zondag 26 april 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 6)


vervolg hoofdstuk 9

Wat zijn de belangrijkste factoren die aan het licht kwamen toen we met deze kinderen (en vele andere kinderen) werkten?

De hoofdproblemen bij de kinderen, met wie we ons hebben bezig gehouden, liggen op het emotionele vlak, b.v. stress in het gezinsleven. Onze aandacht moet worden geleid naar incarnatieproblematiek wanneer er sprake is van gedragsproblemen, interesse tekort, langzame vorderingen bij het leerwerk in de klas en verder alle verschijningsvormen, die liggen tussen apathie en de algemene ordeverstoring en het lastig zijn voor zichzelf en anderen.
In deze medley van gevolgen worden verschillende karakteristieke categorieën zichtbaar, die allemaal terugwijzen op aanpassingsmoeilijkheden in de ervaringen van het slaapleven. Er is niets in onze huidige cultuur dat ons het concept aanreikt, dat slaap eigenlijk een heilige zaak is. Het aantal huishoudens waar de bedtijd meer is dan alleen maar in bed gelegd worden met een vluchtige kus en “slaap lekker” neemt zienderogen af, en daardoor zal het gevoel van zekerheid bij het overgaan van de zintuigwereld naar de geestelijke omgeving van de aarde voor kinderen snel verdwijnen. Kinderen zijn innerlijk afhankelijk van hun moeder; zij leven nog binnen haar astraallichaam en zij zoeken de toegang vanuit de zintuigwereld naar de ziele-geestwereld via het medium van moeders bovenzinnelijke wezensdelen en onder de leiding van haar Ik. Wanneer moeder teveel eigen problemen heeft, beïnvloedt dat ook de relatie met haar kind. In het geval van Tom, bijvoorbeeld, rijpte het concept van het huwelijk niet verder na de komst van de kinderen. Er ontstond voor de moeder een conflict betreffende haar uitgesproken wens haar carrière voort te zetten, die ook weer in verband hield met het werk van haar echtgenoot. Zo ontstond een splijtzwam in hun huwelijksrelatie, die verergerde door de vroege intellectuele opvoeding van Tom en de verwachting van de ouders, dat kinderen zich als verstandige volwassenen zouden moeten aanpassen aan de thuissituatie. Daardoor was op het niveau van het zielenleven de verbinding tussen moet de kind in de knel geraakt, en de overgang van de zintuig-omgeving naar de geestelijke omgeving van de slaap was beladen met die moeilijkheden, omdat de volledige aandacht van moeders innerlijk wezen ontbrak.
Een tegenovergestelde situatie kan dezelfde gevolgen hebben. In zo’n geval is de verbinding tussen moeder en kind te sterk, moeders wensen en ambities oefenen zo’n invloed uit op het kind, dat diens wil erdoor belast wordt en de ziel tijdens de slaap wordt achtervolgt door de innerlijke beelden ervan, die worden afgedrukt in het etherlichaam. Deze kinderen zijn het bijvoorbeeld die, wanneer zij op de grond moeten liggen (bij de ‘Koperen Bal oefening’) hun benen gekruist over elkaar leggen in een euritmisch E-gebaar, als teken van afweer. Zulk soort verhouding tussen moeder en kind kan alleen maar worden waargenomen. Ze zijn het gevolg van diepe karmische relaties. Het is in die gevallen nodig de moeder over de geestelijke concepten achter de vrijeschoolpedagogie te vertellen, en nodig om de ziel van het kind sterker te maken. We moeten ervoor zorgen dat kinderen met deze problematiek een verbinding krijgen met de grote Moeder Aarde en daar vandaan hun weg terug vinden naar het ware wezen van hun eigen moeder, dat tijdelijk voor hen verborgen was door het gemis aan geestelijke concepten waaronder ons dagelijks leven tegenwoordig lijdt.
De disharmonie tussen het ‘strekkende’ bewegingssysteem en het oprichtende bewegingssysteem heeft zijn effect in de slaap. Daardoor krijgen bepaalde wezens, welke verbonden zijn met de planetensferen, binnendringen in een of ander wezensdeel, of dat de krachten van de wil als in een betovering worden geketend door elementaire wezens. Zoals eerder opgemerkt, daarvan zijn vele beelden te vinden in de sprookjes.
Men is zo makkelijke geneigd alles wat lichamelijk is als een persoonlijk bezit te schouwen. Dat is helemaal niet het geval, want het ‘huis’ waar we in leven is resultaat van het werk van andere wezens en wij zijn slechts gedurende de dag met ons bewustzijn de enige bewoners. ’s Nachts eisen de scheppers ‘ons huis’ op en met hun hulp wordt het verjongd, gezuiverd en hersteld om klaar te zijn voor gebruik de volgende ochtend. Maar er zijn andere wezens, die met ons strijden om het bezetten van ‘ons huis’. Het zijn wezens, die op een ander niveau van ontwikkeling staan. Wanneer er een verstoring in het incarnatieproces plaatsvindt, kunnen zij inbreken en gebruikmaken van ‘ons huis’ terwijl wij slapen, en zij laten het niet netjes achter. Dus moeten we de volgende morgen moeite doen om dat weer recht te breien door ons Ik -onze wil- erin af te drukken. Alleen zo kunnen rechtmatige bewoners deze binnendringers eruit werken.
De kinderen in deze situatie laten vaak zien wat er aan de hand is, in de manier waarop zij een huis tekenen. Het huis is meestal verbazingwekkend primitief voor hun leeftijd, vaak leeg, met de lucht er doorheen getekend. Bomen hebben geen wortels en worden vaak getekend met takken aan een dunnen kromme stam. Zo’n huis tekende Dick en toen ik hem vroeg of hij vaak droomde zij hij: “Ja, altijd over inbrekers die het huis willen binnenkomen.”
Kinderen die gevangen zijn in de elementaire wereld hebben moeite om een mensfiguur te tekenen. Die wordt dan primitief –misschien zonder romp-, of zij tekenen de mens vanaf de voeten omhoog. Dick werd in het Verre Oosten geboren. Zijn moeder was nog maar net twintig jaar bij zijn geboorte. Ze vertelde mij dat zij hem al vroeg vast voedsel te eten had gegeven inclusief flink wat vlees. Het gezin reisde constant. Dit alles belastte de lichamelijke processen van het kind, zodat die in de situatie kwamen waarbij -zoals Rudolf Steiner beschreef- er maanwezens zich toegang konden verschaffen tot de wezensdelen. We kunnen nu begrijpen waarom Dick de indruk van zwaarte gaf en van een te kort aan vitaliteit voor zo’n krachtig gebouwd lichaam. Kinderen wier concentratievermogen plotseling verdwijnt of die in verschillende situaties op onberekenbare manier reageren, zijn heel vaak die kinderen bij wie de bovenzinnelijke wezensdelen ruimte geven aan zulke ongenode gasten. Deze verleiden een deel van de wilskrachten van de kinderen om verbonden te blijven met het organisme gedurende de slaap, zodat de kinderen zwaar wakker worden en makkelijk in mineur stemming geraken of wilde periodes van activiteit krijgen. De ziel heeft hierbij dan de bescherming van de moeder nodig om de wilskrachten in verbinding te brengen met de archetypische bewegingen van het astraallichaam. Vandaar dat de ‘Drievoudige Spiraal oefening’ (zie ‘De Extra Les’ blz. 146) werd aangeraden samen met muziek.

(Wordt vervolgd)

dinsdag 7 april 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 5)



vervolg hoofdstuk 9

Welk beeld van hun situatie laten deze kinderen ons zien?
Alle drie hebben ze moeilijkheden met de incarnatie, het binnenvoeren van hun wilskrachten in de organisatie voor het Ik, die de erfelijkheidslichaam hen aanbiedt. Er zijn moeilijkheden bij het greep krijgen op de krachten aan de linker- en rechterzijde van het lichaam, wat laat zien dat zij in de ontwikkeling van de eerste zeven jaren gehinderd zijn. Zij hebben het erfelijkheidslichaam niet geheel om kunnen vormen in een eigen lichaam. De krachten die werken van beneden en vanaf van boven (astraallichaam en Ik – vert.) zijn niet in evenwicht en dit is een hindernis geworden bij de negenjaarscrisis – fysiologisch de verplaatsing van het zwaartepunt van de stofwisseling van het hoofd naar de buik, psychologisch het onderscheid tussen Ik en de wereld. (zie B.C.J.Lievegoed: De Ontwikkelingfasen van het Kind). De verschillende baloefeningen laten dit zien. De oefening ‘Het eigen gewicht optillen’ (‘De Extra Les’ blz. 156), vertelt ons wat is gebeurd. In de plaats van een beheersen van het lichaam, zien we nu hoe zwaar het voor de ziel is om het lichaam te dragen. De ziel is te diep verweven met de aardezwaartekracht. In plaats dat het een uitdrukking is van de individualiteit van het kind, belast het lichaam de ziel met alles wat het kind heeft nagebootst van de omgeving of wat van instinctmatige natuur is. (zie Rudolf Steiner: Algemene Menskunde, 4e voordracht). Door deze last wordt de toekomstige ontwikkeling van de bewustzijnsziel ondermijnd. Het beïnvloedt de mogelijkheden van de wil van de kinderen om vanuit de slaap morele impulsen vanuit de geestelijke wereld over te brengen. Hun hele ontwikkeling staat op het spel. Geen wonder dat Mary liegt en steelt, dat Dick wild en ongedurig is en dat Tom voor zijn leeftijd te vroeg oud is en eigenlijk smeekt om hulp.
Hoewel we mogen zeggen dat de oorzaak dezelfde is, de manifestatie en de graad van moeilijkheden verschilt naar gelang de individuele mogelijkheden. ‘Het eigen gewicht optillen’ verschaft een aanwijzing over hoe diep de moeilijkheden liggen. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de drie gebaren van de handen, die bij deze oefening zichtbaar werden. Bij Mary liet het uitstrekken van de pinken zien dat instinctieve wilskrachten haar ik-ontwikkeling overheersen. Haar levenszin(-tuig) is verstoord en daardoor heeft een goede metamorfose van dit zintuig naar het gedachtenzin(-tuig) vertraging opgelopen. Haar zwakke geheugen komt door de moeilijkheden die haar wilskrachten hebben om de Ik-organisatie in de grip te krijgen. En het rekenprobleem is daar een andere uiting van, omdat het werken met getallen als voorwaarde heeft dat alle bovenzinnelijke wezensdelen van een incarnerende individualiteit elkaar doordingen.
In het geval van Dick zien we aan het uitstrekken van de wijsvingers dat hij geheel leeft in zijn zenuw-zintuigsysteem en dat hij goede intellectuele capaciteiten heeft, maar dat hij zodra hij overprikkeld raakt, d.w.z. teveel zintuigindrukken moet ondergaan, de zintuigorganisatie plotseling overweldigd wordt en hij de beheersing over zijn wilskrachten verliest. Dan is hij overgeleverd aan de grillen van zijn astraallichaam en aan wat dat allemaal aan inhoud heeft.
Tom daarentegen beschikt voor een tienjarige over een ijselijke zelfcontrole. Hij weet waar hij is en wat hij wil. Hij kan goed met je converseren, als een volwassene, totdat hij moe wordt. Dan laat hij alles gaan en mengt zich in zijn bewustzijn van alles, zodat we kunnen begrijpen dat zijn onoplettendheid zijn oudere zus irriteert zodat zij zegt dat hij dom is. Zijn naar het lichaam terugtrekkende handen bij ‘Het eigen gewicht optillen’ zijn een beeld van het onder controle proberen te houden en van de spanning, die de ziel ervaart in het zenuw-zintuigsysteem, welke de fysieke manifestatie is van het astraallichaam. De overgevoeligheid op zintuigindrukken, die via het licht tot hem komen, beïnvloeden direct via de ontvangende zintuigorganen de strekkende spieren. En de impact is zo groot dat de eigenbewegingszin (het ontvangende zintuig voor eigen bewegingen ofwel de zogenaamde motorische zenuwen) overweldigd wordt. De ziel vindt geen anker en begint eruit te spiralen en neemt het bewustzijn met zich mee. Bewegingen van handen en ledematen worden onhandig en ongecontroleerd, het kind let niet meer op en wordt afwezig.
Dat de ziel te vroeg in de zintuigwereld is ondergedoken, kan ook waargenomen worden bij de kruipoefening (zie ‘De Extra Les’ blz. 130). De shock die de ziel heeft moeten ondergaan, wordt geuit in de vastgehouden gebaren, die verborgen liggen onder de normale bewegingen van het spierstelsel. (zie Karl König – De eerste drie kinderjaren). Zij zijn daar alle tijd en vormen een hindernis voor de wil om volledig te stromen. We moeten ons realiseren dat het spierstelsel een ‘neerslag is van inspiraties’ (zie SLEEP - hoofdstuk 7), en dat in het spierstelsel de beelden van ons karma verborgen liggen. We kunnen ons inleven in de problemen die de incarnerende ziel ondervindt als gevolg van de discrepantie tussen de uiterlijke omgeving en de beelden van de eigen karmische verantwoordelijkheden. De ziel reageert hierop in innerlijke diepten en drukt deze reacties af in de fysieke basis van zijn wezen. Veel kinderen spiegelen de schaduwkanten van ons moderne materialisme. Wanneer je hen bijvoorbeeld vraagt om op de grond te gaan liggen, installeren sommigen zich met hun handen achter hun hoofd gevouwen en de voeten open “op 10 voor 2”. Dit gebaar zou kunnen betekenen: Het beheersen van de aarde betekent bevrediging van begeerten, die in de gewaarwoordigsziel zijn geplant; werk is alleen nodig om het gemakkelijker te krijgen. Deze houding, die in onze instincten werkzaam is, wordt herkent en geëxploiteerd door de commercie met luxe aanbiedingen, gratis cadeaus, loterijen, allemaal tegemoetkomend aan de wens iets voor niets te krijgen. Andere kinderen vertonen gebaren van wanhoop of agressie. Een kind bleef op zijn ellebogen kruipen, het hoofd met de kin in de handen. Anderen kropen met gebalde vuisten, witte vingerknokkels of met de armen over elkaar. (Let op: deze gebaren worden zichtbaar bij het kruipen met de onderarmen op de grond. (zie ‘De Extra Les’ blz. 130). Wanneer we zulke bewegingen leren zien, ontwaakt onze blik steeds verder voor dat wat het kind ons toont.
De Koperen Bal Oefening (zie ‘De Extra Les’ blz. 142) laat de spanning zien de tussen strekkende spieren en de optillende spieren. De kinderen kunnen hun armen niet echt recht maken en uiteindelijk trekken de armen zich in een vreemde houding. De eerste twee gedeeltes van de oefening eindigen ermee dat de armen in het euritmische A-gebaar liggen. Soms komt het voor dat de armen van een kind zo verward zijn dat bewegend boven het lichaam het E-gebaar wordt gemaakt, of dat er een euritmisch P-gebaar wordt gemaakt wanneer het kind beweegt (de polsen buigen boven het hoofd naar binnen richting de schedel). Bij weer andere kinderen zien we dat de mond een of meer klinkers vormt wanneer zij worstelen met de ingeslepen innerlijke bewegingstendensen, die de ziel niet toestaan zijn eigen werkelijke klanken te uiten. Er zijn kinderen die zo stijf zijn dat hun kaken draaiende bewegingen maken; ander snurkten zelfs. Eigenlijk pas wanneer het kind begint te geeuwen, iets wat therapeuten goed herkennen, kunnen we er pas vanuit gaan dat de oefening de regionen bereikt waar de problemen liggen. Dat kan de ene keer vlug zijn, in het andere geval duurt het maanden. De tijd die deze oefening neemt is uiteindelijk 15 tot 20 minuten. De oplettende leraar wordt gevoelig voor het moment waarop het kind een nieuw gedeelte van zijn bewegingssysteem bereikt en dat de oefening dan zijn werk heeft gedaan voor die week. Bovenzinnelijke stromingen (zie SLEEP - hoofdstuk 4) zijn vrijgemaakt. Er ontstaan bevrijding en nieuwe mogelijkheden voor het kind. De bevestiging hiervan vinden we in de kleuren die het kind kiest bij ‘De Bewegende Rechte Lijn en Lemniscaatoefening’, de vormteken-oefening die op de Koperen Bal oefening volgt. (zie ‘De Extra Les’ blz. 167). Dit is een vormtekening waarbij een grote lemniscaat met de ene hand wordt getekend en tegelijk een rechte lijn met de andere hand, in een voortdurende beweging totdat een bevredigend ritme is opgebouwd. Hierbij objectiveren we de innerlijke ervaringen opgedaan tijdens de Koperen Bal Oefening door kleur en bewegingen, die de wil van het Ik aanzetten om volledig het lichamelijk voertuig te doordringen. Deze laatste oefening is de noodzakelijke afsluiting van de Koperen Bal Oefening.


(Wordt vervolgd)