zondag 15 februari 2009

SLEEP - hoofdstuk 6


6 - HET KIND EN DE SLAAP

In de vorige hoofdstukken hebben we een overzicht gegeven van de condities die invloed hebben op de slaap van de moderne mens. Kinderen bevinden zich in een andere situatie. Die hebben nog maar net de geestelijke wereld verlaten. Vanuit hun ervaringen in de geestelijke wereld moeten ze nu een nieuw lichaam opbouwen en zichzelf aanpassen aan de omstandigheden op aarde, aan licht, lucht, voedsel en slaap. Zij moeten er aan wennen om te leven in een alomvattend ademritme, niet alleen lucht opnemen uit de omringende wereld, maar ook het ritme van waken en slapen. Volwassenen kunnen hun dagelijkse ervaringen meenemen in de slaap om deze te verwerken met de hulp van de wezens van de hiërarchieën, die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de menselijke bovenzinnelijke organisatie. Met hun hulp bereidt de mens zijn lot voor de volgende incarnatie voor. Kinderen kunnen dat nog niet. Het is iets dat moet worden voorbereid zodat het op een harmonieuze manier kan plaats gaan vinden tegen de tijd dat ze in de puberteit komen. De belangrijkste onderdelen in de opvoeding van de eerste zeven jaar zijn leren eten (substanties opnemen en omvormen – een Ik-activiteit) en leren slapen, wat een ademend ritme is tussen de ziele-geest en het aardse lichaam. Tot de tandenwisseling leeft het kind in een organisme waarin een replica leeft van de geestelijke wereld. Het oerbeeld of archetype van het fysieke lichaam als het Woord van de Zodiak, de afdruk van de planeten in de levensorganen (longen, lever, hart enz.) en de bewegingen die het kind heeft gemaakt gedurende de embryonale periode, dit alles samen vormt de inhoud van het vormkrachtenlichaam dat is doordrenkt met leven vanuit de kosmische ether en wat voor hun geboorte de ziele-geesten van de kinderen opnemen in de maansfeer. Deze organisatie met deze krachten vormt het paspoort voor het leven in de nieuwe incarnatie. Zij vormt een eenheid met de etherische en astrale onhulsels van de aarde, waarvan ook het beschermende etherlichaam en astraallichaam van de moeder deel uitmaakt.

Tijdens de eerste zeven jaar nemen de kinderen in pure devotie alles op dat hen omgeeft, vooral alles wat via de zintuigen fysiek voor hen verschijnt. Door te kijken en te tasten leren zij zich ruimtelijk te oriënteren. Hun hele zintuigsysteem reikt uit en grijpt naar de wereld waarin zij leven. Zij onderzoeken de ruimte, eerst kruipend op handen en knieën. Dat is een belangrijk ontwikkelingsstadium voor het coördinatiesysteem op basis waarvan de vaardigheden van schrijven en lezen zich later ontwikkelen. In deze fase tot in de dreumesleeftijd draaien ze aan flesdoppen, steken ze alles in hun mond wat ze te pakken krijgen, openen ze elke kastdeurtje om moeder constant bezig te houden, elke minuut van de dag. Ze zijn als het ware een losgeraakte ledemaat van moeder. Ze zijn niet alleen geïnteresseerd in objecten om hen heen, maar ook in de gesproken woorden en nog later ook in de gedachten die daarmee verbonden zijn. De gedachten van de volwassenen zijn bezig met het mechanische van de wasmachine, de auto, de stofzuiger. De kleintjes vinden daarom de weg in deze apparaten door vingers in het stopcontact te steken, of door met de knop de radio en de televisie aan en uit te zetten. Dit drijft vooral voor die ouders tot wanhoop die zo hun best hebben gedaan om een kindvriendelijke omgeving te maken met houten speelgoed en lappenpoppen. Maar we moeten ons realiseren dat de kinderen ook “zwemmen” in het algemene bewustzijn van de moderne tijd, zodat ze alle “werkingen in de dingen” opvangen: hoe de deurbel wordt geluid, hoe een deur wordt dichtgedaan, hoe de versnelling van de auto werkt, de stofzuiger wordt bediend, een computer wordt gestart.
Ze letten op elk woord dat wordt gezegd. Rudolf Steiner wijst erop dat hierbij vooral de afzonderlijke klanken in een woord invloed hebben op kinderen van deze leeftijd, meer dan de inhoud. Wanneer de kleintjes gaan slapen echoën al deze ervaringen in hun ziel en vormen de “slaap-wereld” waarin zij leven samen met hun engelbewaarder. Het is de inhoud waar op het vormkrachtenlichaam op inwerkt en de fysieke conditie opbouwt. Dus, hoe meer wij proberen om duidelijk te spreken, de klanken van een woord volledig uit te spreken, woorden met interessante klankcombinaties te gebruiken (traditionele kinderrijmpjes zijn een goed voorbeeld) des te meer helpen wij de kinderen. Het is inderdaad een prachtige ervaring wanneer je de oplettende blik in de oogjes van een dreumes ziet oplichten wanneer je langzaam en duidelijk een woord herhaalt dat zij zelf proberen te stamelen, want het kind leert spreken door het ingeboren vermogen tot nabootsen. Spreken voert tot leren denken, goed gearticuleerde spraak in de omgeving van het kind maakt een verbinding met het Kosmische Woord dat werkzaam is in het vormkrachtenlichaam, terwijl een uitgebreide woordenschat de basis legt voor het denkvermogen in latere jaren. Gedurende de slaap kunnen kinderen, door de verbinding met hun engel, het geestelijke ervaren door de echo’s van het gesproken woord uit hun omgeving. Dit statement is een uitdaging in onze tijd van radio, televisie en geluidsopnamen die tegenwoordig het geluidsdecor vormen van de meeste kinderen. Microchiptechnologie zal hieraan zelfs nog effecten toevoegen die desastreuzer zijn. Er is al speelgoed en zelfs leerprogramma’s die de menselijke stem nabootsen, niet een opgenomen echte menselijke stem maar mechanisch voortgebracht. Wanneer een kind een woord wil weten uit het plaatjesboek dan hoeft het maar met een elektronische magische pen op een knopje te drukken en hoort het de mechanische stem het antwoord geven. Twee dingen gebeuren er dan: de spraak kan niet langer helemaal worden nagebootst door de bovenzinnelijke wezensdelen van het kind en er is geen contact met de volwassene. De ouders worden niet langer gezien als een bron van weten naar wie je toegaat in tijden van nood. Dit zijn opvoedkundige en menselijke crisissen van onze tijd, waar we vanuit de diepte van het geestelijk inzicht een tegenbeweging tegen moeten maken.

Er rust een enorme verantwoordelijkheid bij ouders en leerkrachten. Het is noodzakelijk dat iedere dag volgens een bepaald ritueel verloopt. Herhaling versterkt de wil en het ritmische systeem en geeft daardoor een gevoel van veiligheid. Het betekent hard werken voor de moeders die de hele dag alleen en zonder hulp zijn. Maar het inzicht alleen al kan de kracht geven en het bewust vanuit een weten vormgeven aan het leven, in plaats van het volgen van patronen uit de eigen jeugd en familie, leveren wat op. De intimiteit van het verhaaltje voor het slapengaan met een kaarsje kan de drukte van de dag tot rust brengen, of met het samen kijken naar een mooie afbeelding en dan het verhaal ontdekken. Een gebed -uitgesproken door beide ouders, de kinderen doen later mee als ze de woorden kennen - wordt iets waarnaar wordt uitgekeken. Als het kaarsje door het kind mag worden uitgeblazen en het licht van de gang naar binnen schemert, een deuntje op de fluit of een liedje, het begeleidt het kind naar de slaap. Op dezelfde manier kan ‘s morgens het ontwaken worden begeleid met het klinken van een belletje of muziekje door het huis, in plaats van de radio met het nieuws. De geluiden die vader en moeder maken bewerken bij het kind een gelukkige relatie tot het dagbewustzijn. Het vraagt strenge zelfdiscipline van de volwassenen maar het helpt zowel het kind als de ouders om samen een levensgemeenschap te vormen, die een betekenis en een doel heeft.
Het feit dat de slaapomgeving van de kinderziel de naklank is van de ervaringen van de dag, die werkzaam zijn in het vormkrachtenlichaam van het kind dat daardoor weer een harmoniserende of afbrekende werking heeft op het fysieke lichaam, werpt licht op het belang wat in het vrijeschool-leerplan wordt gehecht aan verhalen over gebeurtenissen van alle dag. We kennen allemaal het plezier dat kleine kinderen kunnen hebben met verhaaltjes zoals: “Ik zag twee beren broodjes smeren”, “Ik ging naar de markt, ik kocht een koe” of “Koen, maak je mijn schoen?”. Kinderen moeten hun eigen belevenissen teruggespiegeld krijgen in woorden. In deze verhaaltjes over het dagelijks leven kunnen we ook de basis leggen voor de levensstijl van de toekomst, door ideale familieomstandigheden te beschrijven met het ritme van de dagelijkse en culturele gebeurtenissen, waarbij de stemming van dankbaarheid van alle gaven van de aarde en van de mensheid in doorklinkt, waarin een passend gebed klinkt voor de maaltijden en familieactiviteiten worden opgesomd, waarin bedtijd wordt voorgesteld zoals eerder beschreven, inclusief de netjes opgevouwen kleren en allerlei andere gewenste gewoontes, waarin de rusttijd van de volwassenen wordt gerespecteerd en waarin de familie samen komt wanneer er ’s avonds wordt voorgelezen. Zulke verhalen kunnen in de klassen van de benedenbouw worden voortgezet en ze vormen de beste hulp en een stabiliserende factor voor kinderen met een moeilijke thuissituatie, met moeders die weer fulltime moesten gaan werken toen de kinderen nog klein waren, of voor kinderen die steeds weer naar een andere school gingen of constant in de kinderopvang moeten verblijven. Zulke verhalen als bijvoorbeeld 'Het Kleine Huis' van Laura Ingles Wilder geven troost aan deze kinderen en bevestiging en veiligheid voor de kinderen die een dergelijk levensstijl kennen.

In de tweede levensperiode, tussen zeven en veertien jaar wanneer het vormkrachtenlichaam, onafhankelijk van de moeder, op zichzelf komt te staan verbreedt zich de slaapervaring van de kinderen. Zij komen in contact met het rijk van de elementaire wezens –de gnomen, ondinen, sylphides en salamanders– kortom met de inhoud van Rudolf Steiner vertelt in zijn voordrachten over 'De mens als klankharmonie van het scheppende wereldwoord' (GA 230). Ook in het dagbewustzijn van de kinderen vindt een grote verandering plaats. Zij zuigen alles op wat van waardevolle zielennatuur is bij de volwassenen en hun omgeving. Zij onderscheiden antipathie of sympathiegevoelens in de gebaren van mensen. Eerder waren het de gebaren op zich die werden nagebootst. Nu wordt de warmte of kilte van een stem opgemerkt. Zij beginnen goed en kwaad te herkennen, en wat mooi is of lelijk. Al deze zielenervaringen nemen zij mee in de elementaire wereld wanneer zij slapen. Ze ontmoeten de elementaire wezens, wiens werkzaamheden liggen in de vaste aarde, plantengroei, lucht en vuur, elementen die zij gebruiken voor hun groei. Voor de tandenwisseling ervoeren de kinderen de geestelijke realiteit van het dagelijks leven in de slaap en overdag konden zij de elementaire wezens waarnemen. Veel kinderen vertellen over hun ‘vriendje’ dat meegaat in de tuin of op het veld en met wie ze spelen. Maar tijdens de slaap kunnen zij elkaar niet vinden. Dat is hun geestelijke natuur. Daarom willen deze wezens zo graag verhalen horen over baby’s en kleine kinderen, waarnaar ze heel erg nieuwsgierig zijn. Wij volwassenen kunnen aan deze nieuwsgierigheid van de elementaire wezens tegemoet komen wanneer we in de tuin of in het open veld gaan zitten en hen innerlijk over het alledaagse kindleven vertellen. De sprookjes die wij de kinderen vanaf vijf jaar vertellen vormen de brug tussen de wezens die zij overdag kunnen waarnemen en die zij geestelijk niet kunnen vinden in hun slaap (“Zijn sprookjes echt gebeurd, mama?”) en de tijd dat hun slaapervaring verandert bij de tandenwisseling. Zonder de voorbereiding door dit soort verhalen voelt de opgroeiende ziel tussen tandenwisseling en puberteit zich samengetrokken in de slaap. Het is belangrijk dat we niet enkel en alleen de onvergelijkbare sprookjes van Grimm nemen, maar ook sprookjes uit de eigen folklore en de geografische omgeving waar specifieke elementaire wezens werkzaam zijn.
Rudolf Steiner wees erop dat er een grote verandering heeft plaats gehad in de innerlijke krachten van de mens gedurende de slaap sinds het begin van de vijftiende eeuw toen de ontwikkeling van het abstracte intellectuele denken begon. Wij hebben niet langer hetzelfde contact via ons etherlichaam met de elementaire wereld van de aarde waarbinnen wij verkeren gedurende de slaap. Deze verandering heeft de mens de vrijheid opgeleverd. We moeten er nu echter opletten en de noden van de kinderen tegemoet komen vanuit dit weten. Oude gewoontes en onderwijskennis verliezen hun waarden. Als vrije mensen hebben we de verantwoordelijkheid om ons eigen culturele leven binnen familie en school te ontwikkelen.
Hoe prachtig komt het sprookje aan deze noodzaak tegemoet. Het tekent de omkering van de wetten van het fysieke leven in de wereld van de levengevende mantel van de aarde; het brood dat nooit op raakt, het fles water dat nooit leeg raakt, allemaal ervaringen verweven met morele zielenelementen die het kind overdag leert. Geen wonder dat kinderen roepen om verhaaltjes voor het slapen en dat ze willen horen over reuzen en heksen, en willen weten hoe die overwonnen worden door het inzicht en de goedheid van de prins of het meisje in het verhaal. Van dit materiaal worden ware dromen gesmeed. Kijk nogmaals naar het vrijeschoolleerplan en de periodestof voor elke klas. Wanneer de kinderen ouder worden, de negenjaarscrisis doormaken, zodat ze meer van zichzelf bewust worden en afgescheiden van de wereld, wordt de omringende buitenwereld steeds belangrijker. De prinses uit het sprookje van de eerste klas wordt vervangen door helden in de mythen en legenden van de vierde klas, en vervolgens maken die weer plaats voor historische persoonlijkheden in de vijfde klas en hoger, die geleid worden door dromen, engelboodschappen of verheven idealen. Wanneer de puberteit zich aankondigt en het skelet gaan worden ervaren als een “buitenwereld”, wanneer wiskunde en natuurwetenschap worden geïntroduceerd als denkervaring, dan wordt het ervaren van het lichaam als Kosmisch Woord effectief in de slaap. Steeds opnieuw benadrukt Rudolf Steiner dat onze woorden geen lege beelden van de werkelijkheid moeten zijn. Zij moeten een geestelijke inhoud bevatten. Ze moeten de idealen van de jeugdige zielen vleugels geven. Het astraallichaam en het Ik bouwen gedurende de slaap buiten het lichaam aan een biografie, die even belangrijk is als die wanneer zij verbonden zijn met het fysieke lichaam en etherlichaam. Maar wanneer de inhoud van het spreken geen blijk geeft van een weten over de geestelijke wereld, dan worden de ziel en geest (astraallichaam en ik) ingeperkt tot het aardse materiële aspect van de elementaire rijken.

….wanneer ons schoolsysteem niet geestelijk verdiept wordt, dan brengt hij (het kind dat de puberteit nadert) de rommelende geluiden van de fysieke minerale wereld mee in de slaap, in zijn bloed de roestig bonzende geluiden van de fysieke delen van de plantenwereld. En op die manier wordt hij afhankelijk van het gemineraliseerde deel van de hersenen, die tijdens de slaap onharmonisch worden gemaakt door de in het bloed sissende en rommelende geluiden. Zo wordt hij, door de geestelijke, idealistische kaalheid van de spraak, beperkt tot alleen de aardesfeer, terwijl in andere omstandigheden woorden hem hadden kunnen opheffen boven het aardse om een hoger gebied te ervaren.

Rudolf Steiner: GA 222 - 1e voordracht)

Aldus het dilemma voor de adolescente zielen; overdag ontvangen zij materialistische gedachteconcepten, maar in de nacht kunnen zij niet materialistisch zijn omdat zij dan in hun geestelijke wezensdelen leven -het astraallichaam en het Ik. Zij ervaren zo een kloof tussen dagbewustzijn en het bewustzijn tijdens de slaap. Diep van binnen rijst het verwijt aan de oudere generatie die hen in een afgrond duwt waar zij geestelijk doof en stom blijven en die alleen dingen kunnen opnemen die hen nog verder naar beneden drukken, namelijk de fysieke elementen van het planten- en minerale rijk. In de vergeestelijking van de inhoud van de taal liggen de krachten om hen op te tillen tot de geestelijke wezens met zie zij zich in verbinding moeten stellen om het fysieke lichaam volledig te kunnen doordringen.

Hij zou de mogelijkheid moeten hebben om iets met zich mee te brengen (in de slaap) – want de taal van de aartsengelen kan door de ziel worden gehoord tijdens de slaap – iets dat zijn stromende bloed de mogelijkheid geeft om de geestelijke diepten van de kosmische gebeurtenissen, tenminste tot op zeker hoogte, te ervaren.

(Rudolf Steiner: GA 222 - 2e voordracht)

Het gemis aan geestelijke inhouden heeft hem afgescheiden van de krachtbron waarmee je greep op het leven hebt. Geen wonder dat het verwijt aan de voorgaande generatie, waarvan Rudolf Steiner sprak in 1923 nog steeds aanwezig is. De woorden van ouders en leraren hebben geen substantie gekregen om hen in contact te brengen met de geestelijke werking van het universum.
De schade aan het morele leven wordt om te beginnen zichtbaar in het gebrek aan bewustzijn bij jonge mensen over de verwoesting in milieu en maatschappij (vandalisme, het jezelf vernietigende drugsgebruik, het niet erkennen van de maatschappij in het algemeen). We kunnen ons begrip nog verbreden wanneer we de 4e voordracht van 'Algemene Menskunde' lezen in samenhang met Rudolf Steiners voordracht ‘De vorming van het lot gedurende waken en slapen’ (GA 224 – Bern 6 april 1923). Hij spreekt daar over de wilsnatuur en zijn ontwikkeling gedurende de eerste drie zevenjaarperiodes. Als volwassenen voeren wij daden uit. In de slaap, oordelen wij daarover; bijvoorbeeld: in verbinding met de Archai ervaren wij bevrediging of ongenoegen over hetgeen onze ledematen hebben uitgevoerd, waar en hoe we hebben gelopen gedurende de dag.
In de gewaarwordingsziel ontstaat de wens om het beter te doen, in de verstands-gemoedsziel de impuls om deze wens uit te voeren, en in de bewustzijnsziel de intentie (besluit) tot handelen. Door ons studieonderwerp kunnen we zien hoe dat verbonden is met de drie stadia van de slaap. Na de dood worden deze ervaringen uitgewerkt samen met de geestelijke hiërarchieën, en ingebed in het vormkrachtenlichaam voor onze individualiteit wanneer we terugkeren op aarde. Krijgen wij in de puberteit en later weinig geestelijke inhoud vanuit de woorden en gedachten in onze omgeving, dan kunnen wij de stadia van de slaap, waarin de impulsen en intenties vanuit het vorige leven liggen afgedrukt, niet volledig bereiken. Zonder de verbinding door de spraak met de vruchten van ons werk tussen dood en wedergeboorte, in verbinding met de aartsengelen en Archai, verliezen geweten en daad hun samenhang, welke afhankelijk is van deze verbinding. Er ontstaat dan een gemis aan verbinding tussen het gevoel en wat we hebben gedaan. Hiermee begint het “van de sterren los zijn” dat een materialistische cultuur met zich meebrengt. Het materialisme kweekt in de ziel totale onverschilligheid op het niveau van instinct en gewoontes –dat wil zeggen in het fysiek lichaam en het etherlichaam- ten opzichte van de fysieke wereld. Het materialisme brengt scheiding tussen het Ik en de engel dat het Ik dit leven heeft binnengeleid. De engel zal zijn metgezellen (aartsengelen en Archai) niet verlaten, maar bij hen blijven en zijn eigen werkzaamheid verbinden met hun werkzaamheden in het fysieke lichaam en het etherlichaam. Daardoor blijft het Ik zelf achter met alleen de werking van de fysieke wereld, en de engel moet taken in het etherlichaam uitvoeren. Wat daarvan het gevolg is beschrijft Rudolf Steiner in de voordracht ’Hoe werken de engelen in het astraallichaam’ Wat hij daar vertelt vindt tegenwoordig plaats in onze overdreven tolerante maatschappij.
Sinds het midden van de twintigste eeuw, heeft de spreektaal geleden onder een duidelijk degeneratie. Verboden vloeken werden algemeen gebruik, en jonge mensen spreken slordig in slecht gearticuleerde woorden. Gebrek aan idealen die enthousiasme aanwakkeren voert de zielen dieper binnen in instinctieve krachten. Chauvinistische tendensen nemen bezit van ons en werken terug op onze spraak gebruik zodat we in de volwassenheid woorden spreken zonder een werkelijke gedachte over hoe we daarin zelf werkzaam zijn. Rudolf Steiner kwam hier tegen in actie toen hij de leraren van de eerste Waldorfschool spraakoefeningen gaf (zie: Rudolf Steiner: ‘Praktijk van het lesgeven’ en: Audrey McAllen: ‘The Listening Ear’). Hij wist van de noodzaak dat de spraakorganen zelf bewust en actief moesten worden gemaakt bij het uiten van klanken. Hij wilde dat er met bewustzijn gewerkt werd aan de gebruikelijke instinctmatige articulatie, waarvan wij ons allemaal bedienen, zodat we vanuit de objectieve klankkwaliteiten van de in de taal leren spreken. Dan werkt onze spraak gezond makend op het vormkrachtenlichaam. Reciteren en declameren zal de woordenschat vergroten zodat de beste woorden tot onze beschikking staan wanneer wij onze ideeën in woorden willen omzetten.


In de klanken van de taal leven goddelijke wezens. Wij moeten deze wezens met eerbied benaderen, met biddende devotie. Zij zullen voor ons dan de beste leraren worden, die we ooit kunnen krijgen. (GA 282)

Begrip tussen jong en oud zal niet mogelijk zijn totdat de woorden in onze talen weer de vleugels terug krijgen die ze hebben verloren, vleugels die de woorden doen uitstijgen boven de sfeer van het botte materialisme tot de wereld van bewuste idealen……De ziel kan alleen dan worden gegeven wat het nodig heeft wanneer door echte geest en inzicht, de vitaliteit van de taal wordt hersteld zodat die weer kan terugleiden naar de genius van de spraak.
(GA 222)

Het begrijpen hoe we de verbinding tussen de incarnerende ziel en geest met de hiërarchieën die ons ondersteunen kunnen onderhouden, het onderkennen hoe vrijeschoolpedagogie de middelen heeft om dit te doen en dit ook nog eens bewust in praktijk te brengen doen, maakt deel uit van de bescherming die wij kunnen geven tegen alles wat de mensheid wil scheiden van zijn geestelijke oorsprong.

Geen opmerkingen: