zondag 29 maart 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 4)


vervolg hoofdstuk 9



’s Middags komt Tom. Hij is bijna 10, een klein mager en zonderling knulletje, blond haar en met grote ronde blauwe ogen achter een van zijn neus afglijdend brilletje. Met zijn scherp hoekig gezicht geeft hij de indruk van een dunne rechte lijn. Hij is tamelijk rustig en kijkt rond in de kamer. “Dat zijn grappige dingen”, zegt hij als hij een van de platonische lichamen oppakt. “Waar zijn die van gemaakt?” Hij houdt van tekenen, vooral van schepen, vertelt hij, dus ik vraag hem op een tekening te maken van een huis, een mens en een boom en een schip. De tekening is een precies getekende afbeelding vanuit de lucht gezien. Voor zijn leeftijd kan hij opvallend goed details te tekenen.
“Nu moet je de snelste tekening van de wereld tekenen”, zeg ik. “Teken eens een blauwe maan en een rode zon.” (zie ‘De Extra Les’ blz. 69). Hij maakt rechts een gele zon met wat rode krassen erdoor en links een maan half blauw en half geel, als een afbeelding uit een encyclopedie, echter met een kring van secuur getekende vierpuntige sterren er omheen, zoals kinderen kunnen doen. Bij de eerste ontmoeting, een paar dagen eerder, maakte hij een oranje zon en een gele maan. Je ziet hier uitgedrukt wat je aan het kind ervaart, namelijk dat hij is afgesneden van zijn gevoelswereld. Dat wat binnenkomt in het pas tot ontwikkeling gekomen ritmische systeem met zijn sympathie- en antipathiekrachten, kan niet vrij binnen in de ziel werken. Hij is gevangen in zijn zintuigen. Geen wonder dat hij op een kleine harde noot lijkt en zijn ouders hem op geen enkele manier kunnen bereiken.
We doen de oefening ‘Het eigen gewicht optillen’ (‘De Extra Les’ blz. 156). Deze keer gebruik ik een ander beeld om de oefening voor te bereiden. We zijn matrozen op het dek van een schip, er is zwaar weer op zee. Onze tenen gaan omhoog en we schommelen een beetje naar achter en voor, er komt een grote golf aan en ‘hup’ we gaan op onze tenen. Grote grutten, heel zijn handen worden naar achter getrokken en hij rolt af op zijn kleine tenen, flop, op de grond. Hij is zelf verrast. Hij spreekt op een elegante manier volwassenen nabootsend. Hij houdt er niet van om gezegd te krijgen wat hij moet doen. Ik zeg dat ik wil weten hoe slim zijn tenen zijn en vraag hem of hij zijn sokken uit wil doen, zodat we met de voeten kunnen schrijven. We stoppen een waskrijtje tussen de grote en de volgende teen. Een groot vel papier ligt op de grond. Hij schrijft eerst zijn naam, heel vaardig en met grote concentratie. Dan stop ik bij hem aan iedere voet een knikker tussen de eerste twee tenen en vraag hem die eruit te wriemelen. De grote tenen kunnen dat gemakkelijk, maar de kleinere tenen komen niet in beweging. Hij begint tegen ze te praten en te lachen, zijn vingers bewegen ook mee. Na ongeveer vijf minuten van echt hard werken vallen de knikkers op de grond en hij is in triomf. Hij heeft zeker zijn hele lichaam moeten bewegen. (‘De Extra Les’ blz. 120).
Nu gaan we blauwe wolgaren opwinden tussen de duim en de pink van de linkerhand en in de figuur van een lemniscaat. (‘De Extra Les’ blz. 118). Ik let er goed op dat de wol in de richting van de klok over de pink gaat, dan eronderdoor en tegen de klok in over de duim. Op die manier maken we de spiraalbeweging van de rechterhand, de pink in een gespiegelde beweging van de duim. De lemniscaat is een bijzondere vorm van de spiraal. Doordat hij met de linkerhand deze bewegingen moet maken terwijl de rechterhand de wollen draad vasthoudt, ontstaat er een verbinding tussen spaakbeen en ellepijp van de linker onderarm. Je kunt zien hoe deze beweging zich voortzet door het hele lichaam heen, want hij draait scheef met zijn rechter heup en de linkervoet draait om tot op de enkel terwijl hij de wol zo stijf opwindt dat de duim en de pink helemaal bij elkaar gebonden worden. Als er geen wol meer bij kan laten we alles eraf glijden en zien we een klein brilletje van wol.
Als Tom alles heeft bekeken door zijn brilletje, winden we de wol weer op tot een bol. Ik doe hem precies voor hoe hij het moet vasthouden en hoe de beweging bij het opwinden van het lichaam af moet zijn. Hij ziet snel wat hij moet doen, maar het kost hem moeite de draairichting correct te doen, vechtend tegen zijn instinctieve manier om het bolletje wol naar zich toe op te winden. Opnieuw zien we hier hoe de bovenzinnelijke stromingen van de innerlijke ruimte geblokkeerd zijn en worden omgekeerd door de eisen aan een kind gesteld door een te vroeg appèl op de zintuigen in een intellectuele activiteit.
Hetzelfde bewegingsfenomeen kun je zien als kinderen met bewegingsproblematiek een ei proberen te klutsen. Meestal beginnen zij met naar zich toe te klutsen, in de richting van hun lichaam. Wanneer je de bewegingsrichting van de rechterhand verandert in de richting met de klok mee, zie je weer hoe deze beweging geblokkeerd is op zijn weg door het bewegingssysteem, zodat verdraaiingen en disbalans elders in het lichaam worden veroorzaakt.
Dit soort waarnemingen brengt ons ertoe om de bewegingen van de handen te gaan bestuderen, die normaal in het huishoudelijk werk en bij het koken worden gemaakt. Steeds weer zijn het spiraalbewegingen die gemaakt worden, of er nu bloem op een bakplaat wordt gestrooid of een handdoekje wordt uitgewrongen. Omdat dit de basale beweging is van het astraallichaam met zijn functies denken, voelen en willen welke ons dagbewustzijn dragen, kunnen we tot het besef komen hoe generaties lang het kinderlijke vermogen tot nabootsen de krachten van de intelligentie van het kind voedde, doordat het kind erbij was en meedeed bij het huishouden.
In de laatste vijf decennia (geschreven in 1981 - vert.) is dit allemaal verdwenen door de automatisering van het huishouden. In plaats daarvan wordt het ontwakende zielenbewustzijn opgeschrokken en angstig gemaakt door voor het kind onbegrijpelijke zintuigindrukken, welke het ondergaat in de eerste levensjaren als de groeikrachten het lichaampje nog aan het vormen zijn. Hij windt ook rode wol op over zijn rechterhand, waarbij dezelfde spanning in zich lichaam zichtbaar wordt.
We proberen de Koperen Bal Oefening (zie ‘De Extra Les’ blz. 142). Hij is al klaar met de beweging voordat de instructies helemaal gegeven zijn. Ik zag ooit eens een kameleon een vlieg vangen; dat ging zo vlug dat je er pas achter kwam wat er gebeurd was nadat de vlieg al was opgepeuzeld. Zo snel bewoog Tom; er was geen element van het dragen merkbaar of van verbinding met hemzelf in het optillen van zijn armen. Later bleek door de oefening hoe stijf zijn linker lichaamhelft eigenlijk was. Toen ik dat opmerkte pakte ik een zachte bal en zei: “Kun je dit?”. Ik gaf hem de bal die hij onder zijn benen door moest gooien, rechterhand onder het rechterbeen door, linkerhand onder het linkerbeen (zie ‘De Extra Les’ blz. 88) om te kijken of de symmetriefase al tot rijping was gekomen in relatie tot onder en boven. Ik zie dat het niet het geval is, doordat hij met zijn rechterhand onder zijn linkerbeen gooit en andersom. Ik doe hem een andere oefening voor, hij moet eerst kijken. Het is belangrijk om dat zo te doen; hoe meer een leerkracht zich bewust is van de geestelijke kwaliteit van beweging, hoe meer de mogelijkheid ontstaat dat verwondering en dankbaarheid in de ziel van de leerling ontwaken. Verwondering opent de ziel zodat deze kennis wil ontvangen. Dankbaarheid, die in de eerste zevenjaar moet worden ontwikkeld, vormt de basis voor het waarnemen van schoonheid in de leeftijd tussen zeven en veertien jaar.
Ik geef hem twee ballen (zie ‘De Extra Les’ blz. 89). Hij moet er een opgooien, de andere doorgeven en dan de eerste bal met de lege hand vangen. Dat doet Tom best aardig wanneer hij met rechts opgooit, maar wanneer hij met zijn linkerhand moet beginnen gooit hij met twee handen tegelijk. Dus is de linker lichaamshelft gewend te doen wat de rechter lichaamshelft zegt. Opnieuw zien we hoe de Ik-organisatie het astraallichaam, etherlichaam en fysieke lichaam niet compleet doordringt.
Dat is voldoende voor deze keer. Tom en ik konden het goed samen vinden en hij is bereid te werken. Gelukkig voor mij, want ik zag dat er een gevaar op de loer lag dat hij een ‘nee’ als reactie zou geven, en dat zou het werk heel ingewikkeld hebben gemaakt.



(Wordt vervolgt)

zaterdag 21 maart 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 3)



vervolg van hoofdstuk 9

Dick komt met zijn moeder. Dick is 10½ jaar oud, de oudste van twee zonen. Hij heeft een gedrongen postuur, een dunne huid en donkerbruine kringen onder omfloerst kijkende helderblauwe ogen, een vierkant voorhoofd boven een driehoekig gevormd gezicht. Het ziet eruit alsof hij zijn schouders voortdurend gekromd bijeenhoudt, omdat zijn nek begraven zit in een dikke trui met kolkraag. We begroeten elkaar. In de aanwezigheid van haar kind is moeder duidelijk niet op haar gemak. Er is spanning tussen hen. Ik stel voor dat zij zolang de les duurt heerlijk rustig een boek gaat lezen in mijn zitkamer. Door beide wordt opgelucht ademgehaald.
Zoals met Mary probeer ik ook met Dick de oefening ‘Het eigen gewicht optillen’ (zie 'De Extra Les' blz. 156), maar deze keer gebruik ik het beeld van een ster die boven zijn hoofd staat, waarvan een lichtstraal recht omlaag door hem heen schijnt tot diep naar het midden van de aarde. Ik vertel hem dat hij moet proberen het licht van die ster steeds door zich heen te laten stralen als hij beweegt. Wanneer hij zijn tenen van de grond optilt en weer neerzet schieten zijn vingers naar buiten. Deze keer zijn het de wijsvingers, kort en dik. Wanneer hij op zijn tenen gaat kan hij zijn evenwicht houden op zijn grote tenen met zijn kleine tenen helemaal van de grond. Zijn hielen gaan weer omlaag en hij komt met een plof weer op zijn voeten terecht. Zo mijn jongen, jij bent een prooi voor iedere zintuigindruk uit je omgeving en ik twijfel eraan of je ze ook kunt opnemen in je ritmische systeem en zo op een harmonieuze manier meenemen in de nacht tot in het gebied van de slaap. Later vertelde zijn moeder dat hij onrustig sliep.
Bij Dick activeren de zintuigindrukken te sterk het ‘strekkende bewegingssysteem’ en zij maken intellectuele denkkrachten wakker. (zie 'De Extra Les' blz. 32). De wilskracht van het IK, die werkzaam is in het ‘oprichtende bewegingssysteem’ wordt dusdanig overweldigd dat zijn ademhaling oppervlakkig is en innerlijke spanningen de subtielere bewegingen van de ‘oprichtende mens’ belemmeren. De ‘strekkende’ door de zintuigindrukken gestimuleerde bewegingen stuwen (push) te sterk het lichaam, waardoor het IK gedwongen wordt het lichaam meer van buitenaf te bewegen, dan als vanuit een innerlijke harmonieuze response op hetgeen binnenkomt van de buitenwereld. Het is belangrijk te wijzen op Rudolf Steiners indicatie dat “die gebieden van het menselijk organisme waarmee wij in staat zijn visuele indrukken te herinneren, dezelfde gebieden zijn die ons de muzikale gewaarwordingen verschaffen, d.w.z. het auditieve waarnemen.“ (zie: Rudolf Steiner: 'Menskunde, innerlijk vernieuwd'). Gedurende de slaap werken de planetentonen in op het vormkrachtenlichaam waar zij de lichaamsprocessen zouden moeten hervormen en harmoniseren. Een onderdeel van onze activiteiten gedurende de slaap bestaat uit het onszelf weer afstemmen op de toonhoogte (toonsoort) van het kosmische concert, doormiddel van innerlijke zielenbeweging naar het innerlijk voorbeeld van de muziek van de harmonie der sferen.
Is onze betrokkenheid bij de zintuigindrukken te sterk, als wij ons te lang en te diep hebben ‘gestrekt’ in de zintuigwereld, dan neemt de ziel niet volledig deel in de bewegingspatronen van de kosmische sferenmuziek. Het harmonieuze ademen tussen ‘strekken’ en ‘oprichten’ (optillen – heffen), waardoor de inhoud van de geestelijke wereld ons doordringen kan, wordt onderbroken met als gevolg dat we bewegen als een automaat.

Laten we eens kijken hoe Dick beweegt bij de Koperen Bal Oefening (zie 'De Extra Les' blz. 142). Ik bereid de oefening voor door te vertellen over spelletjes waarbij je concentratie nodig hebt en absoluut aandachtig kijken en bewegen: zoals honkbal, tennis, cricket en boogschieten. Ik leg een kleed op de vloer waarop hij kan liggen. Hij gaat plat op zijn rug liggen met zijn gezicht omhoog. Ik stop een zachte vilten bal tussen zijn voeten bij de wortel van zijn grote tenen, om te zorgen dat hij zijn voeten parallel houdt. Dan leg ik bij hem een koperen bal in iedere hand en zeg hem dat hij de rug zijn hand (handpalmen omhoog) naast zich op de vloer moet leggen. Dan moet hij om de beurt een arm omhoog heffen en de hand draaien op het moment dat de koperen bal dreigt te vallen, totdat de arm boven zijn hoofd op de vloer aankomt en kan uitrusten, zonder dat hij ook maar een moment de bal uit het oog verliest. Dick probeert het. Het lukt hem zijn hand te draaien, maar zo gauw als de arm boven de schouder aankomt, vergeet hij ernaar te kijken en staart hij naar boven. Het kost enkele pogingen om hem over te halen zijn hoofd te draaien en naar de bewegende bal te kijken. De weg omlaag naar de vloer boven zijn hoofd is niet makkelijk; de linkerhand raakt de weg kwijt en daarna ook de rechterhand. Beide handen draaien naar buiten, weg van het hoofd. Dick merkt het niet en ik corrigeer hem niet. (Het duurde drie lessen voordat hij het doorkreeg). Nu gaat de eerste hand de weg terug, waarna ook de tweede hand weer langs het lichaam wordt gelegd, terwijl Dick steeds moet kijken naar elke bal. Dan doen we hetzelfde met twee handen tegelijk, ogen dicht. Het gevolg is dat een fusillade van gekraak en geknak wanneer ongebruikte pezen weggetrokken worden bij de beenderen – de borstkas begint zich te verwijden en te sluiten zodat frisse lucht naar binnen stroomt en zware ongebuikte statische lucht naar buiten geduwd wordt. Het is eigenaardig om te merken dat maar weinig kinderen zelf dat kraken en knakken opmerken; heel soms vraagt een kind wat het is, maar dat is echt zeldzaam. Later in de les vroeg ik Dick om een tekening te maken; we zagen daarop hoe de ervaring van dit fenomeen -door de ziel getransformeerd- door hem geuit werd als beeld van een zeilschip met van links naar rechts afvurende kanonnen.
Nu proberen we het derde gedeelte van de oefening. Nog steeds zijn de ogen gesloten. Hij begint met een hand op de grond boven het hoofd, de andere naast zijn lichaam. Nu moet hij de ene hand van boven zijn hoofd naar zijn been bewegen, terwijl de andere van naast zijn been naar boven zijn hoofd beweegt. Dit werd echter zo chaotisch dat we ophielden. Lachend kwamen we tot de slotsom dat we dit moesten gaan oefenen. Het naar buiten draaien van de armen, weg van het lichaam, wanneer zij op de vloer bij het hoofd aankomen, laat zien dat de stromingen van de bovenzinnelijke ruimtelijke organisatie (zie 'SLEEP' hoofdstuk 4 met het diagram van de kubus) overweldigd zijn en dat die stromingen worden omgedraaid, doordat de ziel te sterk verbonden is met de instinctieve erfelijkheidskrachten en de te sterke zintuigindrukken. Dit geeft een te sterke nadruk op het ’strekkende bewegingssysteem’.
De volgende keren dat we deze oefening doen zal ik op de lier spelen, en verschillende toonreeksen en intervallen gebruiken voor de drie onderdelen van de oefening. Maar ik zal het tempo waarmee ik speel altijd aanpassen aan de bewegingen van Dick. Deze oefening creëert altijd een prachtige stemming van rust en innerlijke vrede.
Dick is een actief kind, een bomenklimmer en een liefhebber van sport en gymnastiek. Dus vraag ik hem om eens door de gang te kruipen op zijn knieën maar met zijn onderarmen (elleboog tot hand) op de grond. (zie ‘De Extra Les’ blz. 130). Zijn lichaam is zo zwaar dat hij het bijna niet in beweging krijgt en hij geeft het na een rondje al op. Hieraan ziet men hoe weinig de ziel de mogelijkheid heeft gekregen om in het lichaam in te ‘ademen’, ondanks alle fysieke activiteiten.
Tenslotte vraag ik hem om een tekening te maken van ‘een blauwe maan en een rode zon’ (zie 'De Extra Les' blz. 69).Hij pakt meteen geel samen met rood over elkaar en geel alleen. Ik zeg niets en we nemen afscheid. Ik geef hem een glaasje limonade en wat koekjes en praat met zijn moeder.
Moeder en ik kwamen overeen om het slaapprobleem aan te pakken, en omdat moeder bekend was met Rudolf Steiners mensbeeld, vertelde ik haar over de spiraalbewegingen van het astraallichaam – hoe de ziel, wanneer zij het lichaam verlaat en er weer naar terugkeert, spiraalbewegingen maakt, net als een roos die haar blaadjes opent in een spiraalbeweging, daarmee uiteindelijk een perfect cirkel vormt om haar schoonheid aan de wereld te tonen. We deden de ‘Drievoudige Spiraal‘ (zie 'De Extra Les' blz. 146) welke moeder beloofde iedere avond met Dick te doen bij het naar bed gaan, als onderdeel van een kleine ceremonie met muziek en een avondgebed. In ons gesprek vertelde zij me dat ze bij haar echtgenoot weg was gegaan en dat hij en zij hadden besloten te scheiden.



(Wordt vervolgd)

vrijdag 13 maart 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 2)


vervolg van hoofdstuk 9


Nu we ons zo hebben voorbereid, zijn we klaar voor de komst van onze eerste leerling. Mary van twaalf jaar oud komt binnen, de schouders naar elkaar toe getrokken, hoofd een beetje naar voren gebogen, de gewoonte om met een frons de wereld in te kijken is zichtbaar in haar wenkbrauwen en haar tamelijk volle lippen. De blauwe ogen zijn wakker maar kijken mistig met wantrouwen. Ze is van gemiddelde lengte en postuur. Haar vingers, die vanboven afgeplat zijn, aan kleine dikke handen, vormen een contrast met haar algemene bouw en komen niet overeen met de indruk van een intuïtieve natuur die ze geeft. We praten wat, over van alles, waar ze woont, haar familie, de huisdieren die ze thuis hebben. Omdat haar vader boer is, vertel ik haar dat ik haar wil helpen met rekenen op dezelfde manier waarop haar vader zijn akkers voorbereidt op het verbouwen van het graan. We zullen niet meteen met sommen beginnen, maar we zullen de weg vrijmaken, we gaan eerst rommel weghalen, zoals een boer eerst zijn akker wiedt, schoonmaakt voor hij gaat zaaien. Ze luistert niet echt. Haar ogen dwalen door de kamer; plotseling verstijft ze. “Wat is dat?”, vraagt ze met zo’n krachtige stem dat het klinkt als een zweepslag. Ze wijst naar de platonische lichamen op de vensterbank. Ik vertel haar dat het heel bijzondere vormen zijn die ontdekt werden door Plato. Ze betast ze. Eens, zeg ik tot mezelf, was je een begaafde leerling op het gebied van de mathematica, en nu kun je niet eens optellen. Geen wonder dat je boos bent en een negatief zelfbeeld hebt. (Alsjeblieft, sta mij de poëtische vrijheid toe deze onmiddellijke gevolgtrekking te maken).
We beginnen de les met een oefening die laat zien welke verbinding de ziel heeft tot de twee bewegingssystemen van het lichaam: het strekken en het oprichten (stretching & lifting). Door te strekken en te grijpen oriënteren baby’s zich in de ruimterichtingen, het karakteristieke gebaar waarmee zij de ogen coördineren bij de ruimtelijke oriëntatie. Hierdoor en door onze zintuigindrukken, zijn wij verbonden met de zwaartekracht, en brengen wij het wakkere dag-bewustzijn van onze persoonlijkheid tot leven. Het oprichtende bewegingssysteem (lifting system) bevrijdt ons van de zwaartekracht en verbindt ons met de naar bovenstromende kracht van het je oprichten. Het kleine kind dat springt en danst geniet van de bevrijding van de vormkrachten vanuit de zintuigen, die het de ervaring van het hebben van zwaarte brengen. Het oprichtende/optillende bewegingssysteem vormt de basis voor dans en muziek en het vormt het middel waarmee de incarnerende individualiteit zichzelf lichamelijk uitdrukt. (zie 'De Extra Les' en 'Learning Difficulties' – Section I)

Mary staat tegenover mij en ik vraag haar of zij weet hoe zwaar zij is. 38 kilo is het antwoord. Is ze sterk genoeg om dat gewicht op te tillen? We zullen zien. Ik doe voor hoe zij haar tenen kan optillen en haar voeten op de vloer laten staan. (beschrijving van deze oefening in 'De Extra Les'). Dan duwen we de tenen stevig naar beneden tegen de vloer. “AA-MM”, zegt ik zachtjes, gebruikmakend van klanken uit de euritmie. Dat doen we drie keer en dan heffen we de hielen helemaal naar boven. We strekken ons uit op onze tenen tot onze volle lengte met de klank “OE”. Ik observeer haar nauwgezet. Haar handen worden al gespannen wanneer ze haar tenen beweegt. Ze kan bijna haar voeten niet op de vloer houden. Als de hielen omhoog gaan, schieten haar pinken naar buiten en worden stijf weggehouden van de andere vingers, de voeten rollen opzij weg naar de kleine tenen en de enkel wordt gekanteld. Wat kunnen we uit deze bewegingen van Mary opmaken?
We zien meteen dat de opricht-bewegingen worden overweldigd (door de strekbewegingen. vert.), en wanneer we onze observaties verbinden met de aanwijzingen van Dr. Norbert Glas over de geleding van de hand, vinden we dat de uitstrekkende pinken erop duiden dat de ziel te zwaar wordt neergedrukt door de instincten, werkzaam in de ziel vanuit het fysieke lichaam, via het bloed. Dit betekent dat begeerten ook te sterk gebonden zijn aan het fysieke lichaam, het Ik daarin meesleurend, en dat deze daardoor niet doordrongen kunnen worden door het motief, zodat zij omhooggetild worden in de sfeer van menselijke wil. (zie hiervoor: 4e voordracht uit Rudolf Steiners 'Algemene Menskunde' over de zeven vormen van wil). In plaats daarvan blijft de ziel gevangen in wat zij heeft nagebootst van de omgeving en van alles wat is ontvangen via oude overgeërfde krachten. Daardoor is het voor de individualiteit moeilijk om zijn eigen wilskrachten te ontwikkelen, behalve dan in een ongebreideld tegensputteren of dwars zijn. Ik zie dit bevestigd in het wegrollen van de voet naar de kant van de kleine teen, omdat de onbeweeglijkheid van de voet wijst op een verharding van het etherlichaam, zodat het in- en uitademen van de ziel verstoord wordt, zowel overdag als ’s nachts.
Hier hebben we al iets om nader te onderzoeken en een richting voor onze aanpak. Hoe slaapt Mary? Onrustig of diep, snurkend? Gooit zij de lakens van het bed of houdt ze juist van de zwaarte van de dekens? Wordt ze langzaam wakker of ineens? Is ze ’s morgens vrolijk of heeft ze last van ochtendhumeur? Dat zijn vragen voor de moeder.

Nu vraag ik haar om een gedichtje op te zeggen. Nee ze weet er geen die ze in de klas heeft geleerd. Dan besluit ik om naar haar handcoördinatie te kijken. Ik laat haar zien hoe zij in elke hand een koperen bal kan laten draaien en hoe ze tegelijkertijd met haar voet een bal kan laten rollen. (zie ook voor deze oefening: 'De Extra Les'). We bouwen deze bewegingsoefening langzaam op. Het lukt met haar handen maar de voet draait steeds de verkeerde kant op. Ik stel voor om een kinderrijmpje op te zeggen: ‘Mary, Mary, quite contrary,’ maar de woorden van de laatste regels komen er verdraaid en achterstevoren uit. (Het kostte Mary twee jaren om dit versje goed op te zeggen, zo stijf en verhard was het etherlichaam). Het is tijd om te kijken wat we met rekenen kunnen doen. Door wat ze vertelt weet ik dat Mary denkt dat ze goed kan optellen. Ik geef een makkelijke som, haar antwoord is fout. Ze is het niet met me eens. Ik ontdek dat ze ook niet goed op haar vingers kan tellen. Ik leid haar af door haar te laten zien hoe je Romeinse cijfers kunt maken met je vingers. Elke directe confrontatie met getallen kan zij alleen maar aan wanneer er voldoende vertrouwen tussen ons is gegroeid. Toen ik haar een keer op een fout wees was ze zo boos dat ze stond te trillen van woede. Ik vroeg haar hoe boos ze was. “Zo boos als een krokodil” gaf ze als antwoord. En wat kan die boosheid stoppen?, vroeg ik. “Een wild everzwijn” was het antwoord. Zulke antwoorden kun je overdenken in het licht van beeldentaal uit sprookjes en mythen. We oefenen een vormtekening die zij meekrijgt als huiswerk, en na wat andere activiteiten is het uur voorbij en moet ze naar huis. Voor dit kind zouden de Moral Colour Excersises (morele kleuroefeningen) een grote hulp zijn.


(Wordt vervolgd)

vrijdag 6 maart 2009

SLEEP - hoofdstuk 9


Voorbeelden van onderwijs-ondersteunende lessen


In de vorige hoofdstukken hebben we de fenomenen van ons leven gedurende de slaap geschetst. We zullen dit nu in verband brengen met kinderen die moeilijkheden hebben ondervonden in hun incarnatieproces. Deze moeilijkheden tonen zich vaak in hun gedrag en in leermoeilijkheden. Wat ook de fysiologische leerhindernissen mogen zijn -gekruiste dominantie, gebrek aan ruimtelijke oriëntatie, moeite met concentratie etc.- alle symptomen verwijzen naar het belangrijkste probleem, dat kinderen niet in staat zijn op een dusdanige wijze greep op hun lichaam kunnen krijgen, dat het voor hun een waarnemingsorgaan is voor de fysieke en geestelijke werelden. Hun slaapervaring is verstoord en niet helder. Als gevolg daarvan is hun lichaam onaangenaam om te bewonen; de ademhaling en de circulatie zijn zwak; de ledematen reageren niet op de wilsimpulsen. Daarom moet elke remediërende Extra Les worden opgevat als een samengebalde meditatie over de archetypische vorm van het fysieke lichaam als instrument voor coördinatie: het samenwerken tussen zenuwen, spieren en beenderen (skelet), welke geestelijk gezien, door Rudolf Steiner worden beschreven als innerlijk licht (intuïtie), innerlijke klank (inspiratie) en innerlijke beeld (imaginatie). Ik wijs de lezer op Sectie 1 van het boek Learning Difficulties (samensteller M.E.Wilby) en Rudolf Steiners voordrachten De wereld van de zintuigen de wereld van de geest. Ons doel is om de individualiteit de mogelijkheid te geven zijn levende, klinkende en met licht gevulde organisme te gebruiken in zijn relatie tot beweging van de innerlijke bovenzinnelijke ruimte. Daarom bevatten alle remediërende lessen van ‘De Extra Les’ bewegingsoefeningen, muziek, vormtekenen en schilderen, op zo’n manier georganiseerd dat het kind een kunstzinnige ervaring van tijd krijgt binnen de les en van de ziel die leeft in zijn eigen element van in- en uitademen.

“Mary is al vier maanden bij ons”, vertelt de klassenleraar mij. “Ze kan geen gelijke tred houden met wat we in de klas doen. De ouders zijn gescheiden en maken ruzie om de kinderen. Een van de ouders wil dat zij extra rekenles krijgt. Tijdens deze extra rekenlessen wordt Mary boos over haar eigen onkunde, maar ze wil ook niet dat iemand haar helpt. Ze zegt altijd dat ze de sommen wel kan maken, en gelooft het niet wanneer de uitkomsten niet hetzelfde zijn als die van haarzelf. Men verdenkt haar er ook van dat ze steelt. Ze kan ongelooflijk liegen. Zou jij haar kunnen nemen voor de ‘Extra Les’ en dan wat doen voor haar algemene onkunde?”

“Dik is zo wild,” klaagt zijn moeder. “Hij gedraagt zich goed als hij van school komt, maar dan plotseling wordt hij druk en zo wild in zijn spel. Hij gilt en is dwars en zo onbeschoft dat ik hem niet meer de baas kan. Zijn broertje lijdt hieronder. Kunt u ergens mee hem helpen?”


Nu komt er een ouderpaar. Hun tweede kind, een jongen, steekt thuis stapeltjes papier in brand. Hij heeft moeilijkheden op school en steelt. Als hij geen hulp krijgt voor deze problemen, zouden die wel eens ernstige gevolgen kunnen krijgen.

Dit zijn in het kort verschillende situaties waarmee een remedial teacher geconfronteerd kan worden. Na uitgebreide gesprekken met de klassenleerkrachten en de ouders rijst de vraag waar en hoe deze kinderen moet worden ontvangen. Dat is van groot belang. In het beste geval zou dit Extra Les-werk onderdeel moeten zijn van de school. Wanneer de remedial teacher dichtbij de school woont kan het een hulp zijn dat de leerlingen naar het huis van die leerkracht gaan, ver weg van het luiden van de schoolbel en het rumoer van de andere kinderen, een rustige oase buiten de tijd en buiten de gewone omgeving, waar de leerlingen gewoon zichzelf kunnen zijn zonder zich te hoeven meten met hun leeftijdsgenoten en zonder de druk van volwassenen. Die mogelijkheid is jammer genoeg zeldzaam. Meestal moet de remedial leerkracht het doen met een ongebuikt kamertje, ‘ongebuikt’ in die zin dat wanneer het niet nodig is voor het RT-werk andere leerkrachten de ruimte kunnen gebruiken. Ideaal zou zijn dat deze kamer anders is dan de anderen, een speciale ruimte, intiem en warm, waar de kinderen zich ‘ontvangen’ voelen. In die zin kan er wat worden gedaan, bijvoorbeeld door de vormen van de vensters te veranderen. De manier waarop de ruimte waar het licht door naar binnen komt is vormgeven, heeft een effect op de menselijke bovenzinnelijke wezensdelen. Wanneer het gevormd is in overeenstemming met de wetten van het etherlichaam, dan geven de leven aan dat wezensdeel. Laten we het licht gekleurd de kamer binnenkomen, dan activeren we het astraallichaam.
De rechthoek beperkt het etherlichaam tot het fysieke lichaam. We kunnen dat wat losser maken door van triplex geschikte vormen te maken die de raamkozijnen kunnen omgeven. We kunnen de planetenkleuren van de dag gebruiken voor een transparant achter deze houten vormen, wanneer de kamer twee vensters heeft. Wanneer het gebrek aan opbergruimte problemen geeft om de kleuren van de dag te gebruiken, dan kunnen we een kleur kiezen waarvan de leerkracht voelt dat die past bij de situatie. Ook zouden er verschillende interessante objecten in de kamer moeten zijn. De platonische lichamen gemaakt van goudpapier, als een mobile opgehangen in de volgorde van de gulden snede, of platonische lichamen geboetseerd uit klei of bijenwas. Men zou ook kunnen kiezen uit de volgende selectie voorbeelden: een Keltisch kruis of een kruisbeeld, schelpen, mooie kiezelstenen, kristallen, een stuk knoestig hout, ansichtkaarten met afbeeldingen van onderwerpen uit de lesstof. Het zou allemaal een hulp kunnen zijn. Een afbeelding waarop alle kinderen reageerden was een reproductie van Hilda Boos-Hamburgers “Quellenwunder”. In een bepaald stadium van de persoonlijke ontwikkeling van de jonge mens zijn foto’s van het huidige Goetheanum ook iets wat de aandacht vangt.
Maar de twee kunstwerken die troost brengen aan kinderen die hulp nodig hebben zijn: Rafaëls “Madonna del Granduca” en Rudolf Steiners “Mensheidsrepresentant”, het beeldhouwwerk uit het Eerste Goetheanum. Het eerste kunstwerk is voor menig moeder een hulp om zichzelf open te stellen voor de wachtende ziel van haar kind. De afbeelding geeft ook troost aan kinderen die zichzelf niet welkom voelen, of als niet geaccepteerd door de omgeving waarin zij leven. Vaak merkten leerlingen de “Mensheidsrepresentant” op wanneer zij een stap vooruit maakten in hun ontwikkeling. Zo hebben we een verwelkomende sfeer in de kamer gecreëerd.


Nu moeten we het hebben over de kamertemperatuur. Wij hebben allemaal last van een subjectieve beleving van warmte en kou. Dezelfde kamertemperatuur is voor de een te warm en voor de ander precies goed. Het warmtezintuig wordt aan ons doorgegeven door het gewaarwordingslichaam. Wij geven van onze eigen warmte af aan de omgeving totdat het dezelfde is als onze eigen temperatuur. Dat betekent dat wanneer een kind in een heerlijk warme kamer binnenkomt, de wilskrachten die zich bezighouden met dit uitbalanceren van warmte nu vrij komen en ter beschikking komen van genezingsprocessen. In de ziel heeft dit het effect dat zij bevrijd wordt van egoïstische tendensen. De wil kan uitvloeien in de omgeving, de gewaarwordingsziel wordt vrij zodat de zintuigindrukken, die in de gewaarwordigsziel ons zelfbewustzijn wekken, niet zo sterk terugwerken op lichamelijke processen. Kou maakt ons wakker in het zenuwstelsel, maakt ons alert en bewust, maar dat doet een beroep op de doodsprocessen van het lichaam. Het doodsproces is de remedie en de tegenhanger van het door Lucifer veroorzaakte verstrikt zijn in de materie namelijk: het wakkere zelfbewustzijn. Warmte tilt ons uit de materiële processen en bevrijdt de wil, maar we moeten moeite doen om ons bewustzijn te behouden als een vrije daad ten opzichte de geestelijke wezens, die de bron van leven in ons ondersteunen en in stand houden. Daarom bevrijdt een aangename warmte de wil van het kind en wanneer onze pedagogie ook goed en innerlijk warm is, dan kunnen we werken met de ‘goodwill’ (de goede wil) van de individualiteit om de wonden te helen, die deze zo vroeg in het leven al heeft opgelopen.
En nu gaan we van de uiterlijke warmte naar de innerlijke warmte die moet komen van de leerkracht. Wat verlangen de kinderen van ons? Eerst en vooral een onbegrensd gevoel van vredige, rustige tijd die door de ruimte gaat. Zij moeten het gevoel hebben dat zij in hun eigen tempo van het ene onderwerp naar het andere kunnen gaan, dat zij in alle rust kunnen opnemen wat hun zintuigen brengen. Als eenmaal de deur achter hen is dichtgegaan, moeten zij het gevoel kunnen krijgen alle tijd van de wereld te hebben. Er zal geen jagen of haasten zijn, geen richtlijnen of commentaar op wat zij doen, slechts positieve aanmoedigingen. De wereld met zijn problemen is verdwenen. Gedurende een uur mogen zij alles doen waarnaar hun ziel verlangt en dat op hun eigen tempo en van iemand anders. Waarom is dat zo belangrijk? Denk maar eens aan alles wat een kind om zich heen over zich hoort. Luister naar het soort bevelen die zij en plein public toegeworpen krijgen, in winkels en op straat: “Kom op, vlug!” of “Loop niet zo langzaam, we komen zo nooit op tijd!” “Nee, dat krijgt je niet, leg neer!” “Hou op met huilen!” “Doe niet zo gek!”. Een eindeloze stroom van bevelen, wanneer niet voor dit kind bedoeld, dan voor andere kinderen. Kijk naar jonge kinderen die naast de kinderwagen lopen, die moeder op haar eigen tempo voortduwt zodat zij op tijd met het werk van de ochtend klaar zal zijn. Kijk tussen de chaos van volwassenen een klein kind dat alleen staat te wachten tot moeder weer komt en dan mee naar huis genomen wordt in een snelle auto. Is het te verwonderen dat het een gevoelig kind ontbreekt aan levenslust, tegen de tijd dat het twaalf jaar is? Een ononderbroken stroom van indrukken en commando’s hebben de wil in de war gebracht en verlamd. Daarom moeten we, als remedial teachers, onszelf beloven om nooit gehaast te zijn, om nooit te dwingen of druk uit te oefenen, niet met woorden noch met onze houding, om nooit de kinderen te verbeteren, nooit te zeggen dat zij iets fout doen. Het zelfvertrouwen is daardoor al lang ondermijnd. In plaats daarvan laten wij hen er rustig achter komen wat zij aan het doen zijn. En als de tijd het toestaat herhalen wij vriendelijk en rustig onze instructies en helpen wij hen weer op gang. Op een dag zullen zij echt goed luisteren en de instructies correct uitvoeren. De blokkade in de wil zal verdwijnen zonder dat zij er zelf erg in hebben. ‘Goodwill’ wint het altijd van de tegenwerkende krachten in de ziel zonder opdringen.

Nu we ons zo hebben voorbereid, zijn we klaar voor de komst van onze eerste leerling.


(Wordt vervolgd)