertje of een mesje. Het zwart moet worden ‘opgelicht’.

6. Overbeschermde kinderen

Deze kinderen zijn tot in het etherlichaam nog met de moeder vergroeid. Men moet ze voorzichtig losweken en vooral ook de moeder begeleiden, omdat daar meestal het probleem zit.

7. Een kind tussen 3 en 5 jaar, waarvan je weet dat het "beschadigd" is, omdat het bv. gevallen is, wat doe je daaraan? Is dat een kind voor Extra Lesson-remedial teaching?

Zo'n kind moet je, (eventueel via de schoolarts) verwijzen naar een (craniale) osteopaat. Als je er langer mee wacht gaat het kind zich aanpassen in een houding om de gevolgen van de beschadiging te neutraliseren. Dat heeft dan gevolgen tot in al zijn bewegingen. Na de behandeling door de osteopaat, is het dan aller-noodzakelijkste om het kind een kuur beweging te geven, om de fysieke bewegingspatronen goed te corrigeren.

donderdag 10 december 2009

De ontwikkeling van het kind en de twaalf zintuigen

Audrey McAllen
Voordracht gehouden te Brugge, België
Zondagochtend 3 mei 1987

Wanneer we over de zintuigen willen spreken zou ik minstens drie voordrachten nodig hebben en nu moeten we het in de tijd van een halve voordracht doen. Daarom probeer ik nu iets wezenlijks te zeggen over elk zintuig. Zoals ik vaker heb gezegd vormt Rudolf Steiners voordrachtencyclus uit 1909 (in Anthroposophie, Psychosophie, Pneumatosophie - GA 115) de achtergrond van "The Extra Lesson". In deze cyclus beschrijft Rudolf Steiner tien zintuigen i.p.v. de toen in de wetenschap bekende en gebruikelijke vijf. Een paar jaar later komt Rudolf Steiner tot twaalf zintuigen, doordat hij nog twee expliciet toevoegt: de tastzin en de Ik zin. Over de tastzin spreekt Rudolf Steiner ook al in 1909, wanneer hij zegt dat eigenlijk in elk zintuig het element van tasten is terug te vinden.
In de "gewone" wetenschap is er sinds het uitkomen van die voordrachtencyclus uit 1909 veel onderzoek verricht naar het centraal zenuwstelsel, de hersenen en de zintuigen. Zo beschreef Sir Charles Sherrington in de dertiger jaren de eigenbewegingszin. Later werd het posturale systeem volledig onderzocht (De Quiros en Schräger). Sindsdien spreekt men van negen zintuigen. Ook de taalzin wordt door de wetenschap min of meer erkend. Alleen de twee laatste zintuigen die Steiner noemde, de denkzin en de Ik-zin, zijn nog niet "ontdekt". Met het denkzintuig kan de mens de gedachtelijn in een betoog van een ander waarnemen. Zo kunnen dove mensen wel een gedachte volgen, zonder dat zij het spreken kunnen horen. Met het Ik-zintuig kan de mens waarnemen dat een ander mens ook een geestelijke individualiteit zoals hijzelf is.

De totale optelsom van de zintuigen noem ik het structurele fysieke lichaam. Daarnaast onderscheiden we in het concept van “The Extra Lesson” het constitutionele fysieke lichaam. Men moet bij Het constitutionele fysieke lichaam denken aan de processen, die zich afspelen in de organen. Het constitutionele aspect van het fysieke lichaam werkt meer in de "tijd". Het structurele aspect is meer het ruimtelijke van het fysieke lichaam: het skelet, de spieren en zoals al gezegd de zintuigorganisatie.

In een voordracht die hij in Londen hield (30 augustus 1922, in GA 214) beschrijft R. Steiner hoe de planeten ons etherlichaam beïnvloeden. Hij spreekt dan verder over hoe krachten vanuit de vaste sterren van de dierenriem zich omvormen tot ons centraal zenuwstelsel en onze zintuigen. Hier wordt de basis gelegd van het structurele lichaam. Tijdens de Oude-saturnusperiode, die planetaire ontwikkelingsfase waarin men zich in de komos een groot warmtelichaam als planeet moet voorstellen, werden de kiemen voor de zintuigen aangelegd, als instrument waarin het "Ik" kan inwerken.
Warmte is intensieve beweging. Kleine kinderen hebben een reusachtig warmtelichaam en zijn daarbij altijd in beweging. Dus werken bij kleine kinderen die twee elementen: beweging en warmte. De warmtezin moeten we als een van de allereerste beschermen. Dit warmtezintuig ging, op het einde van de Oude Saturnus geleidelijk aan vermogens ontwikkelen.

Op de Oude Saturnus werd dan als een der eerste zintuigen de smaak ontwikkeld (smaak, naar binnen toe; naar buiten toe was het toon) De smaakzin introduceert ons in ons onderbewustzijn. Alles wat van de aarde komt wordt geproefd. Bv. als we iets zoets zien, dan maakt het lichaam zich daarvoor gereed, o.a. door afscheiding van sappen. Als we dan een chemische substantie, zoals bv. sacharine innemen" dan ontstaat er een verstoring. Daarom is de smaakzin ook een "waarheidszintuig".

De reukzin is aangelegd tegen het einde van de Oude Saturnusperiode. Deze werd beleefd als "Ik heid" (naar buiten toe). Het was een structuur die een "schaal" vormde voor het "Ik". Daarin zit dus een universeel element. Als we pedagogische remediëren in het gebied van de zintuigen, dan zijn we niet bezig met zijn relatie tot het individuele lager "Ik", wat zich uitdrukt in de constitutie, maar met de mens in zijn relatie tot het Hoger Zelf, de krachten die werkzaam zijn in de structuur van het fysieke lichaam. Dat is iets objectief en bovenpersoonlijks. Via de reuk nemen we materie op in zijn aller-fijnste vorm. De reuk is verbonden met de bewustzijnsziel. R. Steiner zegt in "De Wetenschap van de Geheimen der Ziel" dat in de bewustzijnsziel het "Ik" wakker werd in zichzelf, als geestelijk wezen. "De bewustzijnsziel geeft ons het vermogen om intuïtief te weten, dat de geestelijke wezens die ons op aarde hebben geschapen, dezelfde geestelijke wezens zijn die de aarde hebben geschapen, waarop we nu wonen."

Met de gezichtszin betreden we de ruimte. Het oog is naast een gezichtszintuig tegelijk ook een evenwichts en bewegingsorgaan. Rudolf Steiner vertelt in de 1909 voordrachten dat het oog gevormd wordt als een klein hersenorgaan. Het zijn dezelfde geestelijke krachten die de hersenen opbouwen als het oog, maar in tegenstelling tot de hersenen is het oog van voor open: de pupil. De grijze materie is naar achter geduwd en is daar het netvlies geworden. En in het midden is het glasachtig lichaam. Goethe zei: "Het licht heeft het oog geschapen”. Een overbewegelijke kind wordt vaak ‘aangezogen’ door licht. Vandaar het dwingende effect van de televisie. De T.V. is een aanval op het gezichtsvermogen dat daardoor atrofieert. Bovendien is de T.V. een aanval op de waarheid: TV geeft ons leugenachtige waarnemingen. De kiem van de gezichtszin is aangelegd in de "Oude Maan".
In deze zintuigen (reuk, smaak, warmtezin, gezichtszin) zijn we in onze zielebeleving het meest bewust. Ze zijn verbonden met het gewaarwordinglichaam (warmtezin), gewaarwordingsziel (gezichtsizn), verstands-gemoedsziel (smaakzin) en bewustzijnsziel (reukzin).

De geestelijke wezensdelen van de mens zijn nog onder de hoede van de hogere Hiërarchieën. De mens heeft deze wezensdelen nog niet geïndividualiseerd. We zijn in onze tijd nog maar net bezig aan de ontwikkeling van de bewustzijnsziel. Slechts in de toekomst zullen we de hogere, geestelijke wezensdelen zelf kunnen hanteren. De geestelijke wezensdelen zijn actief bij het functioneren van de zogenaamde lichaamszintuigen, levenszin, evenwichtszin en eigenbewegingszin. De Geestmens impulseert de levenszin; het Geestzelf is werkzaam in de evenwichtszin; de Levensgeest in de eigenbeweginszin. De hoogste wezensdelen werken dus in het diepst van het fysieke lichaam.



Dan zijn er nog de hogere zintuigen voor het waarnemen van geluid, taal en gedachten. De gehoorszin, de spraakzin en de denkzin ontwikkelen we nu op aarde. Deze drie zintuigen lopen in onze moderne tijd veel gevaar. De gehoorszin wordt bijvoorbeeld door de "Walkman" afstompt van de geestelijke realiteit. Ook de taal raakt in decadentie. In bepaalde kranten gebruikt men de taal van een twaalfjarige! In het spreken wordt tot op heden het "Vlaams" nog beter verzorgd dan het "Nederlands" in Nederland en het Engels (in Engeland). Men begint te houden van de "lelijkheid" van de taal. Kranten als “De Telegraaf" attaqueren de denkzin!

In deze zintuigen werken de engelwezens van de 3e Hiërarchie. Je kunt horen doordat de engel aan het werken is in je astraallichaam. De aartsengel (volksziel) werkt in het etherlichaam en daardoor functioneert de spraakzin. De aartsengelen leven ook in de verschillenden talen. De sfeer van het denken wordt onderhouden door Michaël, de Tijdgeest in dienst van de Grote Wereldgeest (Christus), die zich in het 'Mysterie van Golgotha met de aarde verbonden heeft. Door deze verbondenheid bestaan er universele gedachten. De "Seelenkalender" van Rudolf Steiner toont ons het werken van de Wereldgeest in het ritme van de weekspreuken. Het fysieke lichaam heeft 1 jaar nodig om te recupereren. Wil men met het werk als remedial teacher echt iets wezenlijks bereiken in het gebied van de zintuigen, dan heeft men een vol jaar nodig.

Onderling doorweven de hogere Hiërarchieën en de wezens van de 3e Hiërarchie elkaar, d.m.v. het "Ik" van de aarde. Als het kleine kind gaat bewegen, gaat lopen, dan ontstaat daarna en daardoor ook het spreken. Het functioneren van de bewegingszin is gekoppeld aan ontwikkeling van de taalzin). Als er iets mis is met het gehoor, of als het kind niet luisteren kan dan moet men zich afvragen: Is er iets mis met het functioneren van de evenwichtszin? Men moet in zulke gevallen dan consequent werken vanuit en met de evenwichtszin. Als een kind denkproblemen heeft moet men zich afvragen of er iets mis is met de levenszin? Schilderen e.d. kan dan een hulp zijn voor de levenszin om de aanzet te gegeven tot de metamorfose naar de gedachtezin. Het gehele evenwichtssysteem werkt in het oog: daarmee moet men rekening houden in het "remedial" werk.
Zo zijn ook het functioneren van de tastzin en de Ik zin aan elkaar gekoppeld. De tastzin geeft een beleving van de grens van het eigen lichaam. Wanneer we iets betasten voelen we niet het uiterlijke object, maar we voelen dat een deel van onze vinger naar binnen wordt gedrukt. Dat geeft een beleving van onze grens, de huid. Het kennen van de eigen grens, doet ook het vermogen tot het herkennen van de medemens ontwaken, de Ik-zin.

In de 1909-voordrachten spreekt Rudolf Steiner ook nog over drie geestelijke zintuigen voor imaginatie, inspiratie en intuïtie. Het zijn de lotusbloemen of chakra’s. Gedurende de opbouw van het lichaam organiseren deze lotusbloemen belangrijke organen. Zo worden bijvoorbeeld de hersenen aangelegd doormiddel van de tweebladige lotusbloem en daardoor worden de voorwaarden aangelegd voor het denken, het vormen van gedachten. De tweebladige lotusbloem is het zintuig voor het waarnemen van imaginaties. Het voelen hangt samen met de werking van de zestienbladige lotusbloem, ter hoogte van het strottenhoofd. Dit is het zintuig voor de inspiraties. Het achtvoudige pad van Boeddha vormt de scholingsweg voor dit bovenzinnelijke orgaan. Met de twaalfbladige lotusbloem ter hoogte van het hart hangt samen met het willen. Rudolf Steiner legt uit dat deze hogere geestelijke zintuigen voor intuïtie, inspiratie en imaginatie (de lotusbloemen of chakra's), die de basis vormen voor het waarnemen van de geestelijke wereld, dezelfde zintuigen zijn die tijdens de kindertijd de organen vormen voor het denken, voelen en willen. Met andere woorden imaginatie, inspiratie en intuïtie zijn de geestelijke zintuigen, die het vormkrachtenlichaam tot een geheel maken. Wanneer we dit feit verbinden met de morele zielenkwaliteiten, die nodig zijn om deze geestelijke zintuigen te openen bij de volwassenen, zoals aangegeven in “Een weg tot inzicht in hogere werelden” (GA 10), dan geeft dat ons zicht op immense pedagogische perspectieven in de opvoeding van kinderen.

Als we als leerkracht besluiten een innerlijke scholingsweg c.q. een ontwikkelingsweg te gaan, dan heeft dit niet enkel gevolgen voor onszelf, maar ook wat er met de kinderen gebeurt, verandert dan. Wanneer we dan geestelijke inhouden bieden, dan zal het eigen persoonlijke element op de achtergrond treden en dan staan we als leerkracht voor de kinderen daar als een instrument waarmee een verbinding kan ontstaan tussen de hogere werelden en het kind. Deze vermogens zijn morele deugden, die bijvoorbeeld ook in de sprookjes kunnen worden teruggevonden. We kunnen deze deugden, die bij de scholingsweg behoren, ook pedagogisch aanwenden. Bijvoorbeeld: wanneer wij kinderen zien die zwak zijn in het ritmische systeem, of kinderen die zich zo moeizaam ontwikkelen zodat zij zwak van begrip blijven, of een zwakke wil hebben, dan kunnen we een lijst maken van die zielekwaliteiten, die nodig zijn om de bepaalde lotusbloemen, de zintuigorganen voor imaginatie, inspiratie en intuïtie te openen. Hiermee zouden we een sprookje kunnen vinden of, beter zelfs, er een maken, waarin de hoofdpersoon deze specifieke zielenkwaliteiten moet ontwikkelen. Op die manier kunnen we de werking van de bovenzinnelijke organen op het vormkrachtenlichaam versterken.

In de eerste zeven levensjaren van het kind werkt de twaalfbladige lotusbloem of chakra aan de goedheid van de mensheid. Het is de wil van het kind. In de tweede zeven levensjaren werkt de zestienbladige lotus aan de schoonheid van de wereld –het voelen- en in de derde zevenjaarsperiode werkt de tweebladige lotus aan de waarheid –het denken- zodat we met zekerheid in de wereld kunnen leven. Net als de andere zintuigen organiseren dus ook deze hogere zintuigen mee aan het fysieke lichaam van de mens en het geestelijke wezen bij de volwassene.

woensdag 11 november 2009

Het overbeweeglijke en rusteloze kind in de klas

Audrey McAllen
Voordracht gehouden te Brugge, België
Zaterdagavond 2 mei 1987

In de tegenwoordige tijd horen we meer en meer over overbeweeglijke kinderen. Van het overbeweeglijke kind wordt gezegd dat het erg rusteloos is. Het kan een hele klas in wanorde brengen, het heeft soms woede-uitbarstingen, vaak slaapt het niet meer dan 3 uur per nacht, het is onhandig ("clumsy"), het vertoont anti sociaal gedrag.
Het boek "The October Child" beschrijft een Australisch jongetje, dat overactief is. Zijn oudste broer verzette zich enorm tegen de komst van dit kind, maar later was hij de enige die met het jongetje over weg kon. Zulke extreme kinderen als het in dit boek beschreven kind hebben medische hulp nodig en vinden enkel hun weg in een heilpedagogisch instituut.

Andere kinderen zijn minder moeilijk, maar enkel als er een goed zorgteam is dat zich met deze kinderen bezig houdt, kan men hen in een gewone klas houden. Ze hebben vaak wilde fantasieën. Ze hebben vaak een luide stem, beginnen in de klas plots te praten over iets wat niet met de les te maken heeft. Ze willen praten, eventueel over niets. Dikwijls zijn ze lief, hebben vaak een lichtgekleurde huid, blonde haren, lichtblauwe ogen en zomersproeten. Ze zijn roekeloos. Het is alsof ze weggezogen worden door het licht. Ze antwoorden erop met beweging, alsof de sympathiekrachten te sterk werken. (vgl. Rudolf Steiner: Algemene Menskunde).

De oorzaken kunnen op drie vlakken liggen: 1. medisch; 2. sociaal; 3. milieu invloeden.
Er is iets mis met hun bewegingssysteem. De synapsen (contactplaatsen tussen twee zenuwcellen) die normaal ook filters zijn, zijn bij hen ‘bruggen die nooit sluiten’. Er is een onmiddellijke respons op een prikkel. Daaruit ontstaan hun niet doelgerichte bewegingen.
Ze kunnen over-gestimuleerd zijn geweest: door constitutionele defecten (zie hierboven), maar ook door hun omgeving, milieu: door te veel aan lawaai, teveel drukte in hun omgeving, of door drukke ouders. Bovendien heeft men ontdekt (Dr. Feingold) dat bij sommige kinderen rusteloosheid ontstaat door de additieven, toevoegingen aan voeding (b.v. kleurstoffen e.d.). Wanneer men die additieven dan vermijdt, verbetert het gedrag. Eten ze weer voedsel met die toevoegingen dan is het vaak binnen de vijf minuten weer mis.

Bij het soort overbeweeglijke kinderen dat wij in de klas hebben is de situatie meestal nog minder erg. Het zijn de kinderen die voortdurend met hun stoel bewegen, of die voortdurend met hun voet op de grond tikken, of die plots moeten opstaan in de klas of in hun kamer. Ze maken voortdurend praatjes met de buren. Ze kunnen weinig van de andere kinderen verdragen. Op de speelplaats wijken ze niet wanneer er andere kinderen komen aangelopen, of ze lopen bewust tegen andere kinderen op. Ze vechten soms zelfs tegen een muur. Op sommige dagen gaat het beter, andere dagen helemaal niet. Als ze lopen, kijken ze naar hun voeten (alsof het melancholische kinderen zijn).

Twee Argentijnse dokters (Schräger en De Quiros) onderscheiden in hun werk "Neuropsychological Fundamentals in Learning Disabilities" twee types bewegingsstoornissen: 1. het overactieve kind, en 2. het kind dat rusteloos is in zijn bewegingssysteem ("Bewegungswahrnehmunssuchtige Kinder"). Dat laatste type is het kind dat we op een normale school zien.

Het echte hyperactieve kind heeft medische problemen, die het gevolg zijn van een doorgemaakte hersenvliesontsteking, Rode Hond, een ongeval, enz.
Het rusteloze kind heeft problemen met zijn posturale systeem. Als je je posturale systeem niet beheerst, is leren op cortikaal niveau onmogelijk. De cortex is de hersenschors, de buitenste laag van de hersenen. Ze controleert de bewuste handelingen. Bijvoorbeeld: wanneer je leert fietsen, dan begin je met dat heel bewust te doen (hogere cortikale regionen). Later minder bewust en op de duur totaal onbewust, zodat je bewustzijn dan vrij komt om tegelijkertijd een andere activiteit te doen, bv. praten terwijl je fietst. Hetzelfde is het geval met breien en praten tegelijkertijd. Rusteloze kinderen moeten steeds beroep doen op hun hogere cortikale functies.

Het posturale systeem bestaat uit:
1. de evenwichtszin (het "vestibulair systeem")
2. de eigenbewegingszin (de "proprioceptie")

1. De evenwichtszin (het vestibulair systeem):
De evenwichtszin is verbonden met het oor. Het bestaat uit de drie halfcirkelvormige kanalen, en zwaartekrachtreceptoren. Daarin bevinden zich haartjes die vastzitten in een gelatineachtige vloeistof en waarop zich kalksteentjes bevinden (otolithen). Daardoor weet je hoe je je hoofd houdt, in relatie tot de zwaartekracht.
Bij kinderen die dikwijls verkouden zijn, kan het zijn dat die haartjes samenkleven. Dan is hun evenwicht gestoord. Ze houden dan hun hoofd scheef. Ze kunnen niet gewoon zitten. Ze willen overal steun zoeken bv. als ze op één been moeten staan, leunen ze op de tafel. Ze hebben hun tastzin nodig om zich te realiseren hoe ze staan. Ze hebben dan moeite met de "saccadische bewegingen" van hun ogen, wanneer zij moeten lezen. Dit hangt samen met de verstijving van hun nekspieren. Daardoor hebben ze leesproblemen.

2. De eigenbewegingszin (proprioceptie):
Als bij een kind de eigenbewegingszin onvoldoende functioneert, dan kan het kind niet gewoon "lekker" zitten. Het moet dan het zitten bewust controleren. Als zulke kinderen naar een verhaal zitten te luisteren en ze met concentratie naar het verhaal toehoren, dan hebben ze geen controle meer over de hogere regionen: ze kunnen dan plots van hun stoel afglijden. Of: ze moeten constant bewegen om hun evenwicht te zoeken. Als hun hoofd lager is dan hun borst hebben ze een betere concentratie. Daarom duiken ze dikwijls onder de tafel in hun boekentas, zogezegd om er iets uit te halen. Als we zulke zaken zien gebeuren, mogen we dit dus geen gestoord gedrag noemen!

De eigenbewegingszin ligt ook aan de grondslag van ons lichaamsschema. Kinderen met onvoldoende ontwikkelde eigenbewegingszin hebben dus een matig lichaamsschema. Ze vinden dan hun weg in de ruimte door voortdurend hun ogen te gebruiken (visuele controle). Ze kennen de ruimte niet van binnenuit, maar uit de omgeving. Ze zijn niet gecentreerd. Het zijn de kinderen die er een hekel aan hebben dat er iets in hun visuele omgeving veranderd wordt. Ze hebben het ook nodig om een gewicht te voelen; in het extreemste geval steken ze bv. zakjes met aarde in hun zakken!

Welke organisatie controleert dit nu?
Het zijn de hiërarchieën die via de hogere wezensdelen van de mens het posturale systeem controleren. De Levensgeest controleert de eigenbewegingszin en het Geestzelf de evenwichtszin. Omdat we deze twee wezensdelen nog niet als individu ontwikkeld hebben, staan ze nog helemaal onder de leiding van de hogere geestelijke wezens. Het kind raakt gescheiden van deze hulp. Als het kind "ik" gaat zeggen, zou dit posturale systeem moeten geïntegreerd zijn. Een kind van 3 jaar moet dan kunnen staan met de armen rustig langs het lichaam en de ogen gesloten.
Tegenwoordig lukt dat in veel gevallen helemaal niet meer. Wat interfereert daar nu mee?
In de gewone ontwikkeling is het zo dat het kindje eerst zijn hoofdje leert op te heffen (1), dan leert zijn romp opheffen (2), en dan op zijn beentjes leert staan (3).

Op die drie gebieden wordt er nu met de baby's gesold:
(1) Vroeger (in de Victoriaanse tijd, toen de baby’tjes nog ingebakerd werden) mocht het pasgeboren baby’tje gedurende de eerste zes weken rustig horizontaal op zijn rug liggen. Het kon dan rustig leren het hoofd opheffen, op eigen kracht en doormiddel van zijn eigen controle. Nu worden de kindjes te vroeg rechtop gehouden. Bovendien worden ze veel op hun buikje gelegd. Wiegendood komt bij zulke kinderen meer voor. Als er dan een geboortetrauma is geweest, bv. door een te snelle, eventueel een tangverlossing of vacuümextractie, waardoor de schedel en halsbeenderen in elkaar geschoven zijn, dan kunnen zulke problemen gefixeerd worden door het te lang rechtop houden van het pasgeboren baby’tje.
(Het inbakeren is ook belangrijk voor het integreren van de Morro reflex. Wanneer een baby’tje van een geluidje schrikt, kan het niet meteen de armpjes bewegen, wordt de Morro en het hele ‘alarmsysteem’ wat erbij hoort onderdrukt (inclusief de adrenalineshot voor de vluchtreactie) en het kind slaapt weer rustig verder).
(2) Vroeger mocht het baby’tje zichzelf oefenen in het zich optrekken (en terugvallen). Dit had een belang voor het gehele bewegingssyteem. Nu stopt men ze zeer snel een hoofdkussen achter of zet hen in een wipstoeltje. Daarmee wordt het zelf oefenen belemmerd
(3) Vroeger mocht het kleine kindje zelf oefenen met lopen, als het daar naar hun eigen ontwikkeling de tijd voor was. Nu gebeurt het o.a. dat men dit forceert door het kleine kind vroegtijdig in een looprekje te zetten.

Door heel die ontwikkeling geeft men de moderne kindertjes geen juiste oefening. Het is eerder een "ont opvoeding". Deze manier van omgaan met baby's leidt tot bepaalde versnelling, maar het lichaam krijgt niet de oefening die het nodig heeft. Bovendien wordt het kind hierdoor gescheiden van de helpende krachten van de hogere hiërarchische wezens engelen, aartsengelen en archai). We leren ons lichaam te vroeg bewust te worden. Dit interfereert met de levenszin, die door de Geestmens wordt beheerst. (zie voordrachten R.Steiner ‘Antroposofie’ 1909). Daardoor vermindert de vitaliteit sterk. De Geestmens is onze hoogste wezensdeel en het oerbeeld dat aan de grondslag van onze menselijke gestalte ligt. Dit geestelijk orgaan van het kind is in gevaar, omdat het voortdurend geattaqueerd wordt.

We moeten deze stoornissen leren onderkennen en remediëren. De behandeling ervan. dat is een lang verhaal. De meeste zaken in "De Extra Les" en "Stap voor Stap" helpen.
"De Extra Les" is gebaseerd de aanwijzingen van Rudolf Steiner. Opvallend is dat mensen uit de "gewone" wetenschap nu tot dezelfde bevindingen komen.
Het zenuwstelsel, met de twaalf zintuigen is een archetypische systeem, het zelfde voor alle mensen, dus objectief. Daardoor ontdekken totaal verschillende wetenschappelijke stromingen dezelfde zaken zoals o.a. de neurofysiologie, sensorische integratie.
Ernst Lehrs schreef iets dergelijks: "Darwin's observaties waren correct. Ze waren zuiver en onzelfzuchtig. Het enige wat niet klopte was de theorie die er rond gesponnen werd.” Als de natuurwetenschap eerlijk is met zichzelf, dan vindt ze aansluiting bij de resultaten van de geesteswetenschap.

Vraag uit de zaal:
De epidemie van leermoeilijkheden, hoe pakken we dat aan?.
De ontmoeting tussen de geesteswetenschap en de natuurwetenschap kan als de sleutel op het slot ons een oplossing bieden. Wij hebben de sleutel, zij hebben het slot. Als we de ontwikkeling van het kind leren verstaan, als we de ontwikkeling van de wereld verstaan, dan vinden we de helende krachten.

vrijdag 6 november 2009

Rudolf Steiner - Konferenze (2)

In de vorige bijdrage gingen we in op het gesprek tijdens een kinderbespreking, waarin Rudolf Steiner een meisje in klas 5 beschrijft. 
Rudolf Steiner vervolgde de beschrijving van zijn observatie van het meisje als volgt:

"Het is een kind, niet van het wakkere type. Dat kunt u bemerken wanneer u haar iets vraagt, dan maakt ze dit soort gebaren, zoals iemand die wakker wordt. Het is een heel klein samentrekken, zoals iemand die wordt gewekt.”
(Konferenzen - Ga 300c, blz.98).

Dit tweede stukje beschrijft niet iets wat zich in het astraallichaam afspeelt (de astrale knollen - ofwel het concaaf en convex spiegelen) maar de werking van het Ik. Hij gebruikt 'wakker worden'. Slapen, dromen en waken zijn de toestanden waarin het Ik kan verkeren. (zie Algemene Menskunde)

Wanneer wij bij een kind de eye-tracking controleren kunnen we in de oogbeweging vaak de hapering bij het overkruisen van de middenlijn zien. In een ander geval zien we kleine schokbewegingen wanneer een kind resten van een Morro reflex of een andere reflex lijkt te hebben. Het lijkt er inderdaad op dat zo'n kind even het wakkere dagbewustzijn verliest en daarop weer wakker wordt.
Op die momenten lijkt het Ik los te laten, waardoor het astraallichaam naar boven stuwt en het waarnemingsproces verstoort.

Nogmaals;
Rudolf Steiner beschrijft in 1923 een voor hem onbekend fenomeen dat wij tegenwoordig veelvuldig zien. Zijn diagnose is eigenlijk rescht in de roos.
Het bewijst wat een scherp waarnemer hij was.

Wij moeten voor ons werk, naast de resultaten van de gewone wetenschap, ook de antroposofische menskunde blijven studeren. Alleen dat kan tot een reële inspriratie leiden om de kinderen te helpen in hun noodsitutatie.

woensdag 28 oktober 2009

Rudolf Steiner - Konferenze 18-9-1923

Beste vrienden,

Onlangs werd ik geattendeerd op een voor mij onbekende passage uit de 'Konferenzen' over een meisje met lees- en schrijfproblemen.

Rudolf Steiner zegt daar het volgende:
“Dit kind ziet niet goed. Ze heeft astrale knollen voor haar ogen. Dat zie je aan haar handschrift. Ze verwisselt consequent de letters. Ze schrijft bijvoorbeeld ‘Gsier’ in plaats van ‘Gries’. Achter de wetmatigheid daarvan moet ik nog zien te komen. Ze schrijft de ene letter op de plaats van de andere. Dat doen kinderen in die leeftijd niet meer, maar zij doet het steeds. Ze ziet het niet goed. We moeten bedenken wat we met dit kind moeten doen. Men moet met dit kind iets doen.”

Rudolf Steiner stootte op een voor hem blijkbaar nog onbekend fenomeen - het spiegelen van letters en/of lettervolgorde, iets waar wij tegenwoordig niet meer van opkijken- en hij had er toen (1923) nog niet een compleet antwoord op, maar zijn beschrijving is ongelooflijk accuraat.

Wie in plaats van ‘astrale knollen’ twee glazen knikkers voor de ogen houdt ziet in de knikkers de omkering van het geschreven woordbeeld. In het astraallichaam spiegelt zich het fysieke altijd in een omkering (we laten de spiegeling, die in het etherlichaam optreedt hier even buiten beschouwing). Het zijn de convexe en concave spiegelingsmogelijkheden, zoals ze beschreven zijn door Audrey McAllen.

Het omkeren van volgorde van achter naar voor door het astraallichaam geldt niet alleen voor de visuele waarneming maar ook voor het auditieve. Een jong kind kan lettergrepen omkeren en zegt bijvoorbeeld: ‘moe-li-na-de’ (limonade). Mijn kleine zusje noemde mij vroeger ‘Poe’. Gelukkig is men na Steiner ook in antroposofische kringen niet stil blijven zitten en heeft men grondig gezocht naar verklaringen en hulp op dit gebied.

Audrey McAllen beschrijft haar waarnemingen en onderzoek van het spiegelen op bladzijde 34 -36 van 'De Extra Les' en verder in 'Learning Difficulties' hfst: 'The Mirroring Process in Relation to Two- and Three-Dimensional Space'.
Vergeet ook de observaties en beschrijvingen van Walter Holzapfel niet in zijn hoofdstukken over dyslexie in 'Kinderen met ontwikkelingsproblemen.'
In 'Foundations of the Extra Lesson' (hfst: Mirroring and Imprinting Process) wordt alles uitgebreid behandeld en op een rijtje gezet.

Zoals al eerder vermeld, had Rudolf Steiner zoals hij zelf zei, niet direct een antwoord op dit door hem waargenomen fenomeen. In latere vergaderingen met de leraren is het meisje niet meer besproken. We hebben dus geen aanwijzingen over resultaten van Steiners eventuele verdere aanwijzingen.

We zouden echter met veel eerbied en dankbaarheid kunnen kijken naar wat Audrey McAllen de vrijschool-beweging heeft geschonken.

maandag 15 juni 2009

De ontwikkeling van het kind in de eerste zeven jaar als basis voor het leren

Audrey McAllen
Voordracht gehouden te Brugge, België
op zaterdagochtend 2 mei 1987 - 9.30 u.

Wanneer we spreken over de wezensdelen van de mens, dan mogen we niet spreken over ons fysiek lichaam, ons echterlichaam, ons astraallichaam, maar we moeten zeggen het fysiek lichaam, het echterlichaam, het astraallichaam. Deze wezensdelen van de mens zijn namelijk door de Hiërarchieën voorbereid gedurende eerdere aarde-evoluties, te weten Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan. De wezensdelen zijn universeel en wij, als "Ik ben" mogen hen gebruiken, maar ons persoonlijke Ik heeft ze niet zelf gemaakt. Zij geven ons vermogens voor onze ontwikkeling, want door middel van deze wezensdelen kunnen wij de gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de bewustzijnsziel ontwikkelen.
In "De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie" beschrijft Rudolf Steiner de kinderlijke ontwikkeling als "drie geboorten". De periode van de werkelijk fysieke geboorte tot het 7e jaar (de tandenwisseling) is de tijd van de opvoeding van het fysieke lichaam. Het kind leeft dan in empathie met de gehele hem omringende omgeving inclusief de morele kwaliteiten van die omgeving, vooral van de mensen om hem heen. In het wezen van het kind leeft een sterke wil om de wereld op te nemen en na te bootsen. Het kind bootst na omdat "de wereld goed is". In de periode van 7 tot 14 jaar is er een verandering van bewustzijn. Het kind zoekt stabiliteit in de wereld. Het wil een autoriteit, die hem wijst wat goed of slecht is. Het wil respect opbrengen voor de opvoeder. Het ervaart: "de wereld is mooi". De periode van 14 tot 21 jaar is de tijd van idealisme. Het kind zoekt zelf zijn held om na te volgen. Het wil ervaren: "de wereld is waar".
Dit zijn 3 stadia van incarnatie van de ziel. Rond het 7e jaar is het etherlichaam vrijgekomen van het etherlichaam van de moeder. Rond het 14e jaar wordt het astraallichaam geboren en als we het etherlichaam goed opvoeden is het astraallichaam niet te chaotisch. Rond het 21e levensjaar zou de "schaal" klaar moeten zijn om het "Ik" te ontvangen. (P.S. Deze drievoud spiegelt zich in het klein ook in elke afzonderlijke periode.)

Het wordt steeds belangrijker dat we allemaal iets weten over de ontwikkeling in de eerste zeven jaar en dat we kunnen we leren van de kleuterleidsters. Maar de kleuterleidsters zouden ook de kinderlijke ontwikkeling tot minstens 9 jaar moeten bestuderen.
De eerste zeven jaar is de periode van de opvoeding van het fysieke lichaam, zodat het "Ik" geboren kan worden in het etherlichaam. Tegelijkertijd leggen we dan ook de basis voor de geboorte van de bewustzijnsziel(tussen 35 en 42 jaar). Dus moeten we het fysieke lichaam goed bekijken! Rudolf Steiner beschrijft het fysieke lichaam als de optelsom van alle zintuigen. De oorsprong ervan gaat terug tot de Oude Saturnus. Toen werden het skelet, en alles wat hoort bij bewegingen en het bewustzijn aangelegd.

De ontwikkeling van het fysieke lichaam kunnen we op twee manieren bekijken:
l. vanuit een structureel gezichtspunt, en
2. vanuit een constitutioneel (fysiologisch) gezichtspunt.
(Zie het schema)
(dubbelklik op de afbeelding voor een vergoting)

Als iets twaalfvoudig is kunnen we verwachten dat er opname van materie is, er wordt iets ruimtelijks gecreëerd. Het zevenvoudige heeft met de planeten te maken: dit is de etherisch/constitutionele kant van de orgaanprocessen.
Het structurele aspect van de fysieke mens vormt een ruimteorgaan. In de eerste periode (0 3 jaar) richt het kind zich op en oriënteert het zich in de ruimte. Een aantal reflexen, die bij de geboorte aanwezig zijn, moeten gedurende de eerste maanden worden geïntegreerd. Wanneer men bijvoorbeeld het hoofd van een jong baby’tje naar een kant draait, dan strekken zich de arm en het beentje aan de "gezichtszijde" en dan buigen het armpje en het beentje aan de “achterhoofdszijde”. Deze reflex noemt men de "Asymmetrische Tonische Nekreflex" (ATNR).
Wanneer men, bij een baby’tje in buikligging, het hoofdje voorwaarts buigt, dan buigen zich de armen in de ellebogen en strekken zich de benen; als men het hoofdje achterwaarts buigt, dan strekken zich de armen en buigen zich de benen in de knieën. Deze reflex noemt men de "Symmetrische Tonische Nekreflex" (STNR). (de links zijn naar de website van de INPP -Nederland: www.inpp.nl)

Het proces van het kruipen zorgt ervoor dat deze reflexen worden geïntegreerd in het neurologisch-motorische systeem. Wanneer ze blijven, bemoeilijken ze de ontwikkeling en dit zal later effect hebben op het leren. Kinderen waarbij dat het geval is, hangen op hun bank, of hebben de gewoonte van op één been te zitten, of de rest volgt wanneer ze een arm uitsteken. Ze hebben ook problemen in de euritmie. Het komt voor dat kleine kindjes, die deze reflexen overwonnen hebben, een verkoudheid of een oorontsteking krijgen. Wanneer die dan behandeld wordt met antibiotica, komen deze reflexen soms terug en verdwijnen ze niet meer. Deze verschijnselen zijn geen gewone onhandigheid ("clumsiness").

Tussen 3 en 5 jaar ontwikkelt zich de symmetrische fase (sidedness). Het kleine kind gebruikt zowel links als rechts: beide lichaamshelften worden geoefend, opgevoed. Er is een barrière tussen beiden ("middellijnbarrière"). Deze vormt een bescherming zodat het kind inderdaad beide helften van het lichaam kan ontwikkelen. Er is ook een "horizontale middellijn", die boven en onder scheidt. In de periode van de horizontale middellijn spelen de kinderen bijv. paardje, waarbij ze een koord rond de taille doen! Het is de tijd van het creatieve spel. Dan praten ze constant tegen de poppen of tegen zichzelf terwijl ze spelen. Als dat niet gebeurt, kan men later ellende krijgen. De middellijnbarrières dienen tussen 6 en 7 jaar te verdwijnen. Dus mogen de kinderen pas naar de eerste klas als ze 6½ jaar (en liefst ouder!) zijn!
Sommige ouders van kinderen tussen 4½ jaar en 5½ jaar denken dat hun kind linkshandig is, terwijl het dat helemaal niet is. Het valt de ouders enkel op wat het kind links doet. Dat is dan "pseudolinkshandigheid" (zie: ‘Teaching Children Handwriting’ van Audrey McAllen).

Veel latere leerproblemen hebben o.a. met de twee middellijnen te maken, bv. "spiegelen". Bij het schrijven moet de verticale barrière overwonnen zijn. Er zijn bv. kinderen die hun hand opheffen als ze aan de verticale middellijn komen. Er zijn kinderen die bij het schrijven op de rechterkant leunen om de middellijn niet te hoeven kruisen! De remedial teacher zou in de klas kunnen komen om deze fenomenen mee te helpen opsporen.
Om te onderzoeken of een kind problemen heeft met de horizontale middellijn moet men speciale technieken gebruiken. Men moet kijken naar wat de kinderen niet doen, naar wat ze ontwijken. Bv. deze kinderen bukken zich niet, maar in de plaats daarvan hurken zij , als ze iets van de grond moeten oprapen.

De derde periode van de eerste zevenjaar is voornamelijk een groeiperiode. Het kind begint het creatief spel los te laten. De kinderen beginnen elkaar te plagen, elkaar te stoten, enz... Die kinderen verstoren dus de harmonie in de kleuterklas en een kleuterleidster, die een sterk gevoel heeft voor creatief spel heeft daar dan moeite mee. Ze definieert dat gedrag dan als "schoolrijpheid" en ze wil die rustverstoorders dan naar de eerste klas verwijzen. Maar…dit alles is echter geen teken van schoolrijpheid. Het kind wil consolideren wat het verworven heeft en het moet daar dan ook de gelegenheid toe krijgen. Het wil dan dingen doen, bijvoorbeeld iets met de jongere kinderen, de baby’tjes en de peutertjes tot 3 jaar, die nog in hun zeepbelletjes leven.
Op structureel gebied moet het kind nu zijn lichaamsgeografie (in het gewone taalgebruik: "lichaamsschema") consolideren.
Wanneer de periode van 0 tot 3 jaar niet goed doorlopen is, heeft het kind vaak al geen goede lichaamsgeografie. Dat spiegelt zich in de kindertekeningen: het moet nu (derde periode) een drieledig mensfiguurtje tekenen met een middellijn.

Rond het 12e levensjaar beleven kinderen hun fysieke lichaam opnieuw. Het beenderstelsel voelt niet als van henzelf, maar als een innerlijke buitenwereld. Ze willen er dan met hun ziel op stampen. Als ze dan geen goede "lichaamsgeografie" hebben, dan is er niets om op te stampen. Er is dan niets waar het "willen" kan op staan, het lichaam draagt de ziel van het kind onvoldoende. Het gevolg ervan is wilszwakte. Kinderen "wensen" dingen te doen, maar ze kunnen het niet verwerkelijken. Door klassikaal de "spot check" af te nemen, kan men dat onderzoeken (zie: "De Extra Les"). Het is mij gebleken dat gemiddeld tweederde van de klas geen goede lichaamsgeografie heeft. Ze tekenen mensfiguren zoals 3 5 jarigen dat doen. Wanneer deze lichaamgeografie onvoldoende is, dan heeft de bewustzijnsziel dan geen goede fysieke basis -"schaal"- om zich te ontwikkelen. De gevolgen hiervan zijn te zien tot in het voortgezet onderwijs (de middelbare school). De kinderen gaan dan naar de bovenbouw zonder deze drieledigheid goed ontwikkeld te hebben.

Wat kunnen de kleuterjuffen hieraan doen? Ze moeten minstens leren te zien dat de primitieve reflexen en de middellijnbarrières volledig verdwenen zijn als de kinderen naar de 1e klas gaan. Ze kunnen dan op tijd remediëren via het spel van de kinderen.
Structurele problemen kan je ontdekken op de kindertekeningen. Je ziet dan bijvoorbeeld dat het hoofdje niet juist op de schouders getekend staat. Dan blijkt vaak dat het kinderen zijn die als baby van de stoel gevallen zijn of zoiets dergelijks, en dat er bijvoorbeeld iets verkeerds geschoten is tussen twee wervels in bv. de nek. Dit geeft dan een "verkeersopstopping" in de zenuwen. Er ontstaat een soort "paresthesie", needles and pins (= tintelingen, alsof er mieren over lopen). Dit gevoel is dan bij het kind constant aanwezig zonder dat het zich er bewust van is. Het beïnvloedt alle bewegingen en het kind gaat zijn bewegingen zo aanpassen dat die vervelende gevoelens zoveel mogelijk vermeden worden. Cranio-sacrale osteopathie kan daarbij hulp bieden. Het brengt het lichaam terug in de juiste constructie, zodat heileuritmie (euritmietherapie) en remediërend werk kunnen gaan aanslaan. (P.S. In Amerika zijn er cranio-sacrale osteopaten welke antroposoof zijn)
De laatste visie van de wetenschap op de hersenen is, dat de hersenen veel plastischer zijn dan men eerst aannam en dat ze daarom ook later nog (her )opgevoed kunnen worden. Men kan het kind ook later nog leren, zich naar de rechterkant van het lichaam te oriënteren, op een rustige manier, met behulp van bepaalde oefeningen.

vrijdag 5 juni 2009

De taak en plaats van de remedial teacher (Extra Les leerkracht)

Audrey McAllen
Voordracht gehouden te Brugge, België
Vrijdagavond 1 mei 1987

Het is een voorrecht hier in Brugge te mogen zijn. Ik ben hier de relieken van het ‘Heilig Bloed’ gaan bekijken. Plaatsen waar relikwieën worden bewaard zijn speciale plaatsen, plaatsen waar er een sterke concentratie is aan etherkrachten. Hier heeft de geestelijke realiteit ingewerkt in het etherlichaam van de aarde, zodat er een voedingsbodem is voor de krachten van het Michaëlstijdperk. Op zulk soort plaatsen in Europa ontstaan overal vrijescholen (Steinerscholen), ook zelfs in Amerika.

Nu: wat gebeurde er in Engeland, twee dagen geleden (1985)? Er was toen voor de eerste maal in de geschiedenis een staking van leraren. Een collega van mij, die werkzaam is in het gewone onderwijs, merkte op: "Ze zouden moeten staken voor betere voorwaarden waaronder moet worden gewerkt, niet voor meer salaris." Er is een tijd aan het komen dat elk kind een eigen leraar zal nodig hebben. In Amerika zei een onderwijsconsulente, die ook neurofysiologe is: "Binnen 10 jaar zal het zo zijn dat elk kind een crisis zal meemaken: de kinderen staan onder een te hoge druk". We zullen die nieuwe situatie moeten ondervangen.

Rudolf Steiner zegt in de 1e voordracht van "Algemene Menskunde" dat het onze taak als onderwijzende is, de ademhaling van de kinderen te regelen. Zonder te ademen zouden we niets kunnen begrijpen. De ademhaling is de activiteit van het organisme, die ons in staat stelt iets te begrijpen. Een kind met een oppervlakkige ademhaling kan niet echt doordringen in het begrijpen van gedachten. Ziele-geest en etherlichaam doordringen elkaar, werken op elkaar in. Dat is "ademen". Maar waar staat de individualiteit, het "Ik" in die interactie? Rudolf Steiner spreekt hier over iets dat archetypisch is, niet over het leven als een persoon met sympathieën en antipathieën, maar over iets dat gemeenschappelijk is voor alle menselijke wezens. Dat is dan objectieve werkelijkheid.



Laat ons nu kijken naar wat dan gemeenschappelijk en universeel in ons is. Dat is het fysieke lichaam. Geen enkel iemand is precies hetzelfde als een ander, maar toch hebben we allemaal dezelfde lichaamsstructuur. Deze gemeenschappelijke lichaamsstructuur is het resultaat van het werk van de Hiërarchieën gedurende de drie eerdere planetaire fasen van de aarde: Oude Saturnus, Oude Zon en de Oude Maan. Elk mens heeft daardoor hetzelfde aantal beenderen, dezelfde zintuigen, dezelfde opbouw, dezelfde zeven hoofdorganen, op welbepaalde plaatsen. Dus: het fysieke lichaam is een objectief element. Gelukkig maar, anders zou ieder mens een verschillende dokter moeten hebben!

Laat ons eens kijken naar de mens en zijn verhouding tot de verschillende levende wezens en de planeet aarde. De aarde heeft namelijk ook een fysiek lichaam, een etherlichaam en een astraallichaam. Sinds het Mysterie van Golgotha heeft de aarde ook een "Ik".
Wij mensen dragen het hele dierenrijk in ons astraallichaam. Het "Ik" onderdrukt dat dierlijke element echter. Dat komt mooi tot uiting in het Grimm sprookje ‘De Drie Gouden Haren van de Duivel’ met daarin de muis, die knaagt aan de wortels van de boom met de gouden appels.
Ook het hele plantenrijk en het hele mineraalrijk dragen wij als mens respectievelijk in ons etherlichaam en in ons fysieke lichaam. Dit zijn objectieve archetypen.

Als "Ik" moeten wij ontwaken:
in de gewaarwordingsziel (tussen 21 en 28 jaar),
in de verstandsziel (tussen 28 en 35 jaar), en
in de bewustzijnsziel (tussen 35 en 42 jaar).
Als leerkrachten werken we om te zorgen het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam van het kind voor te bereiden zodat daarin rond het 21e jaar het "Ik" kan ontwaken. Dat is onze taak.
De bewustzijnsziel is nog tamelijk nieuw. Daarin moet de mens ontwaken in onze huidige tijd: in de volgende 100 of meer jaar. Belangrijk voor de leraren is het te helpen bij het ontwaken van de bewustzijnsziel, zodat die kan gebruikt worden als een objectief, bovenpersoonlijk waarnemingsorgaan. De ontwikkeling van de bewustzijnsziel is, afhankelijk van de ontwikkeling van het fysieke lichaam.

De opvoeding van het fysieke lichaam van 0 tot 7 jaar moet zo gebeuren, dat de leervaardigheden –leervoorwaarden- aangelegd worden. We verwachten als leraren bijvoorbeeld dat een kind in de 1e klas in staat is om een potlood goed vast te houden. Maar vandaag de dag worden we geconfronteerd met het feit dat zulke normale vermogens niet meer spontaan te voorschijn komen, zelfs niet in de kleuterklassen van vrijescholen.
Het fysieke lichaam wordt geplunderd, door onze beschaving. Leerproblemen zijn een echte epidemie geworden, te vergelijken met de kankerepidemie in de volwassenenwereld. In de tijd dat ik (Audrey McAllen) beginnend lerares was, bestonden er wel "langzaam lerende" kinderen, maar er waren geen kinderen die niet in staat waren te leren. (Els Göttgens is ook bij deze bijeenkomst aanwezig en beaamt dit). Vroeger zag je soms kinderen met zieleproblemen –psychische problemen-, welke dan tot in liet fysieke lichaam hun invloed hadden. Op het ogenblik zie je het omgekeerde: de ziel van het kind komt in goede conditie op aarde (goed onderwezen door de Hiërarchieën), maar de zich incarnerende ziel wordt gefrustreerd door het fysieke lichaam dat obstakels opwerpt.

In de pedagogie is het zo dat, hetgeen je doet aan het lichaam, op de ziel werkt, en dat wat je doet aan de ziel, op het lichaam werkt. Bijvoorbeeld: als je niet kan rekenen, dan moet je in de turnzaal gaan bewegen en tellen terwijl je bijvoorbeeld staafoefeningen doet. Dat is het wonderbaarlijke wat we, als leraren, doen met de kinderen! Maar: we krijgen niet meer de verwachte reactie op het moment! Rudolf Steiner zegt dat, als er drie opeenvolgende generaties komen, waarvan de opvoeding geworteld is in materialisme en zonder religieuze, ethische concepten, dan dringt de decadentie tot in de lichamelijke structuren van de mens door. De grote wetenschappers (van vroeger) waren met geestelijke waarden opgevoed: zij konden dat voorkomen. Wij kunnen dat niet meer.

∗∗∗

Audrey Mc.Allen beantwoordde daarna enkele vragen, die haar op voorhand schriftelijk waren gesteld en die aansloten bij haar voordracht.

Vraag 1: Wat is het verschil tussen Remedial Teaching en Heilpedagogie?

Dat is moeilijk uit te leggen. Bijvoorbeeld: Wanneer een kind scheel kijkt, is dat een zieleprobleem. Lees Padraic Colums: "The King of Ireland's Son" (De Koningszoon van Ierland). Daarin kijkt een van de drie dochters van de Tovenaar van de Zwarte Achterlanden scheel. Daaruit lees je de psychologie van het schele kind en in dat zielegebied ligt dus een taak voor de klassenleerkracht. De dokter schrijft voor zo’n euvel euritmietherapie voor, maar de klassenleerkracht brengt voor dit euvel zielebeelden aan, waaraan de ziel van zo’n kind zich kan scholen. Een ander voorbeeld: een kind dat stottert. Rudolf Steiner zegt in "Sprachgestaltung und Dramatische Kunst" dat stotteren geworteld is in boosheid en angst. Vanuit die gedachte kun je pedagogische oefeningen bedenken. Maar daarnaast is ook weer medische behandeling nodig om het organisme te ondersteunen.

-Dat is alles therapie van het ‘normale kind’.

De taak van de remedial teachers ligt op een ander terrein. Extrales-leerkrachten moeten nagaan wat het "Ik" van het kind belet om in de objectieve archetypen van het lichaam door te dringen. Ze moeten het kind overnieuw leren, wat het niet in staat was zelf te volbrengen. Ze moeten inhalen wat de kinderen tijdens de ontwikkeling van de eerste zeven jaar hebben gemist. De ontwikkelingsachterstand van de kinderen (zintuigen en beweging) wordt o.a. veroorzaakt doordat de hele kindercultuur is verdwenen. Welke kind kan nog een tol laten draaien en laten springen? Wie weet nog wat hij met een hoepel moet doen? De kindercultuur met spel is weg. En ook de werkende volwassenen, die het kind kon zien en nabootsen in hun imitatiespel, zoals alle huishoudelijke en ambachtelijke bezigheden: ramen zemen, afwassen, de was doen, strijken, schoonmaken, zagen, timmeren, smeden enz. dat alles vormde de opvoeding van het fysieke lichaam en was de grondslag van de intelligentie. Deze vaardigheden werden vermogens. In de tijd van Rudolf Steiner bestond deze kindercultuur nog! We moeten daarom onze opvoeding, pedagogie herzien.

Vraag 2: Welk is de verhouding tussen klassenleerkracht en remedial teacher?

Vooral de oudere klassenleerkrachten voelen het als bedreigend dat, een jongere persoon hen komt bekritiseren. Eigenlijk weten de klassenleerkrachten wel dat ze bepaalde zaken niet meer kunnen doen. Tweederde van de kinderen heeft hulp nodig. De klassenleerkrachten moeten de remedial teacher leren zien als een helper, die zich specialiseert in opvoeden zelf. Daar tegenover staat dat de beste training voor de remedial teachers is zelf klassenleerkracht geweest te zijn.

Vraag 3: In het traditionele onderwijs doet men meer en meer remediëring op motorisch gebied.
Wat moeten wij brengen? Wat moet er verschillend zijn?

Hulp in het sensomotorische veld is het belangrijkste werk van de remedial teacher. Het verschil met de bewegingsopvoeding van de gewone motorische remedial teaching is, dat wij als vrijeschool-leerkrachten iets moeten halen uit het geestelijke gebied der archetypen. Dus: de oefeningen moeten zinvol, betekenisvol zijn. De ziel heeft een slechte ervaring gehad met het fysieke lichaam, dat niet doet wat de ziel verwacht dat het zal doen. Het fysieke lichaam werkt niet mee. Het lichaam is het probleem. De ziel is daardoor gefrustreerd geraakt. Het "Ik" heeft alle kennis in zich. Een remediërende oefening moet herinneringen bij het "Ik" wakker maken, van zaken die het geleerd heeft in de geestelijke wereld. Zoals bijvoorbeeld de tekening in het begin van de voordracht. Men kan in een vormtekening (of bewegingsoefening) uit de twee driehoeken een zesster (twee driehoeken in elkaar) laten ontstaan. (vgl. de 'Elkaar Doordringende Driehoeken' in "De Extra Les".) Zoals hier getekend is de Davidster ontstaan uit een neergaande beweging van één van de driehoeken. Het omgekeerde kan men ook doen (van beneden naar boven). Zo ontstaat een soort ademhalingsproces.
In een van zijn voordrachten beschrijft R. Steiner een zelfde beeld: het licht dat opwaarts stroomt en de zwaarte die naar beneden trekt. Hieruit kan men een ook staafoefening afleiden.
Op deze manier wordt het kind herinnert aan iets wat het diep in het innerlijk al weet. Door zulke oefeningen wordt het "Ik" van het kind aangespoord om dat te doen in het fysieke lichaam, wat het in de eerste 7 jaar had willen doen. Zo breng je troost voor het "Ik" van het kind voor de gruwelen, die zijn ziel heeft moeten doormaken t.g.v. de stoornissen die tussen 0 en 7 jaar in het fysieke lichaam ontstaan zijn.

woensdag 27 mei 2009

Uit de aantekingen van Audrey McAllen - II

Uitgebreidere aantekeningen met gedachten omtrent de mens (vervolg):

In de laatste bijdrage op dit weblog publiceerden we al een gedeelte uit de persoonlijke aantekeningen van Audrey McAllen. Korte gedachten, bijna meditatief, waaraan men kan aflezen op welke manier Audrey kijkt naar haar eigenwerk en het werk van de vrijeschoolleraar (steinerleraar). Het is geen lectuur voor beginners, eerder notities, gemaakt na langdurige studie van de antroposofie en veel ervaring als pedagoge. Daarom deze keer een korte inleiding voordat we de rest van deze aantekeningen wereldkundig maken. Vooral ook om verkeerde interpretatie en eventuele ophef te voorkomen.

In zijn voordrachten ’Antroposofie’ van oktober 1909 beschreef Rudolf Steiner dat in de lichaamszintuigen (levenszin, eigenbewegingszin en evenwichtszin) de hogere wezensdelen van de mens werkzaam zijn: Geestzelf - Manas, Levensgeest – Buddhi en Geestmens – Atma. Ze worden ook wel het Hogere Ik van de mens genoemd. Deze drie geestelijke wezensdelen heeft de mens nog niet geïndividualiseerd. Het Hogere Ik leeft voorlopig nog buiten de mens onder hoede van de hiërarchieën. Vandaar dat gedurende de eerste drie levensjaren van het kleine kind de ontwikkeling van staan, lopen, spreken en denken, die voor een groot gedeelte afhankelijk is van de lichaamszintuigen, geen proces is afhankelijk van persoonlijke wil, maar een ontwikkeling alsof van buiten gestuurd. Dezelfde krachten die voor dit leer- en ontwikkelingsproces gebruikt worden, zouden later kunnen worden aangewend voor innerlijke scholing.

Sergej O. Prokofieff schrijft in zijn boek ‘De verbondenheid met Rudolf Steiner’:
‘In het centrum van de antroposofie staat het ik of het ‘Ik-Ben’. Op de vraag die iemand in Londen aan Rudolf Steiner stelde, hoe de antroposofie voor de Oxford Dictionary heel kort gedefinieerd kan worden, schreef hij op een vel papier: ‘Antroposofie is een wetenschap die door het Hogere Zelf in de mens teweeg wordt gebracht.’ Maar het Hogere Zelf of het Hogere Ik van de mens is niet in hem. Het blijft ook na de geboorte achter in de geestelijke wereld en bevindt zich buiten de mens. Wat wij in het aardse leven normaliter ons ik noemen, is alleen een afspiegeling van dit Hogere Zelf in onze lichamelijke omhulling. (…….)
Daaruit blijkt dat als iemand het Hogere Ik alleen in zichzelf zoekt en liefheeft, hij daarmee ten prooi valt aan de grootst mogelijke illusie, de meest grove egoïst wordt en in het ergste geval de weg van de zwarte magie kan opgaan. Zoekt hij het echter
buiten zichzelf in volle overgave en liefde, dan leert hij langzamerhand alles liefhebben wat om hem heen is, alles wat hij in het aardse leven ontmoet.
Het Hogere Ik is een zuiver geestelijk wezen. En daarom is de ware liefde tot dit wezen de onzelfzuchtige liefde tot het geestelijke overal in de wereld en vooral tot de openbaring in andere mensen.’


Met dit citaat in gedachten kunnen we de 'Uitgebreidere aantekeningen met gedachten omtrent de mens' van Audrey McAllen nog eens nalezen. Een uitwerking van de gedachten dat de mens zich moet richten op het Hogere Ik, Wereldgeest of het wereldmodel en de consequentie ervan wanneer mens dat niet doet en slechts zijn persoonlijke drijfveren volgt, beschrijft Audrey aan de hand van een voorbeeld. Haar benadering is zo objectief mogelijk, zodat men daaraan geen aanstoot hoeft te nemen.

---------

(vervolg Aantekeningen..)

8 Nu wordt de menselijke ziel zich bewust van zijn eigen Ik, wanneer zij door eigen inspanningen de wereld gaat spiegelen. Het ware wereldmodel is ook in het mensenwezen aanwezig; wanneer de mens het wereldmodel volgt dat in het mensenwezen ligt, leert hij zichzelf kennen. Wanneer de mens zijn eigen weg gaat, volgt hij de krachten van de inmenging, wordt hij hun prooi en verliest hij zijn wilskrachten aan hun begeerten in ruil voor illusionaire Ik-ervaringen.

9 Bijvoorbeeld: Wanneer ik vasthoudt aan mijn linkshandigheid, dan negeer ik het wereldmodel, dat in het mensenwezen is gelegd. Ik weiger de wereld waarin de Wereld Geest -het Wereld-Ik- nu leeft te spiegelen.

10 Het Wereld-Ik verschijnt aan mij via het oog, als koning van de zintuigen. (vandaar de pedagogische oefening van R.St. waarbij je langs de arm moet kijken). Ik moet daarom dus mijn lichaam gebruiken volgens Zijn wetten, d.i. hoe het oog objecten in de omgeving reflecteert. Het oog is voor het mensenwezen de poort naar de wereld, welke het volledige menselijke bewustzijn brengt. Wanneer ik de wereld niet spiegel, ontwikkel ik slechts het Oudemaan-bewustzijn van voordat de Oude Maan werd doordrongen door de Kyrios om tot Kosmos van Wijsheid te worden.

11 Vaardigheden van het Oudemaan-bewustzijn doordrongen door de Kyrios zijn weer geïncarneerd als aardewereld. Deze zijn zuiver. In het mensenwezen zijn zij bezoedeld. Bewust de wereld spiegelen (waarvoor wilskrachten nodig zijn) reinigt de onzuiverheden in het mensenwezen en de menselijke ziel wordt MENS.

12 De MENS is een wezen dat zijn zelfbewustzijn in de geestelijke wereld kan behouden en in de geestelijke krachten van de fysieke wereld. In de MENS wordt de menselijke ziel zich bewust van zichzelf als geestelijk wezen.

We zien hoe via het oog de Geestelijke Wereld in de stroom van het Aardewezen werking uitoefent op het organisme van het opgroeiende kind. Zoals de roos zich verhoudt tot de andere bloemen, zo staat het oog ten opzichte van de andere zintuigen. De scheppende wezens van het oog hebben de mens opgericht en onze handen vrijgemaakt voor het werk op de aarde. Fysiologisch houdt het oog de krachten van antipathie en sympathie in een perfecte balans. Het oog is als waarnemingsorgaan is het fysieke beeld van liefde.


Uit verschillende voordrachten van Rudolf Steiner:

Zien is onderbewust denken, het leeft in de gewaarwordingsziel; enkel de werking ervan verschijnt in de verstandsziel; het komt tot bewustzijn in de bewustzijnsziel.

Het oog als orgaan grijpt alles.

Rudolf Steiner: Voordracht: Antroposofie,
Berlijn - 25 oktober 1909 (GA115)
'Het is zeer merkwaardig, als men bijvoorbeeld in aanmerking neemt, dat eigenlijk reeds in de gewaarwordingsziel onderbewust een denken te voorschijn komt en waarvan wij ons pas in de bewustzijnsziel bewust worden. Wat zich inderdaad, indien wij de dingen met twee ogen aanschouwen, voordoet als twee indrukken, dat wordt door iets van gedachteachtige aard bewerkt, maar het komt voorlopig niet in het bewustzijn terecht. Wanneer dit tot het bewustzijn moet doordringen, dienen beide gedachtemomenten samen te werken. Zij moeten de weg gaan van de gewaarwordingsziel omhoog tot in de bewustzijnsziel. Deze weg kunnen we goed veraanschouwelijken d.m.v. een uiterlijk teken: Hier zijn de beide handen. Elke hand heeft zijn eigen gewaarwordingen, maar alleen, indien de beide handen elkaar kruisen, wordt iemand zich bewust van de gewaarwording, dat de ene hand de andere ervaart, zoals een voorwerp in de buitenwereld pas nadat iemand het aangeraakt heeft, in zijn werkelijke bewustzijn getild wordt. Als het de bedoeling is, dat de indrukken, die door gedachteactiviteit in de gewaarwordingsziel worden verkregen, bij de mens tot bewustzijn komen, dan moeten zij gekruist worden. Bij het zien is dat het resultaat van het feit dat de beide gezichtszenuwen elkaar in de hersenen kruisen. Deze kruising van de gezichtszenuwen vindt zijn oorzaak in het feit, dat een in het onderbewuste, in de gewaarwordingsziel verrichtte gedachteactiviteit door de kruising in de bewustzijnsziel omhoog gevoerd wordt, waardoor nu de ene activiteit door de andere kan worden beleefd.'

De kosmische vormen van de inwendige organen kunnen gedurende de waaktoestand van de mens niet werken aan zijn stofwisselingsorganen. Het hoofd is de zetel voor de meeste zintuigorganen en is in een continue uitwisseling met de uiterlijke aardewereld. In het oog hebben wij niet alleen een orgaan dat ons het gezichtsvermogen verschaft, maar we hebben ermee tegelijkertijd ook een beeld van de kosmos. In de tijd tussen dood en wedergeboorte leeft de mens als geestelijk zielenwezen. Dit leven in de kosmos is nagebootst door de organisatie van het oog. Zoals alle organen heeft ook het oog een tweeledige taak. Ten eerste bemiddelt het contact met de buitenwereld, tijdens de slaap, vooral met de zenuw en bloed systeem, werkt het terug op het fysieke organisme van het stofwisselingsstelsel, in het bijzonder de nieren.
(GA 208, voordracht van 11 & 12 nov. 1921)

Zie ook Rudolf Steiners voordracht ‘Licht en Duisternis’ (van 29 juli 1923) over hoe wij weten wat ‘waarheid’ is, dat we weten dat b.v. een boom werkelijk een boom is en geen octopus.
(Das Wesen der Farben - GA 291)

donderdag 21 mei 2009

Uit aantekeningen van Audrey McAllen

Meditatie bij de ‘Elkaar Doordringende Driehoeken’

Audrey McAllen: Ik zou dit willen geven als een soort meditatie bij de ‘Elkaar Doordringende Driehoeken’ (De Extra Les, blz. 174). Jullie weten uit mijn uiteenzettingen dat de zesster een beeld is van hoe dat de twee driegeledingen van de mens samenkomen en elkaar doordringen, zoals Rudolf Steiner beschreef tijdens de 1e voordracht van de ‘Algemene Menskunde’ . Een beeld daarvan zien we terug in deze vormtekenoefening. Wanneer we die met kinderen doen kunnen we de hieronder volgende gedachten in onszelf voelend beleven.


1 De bovenste driehoek daalt in de onderste:
Wanneer wij incarneren verduistert Lucifer het licht. Alles wat wij in ons astraallichaam meebrengen uit het verleden, wordt verduisterd door Lucifer. Maar er stijgt licht op vanuit de Aarde, want de aardeplaneet is het lichaam geworden van de Verrezene.

2 De onderste driehoek stijgt omhoog in de bovenste:
De wereld is koud zonder het hart van de mens. Warmte moet deze koude van de uiterlijke wereld doordringen. Deze warmte, die komt van de Aarde, moet deze koude doordringen.

3 De twee driehoeken doordringen elkaar: (de bovenste daalt 3 stappen, de onderste stijgt 2 stappen) De mens vindt de Wereld
en de Wereld ziet zichzelf in de mens.



Uitgebreidere aantekeningen met gedachten omtrent de mens:

1 De menselijke ziel
(bovenste driehoek: gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel, bewustzijnsziel)

Het mensenwezen dat werd voorbereid gedurende
Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan.
(onderste driehoek: fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam)



2 Wanneer de leden van het tweeledige mensenwezen elkaar doordringen, wordt de menselijke ziel zich bewust van zichzelf.


3 Om het zelfbewustzijn te behouden moet de menselijke ziel de menselijke organisatie doordringen, wat enkel kan wanneer deze de wereld spiegelt.


4 De wereld is zelf ook voorbereid gedurende Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan.


5 De wereld wordt gespiegeld in de mens via het OOG. De menselijke ziel wordt zich bewust van deze spiegeling door het denken.

6 Wanneer #3 lukt, dan verwerft de menselijke ziel een Ik. Dat betekent dat de ziel de mogelijkheid krijgt zichzelf te kennen als geestelijk wezen te midden van andere geestelijke wezens.
MAAR er is iets in de ontwikkeling binnengedrongen: niet alleen de ziel doordringt het mensenwezen, er zijn ook luciferische wezens die dat doen, zodat het mensenwezen vertroebeld is geraakt en niet langer de wereld spiegelt.

7 Om dit te verhelpen moet de Wereld Geest het mensenwezen reinigen; eerst van binnenuit (de drie jaren na de Doop in de Jordaan), daarna van buitenaf door de wereld te doordringen (Verrijzenis en Hemelvaart).

8 Nu wordt de menselijke ziel zich bewust van zijn eigen Ik, wanneer zij door eigen inspanningen de wereld gaat spiegelen. Het ware model van de wereld is ook in het mensenwezen; wanneer de mens het wereldmodel dat in het mensenwezen is gelegd, volgt leert de mens zichzelf kennen. Wanneer de mens zijn eigen weg gaat, dan volgt hij de krachten van de inmenging, dan wordt hij hun prooi en verliest hij zijn wilskrachten aan hun begeerten in ruil voor illusionaire Ik-ervaringen.

(wordt vervolgd)

vrijdag 8 mei 2009

Oog-kleur-voorkeur - - blauw & rood

Enkele voorbeelden met blauw en rood uit kunst, actualiteit en reclame:

Raphael









logo Publiek Omroep

Pete Turner - fotograaf USA

zaterdag 2 mei 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 7)

scène uit de film Le Ballon Rouge van Albert Lamorisse


vervolg hoofdstuk 9 - laatste gedeelte

Iets anders werd duidelijk bij een leerling die heel slecht schreef. Hij hield zijn pen in zo’n ijzeren greep dat zijn hele hand en arm tot en met de schouder gespannen was. Hij drukte zijn pen bijna door het papier in de tafel. Het was nodig om bewegingsoefeningen te vinden die de situatie van zijn hand- en armspieren konden verbeteren. Samen met andere oefeningen had ik hem de taak gegeven om te proberen een kaars met zijn vingers uit te knijpen. Het was in de Adventtijd. Hij kon het niet. Hij was twaalf maar zijn angst voor vuur was zo groot dat hij amper een lucifer kon afstrijken. Als de kaars was aangestoken had hij niet de moet de lucifer langer vast te houden, noch had hij de behendigheid om zijn greep te ontspannen en de kaars uit te knijpen. We oefenden les naar les, om zijn angst te overwinnen. Nadat we behendigheidsoefeningen voor de vingers hadden gedaan, werd de hand voldoende beweeglijk om het nog eens te proberen, maar hij kon nog steeds zijn wil er niet toe aanzetten. Op een dag kreeg het overwinnen van de angst als resultaat dat verborgen arrogantie naar buiten kwam. Hij stond op met een minachtende houding en wilde weglopen. Ik zat naast hem en hij kon dus niet bij de tafel weg. In hem voltrok zich een stille inwendige strijd. Toen ging hij zitten en kneep de kaarsvlam uit. Toen ik zijn moeder sprak vertelde zij, dat het nieuwe spel dat ik Harry had geleerd hem de hele kerstvakantie had bezig gehouden. Verbaasd vroeg ik wat hij dan gespeeld had. Ze beschreef hoe hij dagen achtereen lege lucifersdoosjes in een grote teil met water had laten drijven. Uit ieder doosje staken verse lucifers. Hij stak dan een van de lucifers aan en roerde dan met zijn hand zacht in het water om golfjes te maken, zodat de lucifersdoosjes naar elkaar dreven en de lucifertjes elkaar aanstaken.
Misschien was hier iets van herinnering uit een eerdere incarnatie aan het werk, die niet vrij kon worden opgenomen in het organisme om een basis te vormen voor rijpe ervaring. Het kan soms zijn dat de ervaringen, die de ziel in de ene incarnatie zo diep hebben geroerd, zodat er meerdere incarnaties nodig zijn om te worden opgelost, gedurende de slaap een remmend effect hebben op de wilskrachten, die daardoor worden vastgehouden aan de beelden van een eerder leven. Het komt voor dat de ziel tijdens de slaap verleid wordt, of door het geweten gedwongen wordt, om vast te houden aan bepaalde aspecten uit een vorige incarnatie, in plaats dat de ziel de wilskrachten aanwendt in de huidige incarnatie om vereiste lotsopgave tot uitvoer te brengen.
In ongeveer dezelfde conditie verkeren kinderen die een zwaar lot te dragen hebben: na het vorige leven is er veel achtergebleven in de kamaloca-sfeer, wat door het met Christuskracht doordrongen Ik opnieuw op zich moet nemen, wanneer het terugkeert vanuit de geestelijke wereld. Zoals al eerder genoemd, licht dit oude karma als schaduwbeelden op in het lymfesysteem van het huidige fysieke lichaam, wat de ziel waarneemt als het moment van ontwaken naderbij komt. Wanneer er tijdens het waakleven niet iets met een ideale kwaliteit kan worden opgenomen, geen gebed, geen beeld van de mens waarmee de ziel zich kan verenigen, dan overweldigen deze schaduwbeelden de ziel. Door die duisternis krijgt de ziel niets teruggespiegeld van zijn ware zelf, dat hem de moed en de zekerheid zou kunnen verschaffen dat alles wat er aan oud karma ligt getransformeerd kan worden. Die twee mogelijkheden speelden zich af in Mary’s geval. Het maakte haar somber en mistroostig, waardoor haar sociale contacten werden gekleurd, zodat andere kinderen genoeg van haar kregen. Haar wilskrachten werden teveel teruggehouden in het organisme, zodat haar zielenleven zich niet harmonisch kon ontplooien. Haar oudere zus had er geen last van dat de ouders waren gescheiden, maar Mary nam het hen hevig kwalijk. Dit is een van de mysteries van het leven, dat binnen een gezin mogelijk is, dat soms de ontwikkeling van maar een kind ongunstig beïnvloed wordt door het ineenstorten van een huwelijk. De andere kinderen kunnen ondanks de gevolgen hun weg vinden.

De slaap speelt een cruciale rol in de diagnose en therapie. We moeten daar honderd procent rekening mee houden, want de hele vrijeschool-pedagogie is gebaseerd op het begrijpen van de processen van waken, dromen en slapen in de ontwikkeling van het kind, en op het principe dat de geestelijke ontwikkeling van de mensheid wordt gerecapituleerd. In Algemene Menskunde (4e voordracht) benadrukt Rudolf Steiner het belang van de herhaling en recapitulatie in samenhang met de wil. Of een klassenleraar zich daarvan nu bewust is of niet, de eerdere levens van de leerlingen weven steeds door hun belevenissen in de klas. Een klas kan bijvoorbeeld geheel in de ban raken van de Oudindische cultuurperiode, terwijl de Oudperzische tijd slechts een oppervlakkige indruk maakt. Wanneer kinderen zich kunnen inleven in de chronologische tijdsontwikkeling –rond het twaalfde jaar wanneer de geschiedenisperiodes pas echt beginnen- dan wordt de leraar door de innerlijke band met de klas geleid om een bepaalde karakteristieke selectie te maken in de onderwerpen, omdat gedurende het slaapleven leraar en kinderen van de klas verenigd zijn en de innerlijke relaties tot de historische tijden dan geopenbaard worden als inspiratieve krachten bij het samenstellen van het lesmateriaal.
Rudolf Steiner heeft ons ongelooflijk veel hulp gegeven door voor ons de geheimen van de slaap te onthullen. Als gewone mensen weten we heel goed dat de slaap een cruciale factor is voor zowel ons innerlijk als uiterlijk welzijn. Een onrustige nacht kan een hele dag verstoren, en de roep van de Oude Zeeman (The Rime of the Ancient Mariner, een lang, strofisch gedicht van Samuel Taylor Coleridge) benadrukt slechts in extremo de werkelijkheid die de geesteswetenschap ons kan vertellen. De slaap is als een burcht van waaruit wij uiterlijke moeilijkheden en innerlijke obstakels te boven kunnen komen, wanneer de ziel sterk genoeg is zijn wil te laten ontwaken om zich te verbinden met het scheppende leven van de kosmos, weer in beweging te komen overeenkomstige de stromingen van de bovenzinnelijke organisatie; het op zichzelf staan van het dagbewustzijn te boven te komen en een sociaal wezen te worden; de verbinding, die voor een gezonde slaap nodig is, weer terug te vinden met de Geestwezen van onze planeet (= Christus vert.), dat voor ons de plek behoedt die nodig is om ons lot en onze ontwikkeling te gaan.
Daarom moeten de oefeningen in beweging, kleur, muziek, en vorm, die we de kinderen geven, zo zijn dat deze de wil wekken en binnenleiden in dat gedeelte van hun organisatie dat hun bewustzijn gedurende de slaap draagt, de ‘slapende mens’, die gedurende de nachtelijke uren uit ons opstaat en ons lichamelijk instrument herschept vanuit de krachten, die werken vanuit de horoscoop van ons vormkrachtenlichaam. Met hulp van imaginatieve beelden, euritmische bewegingen en zinvolle activiteiten wordt de wil van het kind overreed om werkelijk het totale bewegingssysteem te doordringen. Dan wordt gedurende de slaap de Ik-wil volledig gewekt in de geestelijke omgeving van de aarde, wat dan weer een gezonde uitwerking heeft op het lichaam om zijn innerlijk geestelijke bewegingen te verbinden met de archetypische bewegingen van de bovenzinnelijke delen van het Wezen van de Aarde.

Bij Mary, duurde het drie jaar om haar weer gezond te krijgen. Met bewegingsoefeningen, schilderen, schilderen en broodbakken vond de ziel haar weg terug naar het vertroebelde beeld uit het verleden. Toen dit was vrij gemaakt ontwikkelde haar geheugen zich normaal en het mensbeeld dat de vrijeschool-pedagogie aanreikt, bracht genezing voor het gewicht en het lot dat zij moest dragen.
De ontwikkeling bij Dick ging sneller, met de hulp van zijn moeder. In de tweede trimester, toen hij een in brand staand blauw huis tekende, realiseerde ik me dat de wil van zijn individualiteit aan het werk was, dat een reinigingsproces had plaatsgevonden. Er was een algemene verbetering in zijn bewegingen zichtbaar en zijn moeder vertelde dat hij niet langer op de zijkanten van zijn schoenen liep. Tegen de tijd dat hij wegging was de omfloerste blik in zijn ogen verdwenen en kon hij de veranderde omstandigheden in zijn leven goed aan.
Tom had, zoals de anderen, een keer per week een les. Het werk met hem nam de gewone tijd die je voor dit werk kan verwachten, namelijk het ritme van het fysieke lichaam: een jaar. Omdat hij zo overmatig op het zien was ingesteld, voegde ik bij de bewegingsoefeningen een schilderoefening waarbij hij grote blauwe en rode vlakken moest schilderen. (zie hieronder). Deze twee kleuren heen een speciale relatie met de ogen. Dr. Ernst Lehres schrijft hierover in zijn boek Man or Matter. (Mensch und Materie). Het linkeroog heeft voorkeur voor blauw, het rechteroog voorkeur voor rood. Daarom vragen we een kind bij de eerste ontmoeting een ‘Blauw Maan en een Rode Zon’ te tekenen. (zie De Extra Les, blz. 69). Ervaring heeft geleerd dat dit een aanwijzing geeft over de verhouding tussen het vrijgekomen echterlichaam en de zielenkrachten die werkzaam zijn in de ademhaling en bloedcirculatie. Wanneer de kleuren correct op het papier worden gezet (blauw links - rood rechts) de ziel de mogelijkheid heeft vrij in hun functioneren te leven. Wanneer de kleuren omgekeerd verschijnen dan is de ziel te diep verbonden met de lichamelijke functies, wat weer gedrag en leervaardigheden beïnvloedt. Tom was zo gevangen in zijn gezichtswaarnemingen dat hij een intellectueel diagram maakte gecombineerd met zijn kinderlijk idee over sterren en maan, zoals eerder beschreven. Een aantal lessen later hoorde hij wat hem gevraagd werd en tekende hij de kleuren omgekeerd. Het rood spreidde zich uit over de linker papierhelft en een klein blauw maantje kwam rechts. (omgekeerde oog-kleur-voorkeur). Toen hij sterker en gezonder werd, werd de oog-kleur-voorkeur gecorrigeerd en duidelijk. Het bleef zo.
Voor de bovengenoemde schilderoefening maakten we een groot vel papier klaar voor nat-in-nat schilderen. We schilderden de bovenste helft blauw met lange streken van links naar rechts. De onderste helft werd rood geschilderd. We varieerden dat week op week, door dan links blauw, rechts rood te schilderen, de volgende keer een rode vorm in het midden omgeven door blauw. Na enkele weken vroeg Tom of hij een eigen schildering mocht verzinnen. Het mocht, dus hij begon golfpatronen over het papier te maken, afwisselend blauw en rood. Hij vond het heerlijk om te doen. Je kon de ontwikkeling van het ritmische systeem daaraan zien. Een tegenbeeld daarvan verscheen ook toen hij ‘autowegen’ schilderde, die kriskras over heel het blad liepen. Maar aan het einde van de trimester zag zijn gezicht er minder bleek uit, er was een lichte blos op zijn wangen.
De volgende trimester kwam hij zelfverzekerd aan. Hij onderzocht de kamer en zag een zwart-witte kerstkaart met een Madonna. Hij zei dat hij die wilde namaken voor zijn moeder, precies zoals hij op de televisie een meisje had zien doen. Het ging om een glas-in-lood raam uit een kerkje in Wales. De Madonna droeg een roos in haar hand en het Kind op haar arm, die haar kin aanraakt. We werkten samen een plan uit en hij vroeg mij om het voor hem te tekenen terwijl hij de delen voor zijn rekening nam die hijzelf kon tekenen. Toen schilderde hij het met veel plezier. Dit, samen met steeds terugkomende bewegingsoefeningen, nam een hele trimester in beslag. Toen het werkstuk klaar was om thuis boven de trap op te hangen, vertrok hij in triomf.
De laatste trimester schilderden we de ‘Gele Zon in de Blauw Lucht’, waaraan we iedere week een nieuw element toevoegden. (zie de Extra Les blz. 181). Dit was om te voorkomen dat het stelen weer de kop opzou steken en om hem te helpen verschil te maken tussen fantasie en liegen. Het zonmotief is zeer geschikt bij deze twee verschijnselen. Tom vond schilderen ook leuk en dat gaf mij de gelegenheid om zijn schilderingen in een boek te verzamelen terwijl hij mijn schilderingen mee naar huis nam om een boek van te maken.
Aan het eind van het jaar werd de oog-kleur-voorkeur stabiel. Je zag je dat het echterlichaam nu geïntegreerd was in Toms bewegingen, omdat hij zijn arm droeg, en werkelijk de Koperen Bal optilde. Hij had zijn kinderlijke krachten en zijn vrolijkheid weer teruggekregen. Toen ik later zijn moeder ontmoette, zag ik aan haar gezicht en merkte aan haar verwelkoming dat Tom haar met zijn werkstuk van de Madonna, op zijn beurt, het vertrouwen had teruggegeven in het ware moederschap, waarin zij vreesde te kort te zijn geschoten.

Doordring jezelf met fantasiekrachten,
Heb de moed tot waarheid,
Scherp je gevoel voor individuele verantwoordelijkheid.

Rudolf Steiner: Algemene Menskunde – einde van de14e voordracht

zondag 26 april 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 6)


vervolg hoofdstuk 9

Wat zijn de belangrijkste factoren die aan het licht kwamen toen we met deze kinderen (en vele andere kinderen) werkten?

De hoofdproblemen bij de kinderen, met wie we ons hebben bezig gehouden, liggen op het emotionele vlak, b.v. stress in het gezinsleven. Onze aandacht moet worden geleid naar incarnatieproblematiek wanneer er sprake is van gedragsproblemen, interesse tekort, langzame vorderingen bij het leerwerk in de klas en verder alle verschijningsvormen, die liggen tussen apathie en de algemene ordeverstoring en het lastig zijn voor zichzelf en anderen.
In deze medley van gevolgen worden verschillende karakteristieke categorieën zichtbaar, die allemaal terugwijzen op aanpassingsmoeilijkheden in de ervaringen van het slaapleven. Er is niets in onze huidige cultuur dat ons het concept aanreikt, dat slaap eigenlijk een heilige zaak is. Het aantal huishoudens waar de bedtijd meer is dan alleen maar in bed gelegd worden met een vluchtige kus en “slaap lekker” neemt zienderogen af, en daardoor zal het gevoel van zekerheid bij het overgaan van de zintuigwereld naar de geestelijke omgeving van de aarde voor kinderen snel verdwijnen. Kinderen zijn innerlijk afhankelijk van hun moeder; zij leven nog binnen haar astraallichaam en zij zoeken de toegang vanuit de zintuigwereld naar de ziele-geestwereld via het medium van moeders bovenzinnelijke wezensdelen en onder de leiding van haar Ik. Wanneer moeder teveel eigen problemen heeft, beïnvloedt dat ook de relatie met haar kind. In het geval van Tom, bijvoorbeeld, rijpte het concept van het huwelijk niet verder na de komst van de kinderen. Er ontstond voor de moeder een conflict betreffende haar uitgesproken wens haar carrière voort te zetten, die ook weer in verband hield met het werk van haar echtgenoot. Zo ontstond een splijtzwam in hun huwelijksrelatie, die verergerde door de vroege intellectuele opvoeding van Tom en de verwachting van de ouders, dat kinderen zich als verstandige volwassenen zouden moeten aanpassen aan de thuissituatie. Daardoor was op het niveau van het zielenleven de verbinding tussen moet de kind in de knel geraakt, en de overgang van de zintuig-omgeving naar de geestelijke omgeving van de slaap was beladen met die moeilijkheden, omdat de volledige aandacht van moeders innerlijk wezen ontbrak.
Een tegenovergestelde situatie kan dezelfde gevolgen hebben. In zo’n geval is de verbinding tussen moeder en kind te sterk, moeders wensen en ambities oefenen zo’n invloed uit op het kind, dat diens wil erdoor belast wordt en de ziel tijdens de slaap wordt achtervolgt door de innerlijke beelden ervan, die worden afgedrukt in het etherlichaam. Deze kinderen zijn het bijvoorbeeld die, wanneer zij op de grond moeten liggen (bij de ‘Koperen Bal oefening’) hun benen gekruist over elkaar leggen in een euritmisch E-gebaar, als teken van afweer. Zulk soort verhouding tussen moeder en kind kan alleen maar worden waargenomen. Ze zijn het gevolg van diepe karmische relaties. Het is in die gevallen nodig de moeder over de geestelijke concepten achter de vrijeschoolpedagogie te vertellen, en nodig om de ziel van het kind sterker te maken. We moeten ervoor zorgen dat kinderen met deze problematiek een verbinding krijgen met de grote Moeder Aarde en daar vandaan hun weg terug vinden naar het ware wezen van hun eigen moeder, dat tijdelijk voor hen verborgen was door het gemis aan geestelijke concepten waaronder ons dagelijks leven tegenwoordig lijdt.
De disharmonie tussen het ‘strekkende’ bewegingssysteem en het oprichtende bewegingssysteem heeft zijn effect in de slaap. Daardoor krijgen bepaalde wezens, welke verbonden zijn met de planetensferen, binnendringen in een of ander wezensdeel, of dat de krachten van de wil als in een betovering worden geketend door elementaire wezens. Zoals eerder opgemerkt, daarvan zijn vele beelden te vinden in de sprookjes.
Men is zo makkelijke geneigd alles wat lichamelijk is als een persoonlijk bezit te schouwen. Dat is helemaal niet het geval, want het ‘huis’ waar we in leven is resultaat van het werk van andere wezens en wij zijn slechts gedurende de dag met ons bewustzijn de enige bewoners. ’s Nachts eisen de scheppers ‘ons huis’ op en met hun hulp wordt het verjongd, gezuiverd en hersteld om klaar te zijn voor gebruik de volgende ochtend. Maar er zijn andere wezens, die met ons strijden om het bezetten van ‘ons huis’. Het zijn wezens, die op een ander niveau van ontwikkeling staan. Wanneer er een verstoring in het incarnatieproces plaatsvindt, kunnen zij inbreken en gebruikmaken van ‘ons huis’ terwijl wij slapen, en zij laten het niet netjes achter. Dus moeten we de volgende morgen moeite doen om dat weer recht te breien door ons Ik -onze wil- erin af te drukken. Alleen zo kunnen rechtmatige bewoners deze binnendringers eruit werken.
De kinderen in deze situatie laten vaak zien wat er aan de hand is, in de manier waarop zij een huis tekenen. Het huis is meestal verbazingwekkend primitief voor hun leeftijd, vaak leeg, met de lucht er doorheen getekend. Bomen hebben geen wortels en worden vaak getekend met takken aan een dunnen kromme stam. Zo’n huis tekende Dick en toen ik hem vroeg of hij vaak droomde zij hij: “Ja, altijd over inbrekers die het huis willen binnenkomen.”
Kinderen die gevangen zijn in de elementaire wereld hebben moeite om een mensfiguur te tekenen. Die wordt dan primitief –misschien zonder romp-, of zij tekenen de mens vanaf de voeten omhoog. Dick werd in het Verre Oosten geboren. Zijn moeder was nog maar net twintig jaar bij zijn geboorte. Ze vertelde mij dat zij hem al vroeg vast voedsel te eten had gegeven inclusief flink wat vlees. Het gezin reisde constant. Dit alles belastte de lichamelijke processen van het kind, zodat die in de situatie kwamen waarbij -zoals Rudolf Steiner beschreef- er maanwezens zich toegang konden verschaffen tot de wezensdelen. We kunnen nu begrijpen waarom Dick de indruk van zwaarte gaf en van een te kort aan vitaliteit voor zo’n krachtig gebouwd lichaam. Kinderen wier concentratievermogen plotseling verdwijnt of die in verschillende situaties op onberekenbare manier reageren, zijn heel vaak die kinderen bij wie de bovenzinnelijke wezensdelen ruimte geven aan zulke ongenode gasten. Deze verleiden een deel van de wilskrachten van de kinderen om verbonden te blijven met het organisme gedurende de slaap, zodat de kinderen zwaar wakker worden en makkelijk in mineur stemming geraken of wilde periodes van activiteit krijgen. De ziel heeft hierbij dan de bescherming van de moeder nodig om de wilskrachten in verbinding te brengen met de archetypische bewegingen van het astraallichaam. Vandaar dat de ‘Drievoudige Spiraal oefening’ (zie ‘De Extra Les’ blz. 146) werd aangeraden samen met muziek.

(Wordt vervolgd)

dinsdag 7 april 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 5)



vervolg hoofdstuk 9

Welk beeld van hun situatie laten deze kinderen ons zien?
Alle drie hebben ze moeilijkheden met de incarnatie, het binnenvoeren van hun wilskrachten in de organisatie voor het Ik, die de erfelijkheidslichaam hen aanbiedt. Er zijn moeilijkheden bij het greep krijgen op de krachten aan de linker- en rechterzijde van het lichaam, wat laat zien dat zij in de ontwikkeling van de eerste zeven jaren gehinderd zijn. Zij hebben het erfelijkheidslichaam niet geheel om kunnen vormen in een eigen lichaam. De krachten die werken van beneden en vanaf van boven (astraallichaam en Ik – vert.) zijn niet in evenwicht en dit is een hindernis geworden bij de negenjaarscrisis – fysiologisch de verplaatsing van het zwaartepunt van de stofwisseling van het hoofd naar de buik, psychologisch het onderscheid tussen Ik en de wereld. (zie B.C.J.Lievegoed: De Ontwikkelingfasen van het Kind). De verschillende baloefeningen laten dit zien. De oefening ‘Het eigen gewicht optillen’ (‘De Extra Les’ blz. 156), vertelt ons wat is gebeurd. In de plaats van een beheersen van het lichaam, zien we nu hoe zwaar het voor de ziel is om het lichaam te dragen. De ziel is te diep verweven met de aardezwaartekracht. In plaats dat het een uitdrukking is van de individualiteit van het kind, belast het lichaam de ziel met alles wat het kind heeft nagebootst van de omgeving of wat van instinctmatige natuur is. (zie Rudolf Steiner: Algemene Menskunde, 4e voordracht). Door deze last wordt de toekomstige ontwikkeling van de bewustzijnsziel ondermijnd. Het beïnvloedt de mogelijkheden van de wil van de kinderen om vanuit de slaap morele impulsen vanuit de geestelijke wereld over te brengen. Hun hele ontwikkeling staat op het spel. Geen wonder dat Mary liegt en steelt, dat Dick wild en ongedurig is en dat Tom voor zijn leeftijd te vroeg oud is en eigenlijk smeekt om hulp.
Hoewel we mogen zeggen dat de oorzaak dezelfde is, de manifestatie en de graad van moeilijkheden verschilt naar gelang de individuele mogelijkheden. ‘Het eigen gewicht optillen’ verschaft een aanwijzing over hoe diep de moeilijkheden liggen. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de drie gebaren van de handen, die bij deze oefening zichtbaar werden. Bij Mary liet het uitstrekken van de pinken zien dat instinctieve wilskrachten haar ik-ontwikkeling overheersen. Haar levenszin(-tuig) is verstoord en daardoor heeft een goede metamorfose van dit zintuig naar het gedachtenzin(-tuig) vertraging opgelopen. Haar zwakke geheugen komt door de moeilijkheden die haar wilskrachten hebben om de Ik-organisatie in de grip te krijgen. En het rekenprobleem is daar een andere uiting van, omdat het werken met getallen als voorwaarde heeft dat alle bovenzinnelijke wezensdelen van een incarnerende individualiteit elkaar doordingen.
In het geval van Dick zien we aan het uitstrekken van de wijsvingers dat hij geheel leeft in zijn zenuw-zintuigsysteem en dat hij goede intellectuele capaciteiten heeft, maar dat hij zodra hij overprikkeld raakt, d.w.z. teveel zintuigindrukken moet ondergaan, de zintuigorganisatie plotseling overweldigd wordt en hij de beheersing over zijn wilskrachten verliest. Dan is hij overgeleverd aan de grillen van zijn astraallichaam en aan wat dat allemaal aan inhoud heeft.
Tom daarentegen beschikt voor een tienjarige over een ijselijke zelfcontrole. Hij weet waar hij is en wat hij wil. Hij kan goed met je converseren, als een volwassene, totdat hij moe wordt. Dan laat hij alles gaan en mengt zich in zijn bewustzijn van alles, zodat we kunnen begrijpen dat zijn onoplettendheid zijn oudere zus irriteert zodat zij zegt dat hij dom is. Zijn naar het lichaam terugtrekkende handen bij ‘Het eigen gewicht optillen’ zijn een beeld van het onder controle proberen te houden en van de spanning, die de ziel ervaart in het zenuw-zintuigsysteem, welke de fysieke manifestatie is van het astraallichaam. De overgevoeligheid op zintuigindrukken, die via het licht tot hem komen, beïnvloeden direct via de ontvangende zintuigorganen de strekkende spieren. En de impact is zo groot dat de eigenbewegingszin (het ontvangende zintuig voor eigen bewegingen ofwel de zogenaamde motorische zenuwen) overweldigd wordt. De ziel vindt geen anker en begint eruit te spiralen en neemt het bewustzijn met zich mee. Bewegingen van handen en ledematen worden onhandig en ongecontroleerd, het kind let niet meer op en wordt afwezig.
Dat de ziel te vroeg in de zintuigwereld is ondergedoken, kan ook waargenomen worden bij de kruipoefening (zie ‘De Extra Les’ blz. 130). De shock die de ziel heeft moeten ondergaan, wordt geuit in de vastgehouden gebaren, die verborgen liggen onder de normale bewegingen van het spierstelsel. (zie Karl König – De eerste drie kinderjaren). Zij zijn daar alle tijd en vormen een hindernis voor de wil om volledig te stromen. We moeten ons realiseren dat het spierstelsel een ‘neerslag is van inspiraties’ (zie SLEEP - hoofdstuk 7), en dat in het spierstelsel de beelden van ons karma verborgen liggen. We kunnen ons inleven in de problemen die de incarnerende ziel ondervindt als gevolg van de discrepantie tussen de uiterlijke omgeving en de beelden van de eigen karmische verantwoordelijkheden. De ziel reageert hierop in innerlijke diepten en drukt deze reacties af in de fysieke basis van zijn wezen. Veel kinderen spiegelen de schaduwkanten van ons moderne materialisme. Wanneer je hen bijvoorbeeld vraagt om op de grond te gaan liggen, installeren sommigen zich met hun handen achter hun hoofd gevouwen en de voeten open “op 10 voor 2”. Dit gebaar zou kunnen betekenen: Het beheersen van de aarde betekent bevrediging van begeerten, die in de gewaarwoordigsziel zijn geplant; werk is alleen nodig om het gemakkelijker te krijgen. Deze houding, die in onze instincten werkzaam is, wordt herkent en geëxploiteerd door de commercie met luxe aanbiedingen, gratis cadeaus, loterijen, allemaal tegemoetkomend aan de wens iets voor niets te krijgen. Andere kinderen vertonen gebaren van wanhoop of agressie. Een kind bleef op zijn ellebogen kruipen, het hoofd met de kin in de handen. Anderen kropen met gebalde vuisten, witte vingerknokkels of met de armen over elkaar. (Let op: deze gebaren worden zichtbaar bij het kruipen met de onderarmen op de grond. (zie ‘De Extra Les’ blz. 130). Wanneer we zulke bewegingen leren zien, ontwaakt onze blik steeds verder voor dat wat het kind ons toont.
De Koperen Bal Oefening (zie ‘De Extra Les’ blz. 142) laat de spanning zien de tussen strekkende spieren en de optillende spieren. De kinderen kunnen hun armen niet echt recht maken en uiteindelijk trekken de armen zich in een vreemde houding. De eerste twee gedeeltes van de oefening eindigen ermee dat de armen in het euritmische A-gebaar liggen. Soms komt het voor dat de armen van een kind zo verward zijn dat bewegend boven het lichaam het E-gebaar wordt gemaakt, of dat er een euritmisch P-gebaar wordt gemaakt wanneer het kind beweegt (de polsen buigen boven het hoofd naar binnen richting de schedel). Bij weer andere kinderen zien we dat de mond een of meer klinkers vormt wanneer zij worstelen met de ingeslepen innerlijke bewegingstendensen, die de ziel niet toestaan zijn eigen werkelijke klanken te uiten. Er zijn kinderen die zo stijf zijn dat hun kaken draaiende bewegingen maken; ander snurkten zelfs. Eigenlijk pas wanneer het kind begint te geeuwen, iets wat therapeuten goed herkennen, kunnen we er pas vanuit gaan dat de oefening de regionen bereikt waar de problemen liggen. Dat kan de ene keer vlug zijn, in het andere geval duurt het maanden. De tijd die deze oefening neemt is uiteindelijk 15 tot 20 minuten. De oplettende leraar wordt gevoelig voor het moment waarop het kind een nieuw gedeelte van zijn bewegingssysteem bereikt en dat de oefening dan zijn werk heeft gedaan voor die week. Bovenzinnelijke stromingen (zie SLEEP - hoofdstuk 4) zijn vrijgemaakt. Er ontstaan bevrijding en nieuwe mogelijkheden voor het kind. De bevestiging hiervan vinden we in de kleuren die het kind kiest bij ‘De Bewegende Rechte Lijn en Lemniscaatoefening’, de vormteken-oefening die op de Koperen Bal oefening volgt. (zie ‘De Extra Les’ blz. 167). Dit is een vormtekening waarbij een grote lemniscaat met de ene hand wordt getekend en tegelijk een rechte lijn met de andere hand, in een voortdurende beweging totdat een bevredigend ritme is opgebouwd. Hierbij objectiveren we de innerlijke ervaringen opgedaan tijdens de Koperen Bal Oefening door kleur en bewegingen, die de wil van het Ik aanzetten om volledig het lichamelijk voertuig te doordringen. Deze laatste oefening is de noodzakelijke afsluiting van de Koperen Bal Oefening.


(Wordt vervolgd)