zondag 11 december 2011

De Wereld van de Zintuigen en de Wereld van de Geest - 1

Rudolf Steiners voordrachten uit oktober 1909 vormden een belangrijke inspiratiebron voor Audrey McAllen bij de ontwikkeling van het concept The Extra Lesson. Maar Audrey putte uit Steiners pedagogische voordrachten en vele van de algemeen antroposofische voordrachten, echter niet uit de Heilpedagogische Cursus en de medische voordrachten, iets wat zij herhaaldelijk benadrukte. The Extra Lesson is een pedagogisch concept, geen medisch of heilpedagogisch concept.

Een belangrijk inzicht dat Audrey toegankelijk maakte voor het pedagogische werk is dat men moet leren onderscheiden datgene wat in de mens individueel is en dus samenhangt met het persoonlijke lot door de verschillende aarde-incarnaties heen, en datgene in de mens dat een universeel karakter heeft, dat algemeen menselijk is en daarom niet afhankelijk van het individuele lot, maar van het lot van de gehele mensheid en de cultuurontwikkeling.
Zo kwam zij tot het concept van het structurele fysieke lichaam en het constitutionele fysieke lichaam van de mens. Het structurele aspect bestaat uit beenderen (skelet), spieren en zenuwen (+ hersenen), de constitutionele kant van het fysieke lichaam behelst de waarnemende activiteit in de zintuigen, de afscheidingsprocessen in de verschillende klieren in het lichaam, en de gehele stofwisseling. In de constitutie drukt zich de ontwikkeling van de persoonlijkheid zich uit met zijn denken, voelen en wilsintenties. De senso-motorische ontwikkeling is daarentegen gebaseerd wetmatigheden die voor alle mensen geldend zijn. Beide aspecten van de fysieke ontwikkeling behoren bij elkaar als de twee Maagdenburger Halve Bollen.
Audrey beschrijft deze visie in hoofdstuk 3 van haar boekje ‘SLEEP’
(zie hier), maar ook in haar voordrachten sprak zij hier regelmatig over o.a. in Brugge (zie hier).


Rudolf Steiner - een bordtekening uit 1923: Geesten van de Vorm

Hieronder volgt een gedeelte uit een voordracht van Rudolf Steiner, die voor Audrey een sleutel was tot de ontwikkeling van dit inzicht.

De Wereld van de Zintuigen en de Wereld van de Geest
(GA 134)

4e voordracht - Hannover, 30 december 1911

Hoe zou de mens zijn als hij paradijselijk was gebleven? Daarvan nu, dus van wat er geworden was van de mens als de luciferische invloed er niet was geweest, daarvan wil ik nu een vluchtige schets geven. Was deze invloed er namelijk niet geweest, dan zou er vooralsnog in de menselijke evolutie op aarde datgene geweest zijn wat van de invloed van de Geesten van de Vorm afkomstig is. Want de Geesten van de Vorm (Exousiai, ook wel Openbaarders, Machten, Elohim genoemd) waren de laatste wezens van de hogere hiërarchieën die op de mens hebben ingewerkt. Deze Geesten van de Vorm hebben slechts een zuiver bovenzinnelijke vorm geschapen en voorlopig niets ruimtelijks. Wat er toen ontstaan zou zijn - laat u het mij slechts even oppervlakkig aanvoeren - dat zou namelijk geen uiterlijk oog kunnen zien, zouden geen uiterlijke zintuigen kunnen waarnemen. Want pure zielevormen kunnen niet door uiterlijke zintuigen worden waargenomen. Wat daar ontstaan was zou samenvallen met wat beschreven staat in mijn boek ’De weg tot inzicht in hogere werelden' door wat gegeven is in de imaginatieve kennis. Imaginatie zou het zijn wat de Geesten van de Vorm vooralsnog geschapen hadden. Dus niets zintuiglijks, maar bovenzinnelijke imaginatie.

Laten we datgene wat er ongeveer zou zijn ontstaan eens heel schematisch nemen; we zouden dan een imaginatief beeld hebben van wat de Geesten van de Vorm als imaginatie van de mens geschapen hebben, en dat zou vooralsnog doortrokken zijn van dat wat voor de mensen overgebleven is uit de eerdere scheppingen van vroegere hiërarchieën. Zodoende zou dit doortrokken zijn van wat voor de mensen overgebleven was aan innerlijke beweging door de Geesten van de Beweging (Dynameis - Krachten). En het zou ons tegemoetkomen als wat we beschreven hebben in ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ als door geïnspireerde kennis gegeven, want deze bewegingen zouden alleen als inspiratie herkenbaar zijn. Dat wil zeggen, de hele mens zou uit imaginatie bestaan, en vervolgens zou dat andere aan de dag treden wat beweging is, de inspiratie.

En wat de Geesten van de Wijsheid (Kyriotetes - Heerschappijen) geven, dat zou intuïtie zijn. Dat zouden dus wezenlijke, innerlijke inhouden zijn, waarmee dat alles op de een of andere manier nog zou zijn opgevuld. We zouden hierin intuïtie moeten plaatsen, dat wil ronduit zeggen wezens. En dat geheel zouden we dan aantreffen als voortkomend uit de kosmos, als met een aura ei omhuld. Het zou het resultaat zijn van de Geesten van de Wil (Tronen).


Dat zou de bovenzinnelijke natuur van de mens zijn, die zou bestaan uit inhouden die slechts voor een louter bovenzinnelijk inzicht toegankelijk zouden zijn. Hoe fantastisch dat er ook moge uitzien, het is de werkelijke mens. Het is, als we het zo mogen uitdrukken, symbolisch: de paradijselijke mens, die niet bestaat uit de materie waaruit hij tegenwoordig bestaat, maar die zeer zeker een bovenzinnelijk wezen heeft.

En wat is er nu gebeurd door de luciferische invloed? Door de luciferische invloed zijn die imaginaties als het ware ingespoten met uiteengevallen geest, met stukgebarsten geest, dat wil zeggen met materie. En wat daaruit geworden is, dat staat hier tegenwoordig als het menselijk beenderstelsel.
Het beenderstelsel is de geïmagineerde mens opgevuld met materie. Tot de eigenlijke hogere mens behoort de materie echter niet; nee, die is door de luciferische invloed naar binnen geschoten in datgene wat anders slechts imaginatief zou zijn. Terwijl je anders dus gemakkelijk door een mens heen zou kunnen lopen (als dat geen onzin was), zijn deze imaginaties eerst samengetrokken en vervolgens bovendien nog opgevuld met beendermaterie. Nu stoot je je aan de beenderen als je door de mens heen zou willen lopen. Hij is ondoordringbaar geworden.

Dat wat afkomstig is (als inspiratie) van de Geesten van de Beweging is opgevuld met spiermaterie, en datgene wat als intuïtie (van de Geesten der Wijsheid) waar te nemen was, dat is opgevuld met zenuwmaterie.
[…]

U ziet, de mens is eigenlijk een in hoge mate vergrofd wezen. Want zou hij geworden zijn wat hij volgens de oorspronkelijke bedoelingen en opvattingen van de goden had moeten worden, dan zou hij geen beenderen hebben, maar zijn vorm zou bestaan uit bovenzinnelijke, geïmagineerde beenderen; hij zou geen spieren hebben als bewegingsapparaten, maar hij zou bovenzinnelijke substantie hebben die zich in hem bewoog, terwijl nu dat wat zich daar beweegt doorspekt is met spiersubstantie. Wat de Geesten van de Beweging als bovenzinnelijke beweging hebben gegeven, is tot fysieke beweging in de spieren geworden, en wat de Geesten van de Wijsheid als intuïtie hebben gegeven, is bij de zintuiglijke mens datgene geworden wat als zenuwmaterie de intuïtie naar binnen toe heeft opgevuld.

Als u dus in anatomieboeken het beenderstelsel getekend ziet, dan kunt u denken: dat zou oorspronkelijk een zuivere imaginatie zijn, maar het is door de luciferische en ahrimanische invloed zo vergrofd dat dit je tegenwoordig in de dichte, dikke, breekbare, harde beenderen tegemoet treedt. Zo vast zijn daar de imaginaties geworden. En nu zegt u nog dat de mens in de fysieke wereld geen afspiegeling van de imaginatieve wereld kan vinden! Hij die weet dat deze beendermens een afbeelding van is van iets imaginatiefs, die vindt wanneer hij een beendermens bekijkt, absoluut een beeld van de imaginatieve wereld.

Als u de spiermens ziet afgebeeld, dan moet u eigenlijk zeggen: dat is een zeer onnatuurlijke schepping, dat is eigenlijk innerlijk geheel onecht. Want ten eerste zie ik hem gevormd, maar ik zou hem geestelijk moeten kunnen horen. In werkelijkheid gaat het er namelijk om dat bovenzinnelijke ritmische beweging gevuld is met spiermaterie en dat die hoort weg te gaan; wat er overblijft moet niet gezien worden, maar als de trillende bewegingen van muziek gehoord worden. Inspiraties zou u eigenlijk moeten horen. Datgene wat u als spiermens afgebeeld ziet, zijn de door de stof gefixeerde inspiraties van de mens.

En de zenuwmens, die zou u noch moeten kunnen zien noch horen, maar slechts volkomen geestelijk waarnemen. Het is voor een kosmische wereldbeschouwing volkomen misplaatst dat men hetgeen men in de meest pure geestelijke hoedanigheid zou moeten bevatten, een in de werkelijkheid met fysieke materie ingespoten geestelijk omhulsel is, en dat men dit zichtbaar voor zich ziet, terwijl het eigenlijk iets is wat slechts als intuïtie waargenomen zou moeten worden.

Deze uittocht uit het Paradijs wil absoluut zeggen dat de mens oorspronkelijk in de geestelijke wereld, dat wil zeggen in het Paradijs was, en toen bestond uit imaginatie, inspiratie en intuïtie. Dat wil zeggen dat hij in een geheel en al bovenaards bestaan was. Vervolgens werd hij door wat hij in zichzelf aangericht had door de luciferische invloed, zodanig behandeld dat hij als het ware ingespoten is met dat wat ontstaan is door stukgebarsten geest, door materie. Die materie is dus iets waarmee wij in wezen opgevuld zijn, maar wat niet bij ons hoort. We dragen deze materie in ons, en omdat we deze in ons dragen moeten we fysiek sterven. Dat is feitelijk de achtergrond van de fysieke dood, en van nog veel andere zaken. Want terwijl de mens om zo te zeggen zijn geestelijke toestand verlaten heeft, leeft hij hier in het fysieke bestaan slechts zo lang tot de materie datgene overwint wat haar bij elkaar houdt. Immers, in feite wil ze voortdurend stukbarsten, en de materie in de beenderen wordt alleen door de kracht van de imaginatie bij elkaar gehouden. Als deze materie de overhand krijgt over de kracht van de beenderen, dan worden de beenderen niet meer levensvatbaar. Net zo is het bij de spieren en zenuwen. Zodra de materie in de beenderen, spieren en zenuwen de overhand krijgt over de imaginatie, inspiratie en intuïtie en stukbarsten kan, moet de mens zijn fysieke lichaam afleggen. Hier heeft u de samenhang tussen de fysieke dood en de luciferische invloed, en we zullen morgen moeten uitwerken hoe ook het kwaad en andere zaken zoals ziekten enzovoort in de wereld zijn gekomen.

De vertaling van deze cyclus is uitgegeven door uitgeverij Pentagon

vrijdag 4 november 2011

Rudolf Steiner over rekenen / wiskunde II

Voor deel I: klik hier


Met mathematische waarheden is het anders gesteld dan met de waarheden, die men kent via uiterlijke waarnemingen.

We zien dat de zon opgaat, maar door deze waarneming hebben we nog niet het recht om te beweren, dat de zon morgen ook zal opgaan. Uit het feit, dat de zon tot nu toe steeds is opgegaan, maken we de gevolgtrekking, dat dat morgen ook zo zal zijn. – Zo is het gesteld met de waarheden, die wij aan de uiterlijke waarneming ontlenen. Maar dit is bijvoorbeeld niet het geval ten opzichte van de mathematische waarheden. Als wij die in één keer hebben begrepen dan weten we, dat ze ook voor de hele verdere toekomst zullen gelden. Wie weet en kan bewijzen dat het kwadraat van de hypotenusa van een rechthoekige driehoek gelijk is aan de som van de kwadraten van de rechthoekszijden (a2 + b2 = c2), die weet dat hij nooit een rechthoekige driehoek zal kunnen tekenen waarvoor dat niet geldt.
Met deze mathematische waarheden is het anders gesteld dan met de waarheden, die men kent door de uiterlijke waarnemingen. Men weet dit, maar men is niet in staat, met de middelen van het huidige onderzoek de oorzaak hiervan in te zien. De oorzaak ligt in het feit, dat de mathematische waarheden uit het diepste innerlijk van de mens opwellen, dat ze voortkomen uit de onderste laag van het bewustzijn van de mens en dat ze, zonder dat de mens het merkt, omhoog wellen naar de bovenste laag van het bewustzijn, waar de mens ze dan innerlijk ziet.

==========
I. voorstellingsleven – wakker bewustzijn – hoofd
II. gevoelsleven – dromend bewustzijn – ritmische systeem (ademhaling/bloedsomloop)
III. wilsleven – slapend bewustzijn – ledenmaten/stofwisseling
==========

Doordat wij zelf mathematisch in de wereld staan, bezitten wij de mathematische waarheden. Wanneer wij lopen of staan enzovoort beschrijven we namelijk lijnen. Door deze verhouding tot de buitenwereld verwerven we eigenlijk het innerlijke schouwen van de mathematiek. Daar beneden in het slapende bewustzijn (in de bewegende ledematen = wil) ontstaat de mathematiek en deze duikt dan boven op.
In feite hebben we dus van een deel van dit lagere bewustzijn heel duidelijke voorstellingen, hoewel de oorsprong ervan voor het gewone bewustzijn verborgen blijft. In de middelste laag (het voelen) is het bewustzijn dromend en duister. Wij zijn helder bewust in de bovenste laag, waar het gewone dagbewustzijn leeft in het voorstellingsleven, en in datgene wat naar boven komt vanuit de onderste laag van het bewustzijn. [...]

Het is de intellectuele cultuur, die heel duidelijk in ons hoofd zetelt en die doordrongen is van een algemeen geldende wijsheid, wat echter een luciferisch element in ons is.
En wat daaronder (in de slapende wil) ligt, wat in ons mensenwezen naar boven komt, dat is zuiver een ahrimanisch element. [...]

Het is niet voldoende, dat we weten of iets juist is. Wij weten dat de dingen die we met ons hoofd begrijpen juist zijn, maar dat is een geschenk van het lucifereische element. En we weten dat de mathematiek op waarheid berust, maar deze waarheid die ons in zijn macht heeft, danken we aan Ahriman die in ons woont. [...]

Het zieleleven van ons mensen is werkelijk de balans, waarmee we het evenwicht moeten zoeken tussen het luciferische element aan de ene kant en het ahrimanische element aan de andere kant. Het luciferische element ligt alleen in de helderheid van ons hoofd en het ahrimanische element ligt beneden in de wijsheid die ons willen doordringt.
uit: Rudolf Steiner Michaël – De opdracht van Michaël als leidende geest van onze tijd (GA 194) - 4e voordracht, Dornach 28-11-1919


We tellen in werkelijkheid namelijk onderbewust met de vingers.

De mens gelooft gewoonlijk dat hijzelf de getallen heeft uitgedacht, doordat hij steeds het ene bij het andere voegde. Maar dat is helemaal niet waar, het hoofd telt helemaal niet. Men gelooft in het gewoonlijke leven niet wat voor een merkwaardig nutteloos orgaan het menselijk hoofd eigenlijk is voor het aardeleven. Het is er voor de schoonheid, echt hoor, omdat het aangezicht de andere mensen bevalt. Het heeft nog allerlei andere deugden maar voor geestelijke activiteiten is het helemaal niet zo sterk, want hetgeen het mentaal in zich heeft, altijd terug leidt naar het vorige leven op aarde, het is het omgevormde vorige leven op aarde. En een echte zin een hoofd te hebben heeft het voor mensen alleen, wanneer hij iets weet van zijn vroegere aardeleven. Al het andere komt niet uit het hoofd. We tellen in werkelijkheid namelijk onderbewust met de vingers. In werkelijkheid rekenen we op de vingers van 1 tot 10 en bij 11, 12, 13, 14 tellen we verder met de tenen. Dat weet je niet, maar dat doe je als je tot 20 telt. En hetgeen het lichaam op deze manier doet, spiegelt zich in het hoofd. Het hoofd van de mens is in werkelijkheid slechts een spiegelapparaat voor hetgeen het lichaam doet. Het lichaam denkt en telt; het hoofd is slechts de toeschouwer.
Het hoofd lijkt op een vreemde manier op iets anders. Wanneer je hier een auto hebt (Rudolf Steiner tekent op het bord) en je zit lekker achterin, dan doe je eigenlijk niets. De bestuurder moet hard werken. Je zit en je wordt door de wereld rondgereden. Zo is het ook met het hoofd; dat werkt niet hard, dat zit eenvoudigweg op het lichaam en laat zich rustig door de wereld dragen en kijkt alleen maar naar alles. Dat wat gebeurt in het geestelijke leven, dat wordt allemaal vanuit het lichaam gedaan. Gemathematiseerd wordt er van uit met lichaam, gedacht wordt er ook vanuit het lichaam, gevoelt ook. – De telraampjes brengen je op het verkeerde idee dat de mens met zijn hoofd rekent. Dan leert men kinderen rekenen met een telraam, dat wil zeggen dat men in het hoofd spanning brengt en het hoofd brengt dan in het lichaam spanning, want rekenen doen we met het lichaam. Men houdt niet in de gate dat het lichaam moet rekenen. Dat is belangrijk. Daarom ook is het belangrijk dat met het kind met de vingers en ook met de tenen laat tellen, zoals het overigens ook heel goed zou zijn, de kinderen op zoveel mogelijke manieren behendig te maken. Er bestaat bijvoorbeeld niets beters in het leven, dan dat je de mens handig maakt. Dat kan niet alleen door sport, die maakt eigenlijk niet behendig. Maar men maakt iemand behendig door bijvoorbeeld iemand een potlood tussen de grote en de volgende teen te laten houden en hem dan daarmee cijfers met zijn voet te laten schrijven. Dit is wellicht iets wat betekenis kan hebben, omdat de mens in waarheid in zijn hele lichaam van ziel doordrongen is, van geest doordrongen is. Het hoofd is de op de achterbank leunende passagier die niets doet, terwijl het lichaam ondertussen de chauffeur is die alles moet doen. En zo moeten we proberen vanuit verschillende richtingen op te bouwen, wat het kind als getallen zal moeten leren.[...]

Er hangt veel vanaf dat we het rekenen zo leren als hier is beschreven, opdat de mens ook op oudere leeftijd nog beweeglijk en behendig blijft. Wanneer u met het menselijke lichaam leert tellen, zoals ik heb beschreven 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en dan verder met de tenen - ja het zou heel goed zijn de kinderen werkelijk met de vingers en de tenen te laten tellen, niet met een telraam – wanneer u dat de kinderen leert, dan zult u zien, dat door dit kinderlijke mediteren – want wanneer men met zijn vingers telt en wanneer men de tenen telt, dan moet men ook aan de vingers en tenen denken en dat is een mediteren over het eigen lichaam, welliswaar een gezond mediteren – dan brengt u leven in het lichaam binnen. Daardoor zal men ook op hogere leeftijd behendiger zijn met de ledematen, omdat u met het hele organisme tellen hebt geleerd.

uit: Rudolf Steiner Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
(GA 311) 5e voordracht - Torquay, 16 augustus 1924

maandag 3 oktober 2011

met de voeten schrijven

De vaardigheid van het schrijven bij brengen is een opgave in de eerste leerjaren (klas 1 en 2). De vrijeschool-pedagogie, die vooral juist ten eerste de wil van de kinderen wil aanspreken, gaat er vanuit dat het lezen vanuit het schrijven moet worden ontwikkeld. Rudolf Steiner zei in 1921 tegen een groep jongeren met daaronder ook enkele leraren van de eerste Waldorfschool in Stuttgart:

Onder de vele kritische opmerkingen, die tegen de Waldorfschool worden geuit, luidt er een, dat bij ons sommige kinderen met negen jaar nog niet perfect kunnen lezen en schrijven. Daar is niets tegen in te brengen, want het klopt, ze kunnen het inderdaad niet. Maar wijzelf hebben ook helemaal niet het doel dat de kinderen met acht, negen jaar vlekkeloos kunnen lezen en schrijven, omdat het voor degene, die de natuur van de mens werkelijk kent, duidelijk is dat de vaardigheid op de manier zoals die op de tegenwoordige scholen wordt ontwikkeld, de mens tot een halve denk-automaat maakt. In plaats van kinderen zo maar letters te laten overschrijven, laten wij de kinderen met kleuren aan de slag gaan. Doordat zij daarbij leren iets te ervaren, behouden zij dat voor het leven van hun ziel, omdat die anders zal verdorren.
Uit: Aus den Inhalten der esoterischen Stunden, III (GA 266c)
Stuttgart, 5 oktober 1922


Anders dan in Steiners tijd, hebben we heden tegenwoordig vaker te maken met een vertraagde bewegingsontwikkeling bij kinderen en deze senso-motorische problematiek wordt natuurlijk ook bij het schrijven zichtbaar. Enige tijd geleden is op deze blog een nieuwe serie voorbereidende schrijfoefeningen gepubliceerd. Het is de moeite waard om dit met een klas, of met een leerling in een één-op-één-situatie te oefenen. (klik hier).
Een advies dat Rudolf Steiner geeft is de kinderen te laten oefenen in het schrijven met de voet. De foto’s in deze bijdrage zijn gemaakt in de eerste schoolweken in een derde klas (groep 5). In die klas kunnen de kinderen leren met hun voet verbonden schrift te schrijven. Men kan al vanaf klas 1 eenvoudige geometrische vormen en lettervormen laten tekenen. Wanneer men dit vanaf klas 1 (groep 3) van tijd tot tijd met de kinderen oefent, dan zijn zij in staat om in de derde klas met de voet aan elkaar te schrijven.
Maar eerst wijst Rudolf Steiner er op hoe enorm belangrijk het tekenend/schilderend schrijven is en dat men met de ogen kijkt naar en volgt wat men doet:

Je moet eigenlijk mensen leren schrijven op een zelfde manier als het schilderen. Het is veel hygiënischer, veel gezonder. Als men zo schrijft dat men tegelijkertijd de ogen op het werk gericht houdt en er esthetisch plezier aan beleeft met heel zijn persoon, wanneer men dus zo schilderend schrijft, dan wordt het mechanische element in het bewegen verder in het lichaam teruggedrongen. Niet de losse pols schrijft dan, maar men schrijft meer vanuit het innerlijk van het lichaam. En dat is zeer belangrijk omdat het mechanische aspect dan veel meer wordt weggeleid van de periferie terug naar de hele mens. U zult ook zien: als het lukt, iemand dit schilderend schrijven goed bij te brengen, dat hij tenslotte ook leert om goed met de voet schrijven. Het zou een overwinning zijn als we een kind zover zouden kunnen krijgen dat het een potlood tussen de grote teen en de volgende teen kan houden en dan mooie letters zou kunnen vormen. Ik bedoel niet dat het kunstmatig moet worden getraind, maar het gaat erom de mechanische activiteiten te verleggen naar de gehele mens.

U zult het met me eens zijn dat mensen die, wanneer er bijvoorbeeld iets van de wastafel valt en wat zij dan niet met de tenen kunnen oppakken, inderdaad buitengewoon onbeholpen zijn. Een mens zou dat op zijn minst toch moeten kunnen. Het lijkt belachelijk dat zo te zeggen, maar u zult begrijpen dat het op iets belangrijks wijst. Men zou dus het schilderend schrijven moeten beoefenen, want aan de ene kant wordt daardoor de eigenlijke mechanische activiteit in het lichaam teruggeduwd, en aan de andere kant wordt de verbinding van de mens met wat hij schrijft omhoog gehaald. De mens wordt daarmee ingevoegd in zijn omgeving. Men moet zich echt aanwennen om alles wat men doet met de ogen te volgen, niets alleen maar gedachteloos te doen maar het te zien; en meestal wordt er geschreven zonder erbij na te denken.
Het schrijven wordt op die manier een veelzijdige activiteiten, maar juist daardoor zullen we in staat zijn om het te beschouwen als iets dat van grote betekenis is in het onderwijs. Bij het rekenen staat het echte schrijven niet zo op de voorgrond, omdat de mens dan te veel in beslag genomen wordt door de intellectuele arbeid, dan treedt het schrijfwerk meer of minder naar de achtergrond.

Uit: Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung (GA 302) voordracht van 15 juni 1921


Lori Maier Schmits was een meisje dat bij Rudolf Steiner kwam met de vraag naar een vernieuwing van de danskunst. Daarmee ontstond de euritmie. Steiner gaf haar vele aanwijzingen, waaronder: En dan moet u leren met de voeten te schrijven. Daardoor krijgt men namelijk een zeer fijne gevoeligheid in de voeten en leert men intieme, gedifferentieerde voetbewegingen te maken.
Uit: Wir erlebten Rudolf Steiner –Erinnerungen seiner Schüler


Men kan zich voorstellen dat men bij het schrijven met de voet iets vanuit het verstand, vanuit het denken (de letter) met wilskracht tot diep in het lichaam moet brengen, naar de voet. Wanneer men dit als volwassene oefent kan men werkelijk ook meer begrip krijgen voor hoe moeilijk het kan zijn voor de eersteklasser om zich deze vaardigheid eigen te maken. De ledematen gehoorzamen namelijk niet altijd direct op wat het hoofd zou willen.
Bij een van zijn bezoeken aan de eerste Waldorfschool rapporteerde Steiner in de lerarenvergadering:

Dan hebben we het schrijven. Er zijn sommige kinderen die heel slecht schrijven en er zijn een heleboel, die uitstekend schrijven. De kinderen zullen er niet veel aan hebben, als je alleen maar probeert het handschrift te verbeteren door het schrijven te oefenen. Maak de vingers behendiger! Dan leren ze beter schrijven.
Ik geloof niet, dat je een slecht handschrift beter krijgt door je in te spannen om het schrijven te verbeteren. Je moet je inspannen de kinderen in het tekenen van vormen bedreven te maken. Als ze piano zouden kunnen spelen, zouden ze beter leren schrijven. Het is zeker een waarheid als een koe dat dit verslechteren van het handschrift nu optreedt, in een tijd waarin het speelgoed van de kinderen zijn zo extreem materialistisch is geworden. Het is ronduit schandalig dat een groot deel van het speelgoed uit bouwdozen bestaat. Dat is geen speelgoed, want het is atomistisch. Als het kind bijvoorbeeld een eenvoudige smidse krijgt, dan moet een kind dat leren gebruiken. Ik wil graag een kind een stuk speelgoed geven dat kan bewegen. Dat staat ook in ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. Het speelgoed is vandaag de dag verschrikkelijk slecht, waardoor de kinderen geen vingerbehendigheid meer ontwikkelen en waardoor ze dan moeizaam schrijven.

Het zou zelfs voldoende zijn wanneer deze kinderen, die met de hand slecht schrijven, om die zeer eenvoudige vormen met hun voeten te laten tekenen. Dit heeft zijn weerslag op de hand. Teken kleine cirkels met je voeten. Halve cirkels, driehoeken. Dat krijgen ze een potlood tussen de grote teen en de volgende en ze maken dan cirkels. Het is niet makkelijk om te doen, maar het gaat en het is zeer interessant. Buiten in het zand, zou ik ze figuren laten tekenen met de met een stok tussen de tenen. Dat werkt ongelooflijk sterk terug op de hand. Of laat een kind iets oppakken met de voet, een zakdoek met de voet oppakken in plaats van met de hand. Ik zeg niet dat ze moeten eten met hun voeten want je moet het nu ook weer niet overdrijven, begrijpt u wel. Men moet proberen niet direct te werken op het verbeteren van het schrijven, maar vaardigheid ontwikkelen, om de kinderen bedreven te maken in het tekenen van vormen, een ingewikkelde vorm symmetrisch uit te werken.

Uit: Konferenze mit dem Lehrern (GA 300a) 14 juni 1920)

hier is zichtbaar hoe de activiteit met de voet terugwerkt op de hand

Uit een voordracht die Steiner in Nederland heeft gehouden:

Dit zijn de dingen die men weer moet leren begrijpen. Men moet weten dat een jochie vaak veel beter inzicht heeft in het verschil tussen een stompe en een scherpe hoek, zelfs als ik die nog zovaak en veel op het bord teken. We moeten weten dat we, veel beter dan door begripsmatige uitleg, inzicht in de wereld ontwikkelen, wanneer we de kinderen leren om een potlood tussen de grote teen en de volgende vast te houden en daarmee ook nog goed gevormde letters te maken. Dat wil zeggen dat vanuit het hele lichaam het geestelijke van de mens vloeit. In de Griekse cultuur lette men erop hoe een kind leerde om zich te bewegen, hoe het leerde om warmte en koud te verdragen, hoe het leerde zich in te passen in de lichamelijke wereld. Want men had het idee dat uit een goed ontwikkelde lichamelijkheid ook het geestelijk-zielsmatige zich goed zou ontwikkelen. De Griek, die was opgevoed als een gymnast, doordrong met zijn wezen de gehele mens en de andere vaardigheden konden zich daaruit ontwikkelen.

Uit: Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik (GA 310),
9e voordracht - Arnhem, 24 juli 1924


In de 'Heilpedagogische Cursus' bespreekt Rudolf Steiner een oudere jongen, pupil in een van de instituten. Wat hij hierover zei, werpt een nog duidelijker licht op het menskundig aspect van zo’n ogenschijnlijk simpele oefening als het schrijven met de voeten. Ook voor gewone schoolkinderen kan van toepassing zijn, wat hij hier zegt:

Nu, u hebt gezien dat de jongen het vraagstuk kon oplossen. Maar dat kon hij niet ineens. Heel verheugd kwam hij met de oplossing terug, nadat ik hem had gezegd dat hij er anderhalf uur over mocht doen. Hij had dus anderhalf uur de tijd gehad, en hij was heel verheugd dat hij het vraagstuk had opgelost. U hebt daarbij heel duidelijk gezien, de jongen kon het. Alle delen van zijn organisme hadden aan de zaak deelgehad. Hij heeft alleen veel meer tijd nodig om de zaak ten uitvoer te brengen. Dat wil zeggen dat zijn etherlichaam en fysieke lichaam onmiddellijk weerstand bieden, zij ontplooien niet hun functies, ofschoon de mogelijkheden tot die functies aanwezig zijn.

Nu is het met hem zo gesteld dat de jongen, als men nagaat hoe het met zijn belangstelling staat, de interesses in ieder geval zo zijn dat zij in de organisatie van zijn hoofd blijven steken. Ze kunnen niet tot in de overige organisatie naar beneden doordringen. [...]

Op het moment dat iets hem interesseert is hij er helemaal bij. Maar als hij dat helemaal tot in zijn stofwisselings-ledenmatenstelsel moet laten doordringen dan sputteren zijn etherlichaam en fysiek lichaam heel erg tegen. En juist hierbij is het nodig op deze leeftijd, hoewel het moeilijker is dan op jongere leeftijd, met een pedagogisch-therapeutische maatregel in te grijpen, wat verijst dat u die dingen die hij met belangstelling volgt, als uitgangspunt neemt. Dat u hiervan uitgaande verder gaat om zijn interessekring naar alle kanten te verwijden. [...]


In eerste instantie is het voor hem moeilijk de weg van de organisatie van het hoofd uit naar het stofwisselingorganisme te gaan – en zoals u van mij gehoord hebt, nog verder naar de buitenwereld toe. Want hij heeft daarvoor geen perceptievermogen. Ook niet in die subtiele mate die bij een normaal mens aanwezig is. Bemerkt hij daarentegen de vaardigheid van zijn eigen ledenmaten, dan zal hij daaraan veel vreugde beleven. U moet hem dus dingen laten doen, waarbij hij de vaardigheid van zijn eigen ledematen ziet. Dat zal vooral kunnen worden gestimuleerd door hem heileuritmie-oefeningen met zijn handen en benen te laten doen. Maar u moet daarbij op een heel energieke wijze zijn vingers en tenen tot beweeglijkheid brengen, en u moet hem daarbij de blik op dat hele bewegingsproces van zijn ledematen laten richten; hij moet dus zichzelf daarbij observeren.

Het is goed voor zulke kinderen, die reeds vroegtijdig laten blijken dat zij wat hun hoofd uitdenkt niet in het organisme laten afdalen – bij deze jongen is het al te laat, maar u kunt immers telkens weer zulke kinderen in behandeling krijgen – voor hen is het heel goed, van hen proberen gedaan te krijgen dat zij om te beginnen met hun hoofd hun voeten bereiken. Als u dat bij uzelf probeert zult u zien dat dat een moeilijke procedure is. Maar het is goed zulke kinderen die het in dit opzicht moeilijk hebben er toe te brengen, dat zij hun eigen tenen kunnen kussen. Verder is het ook goed – en dat zal steeds zijn uitwerking hebben, het zal zelfs voor deze jongen bijzonder heilzaam kunnen zijn – dat men zulke kinderen er toe aanzet, dat zij tussen hun grote teen en hun tweede teen een potlood vasthouden en op die manier lettervormen natekenen. En dat zij er dan vreugde aan beleven hoe ze met hun voeten leren schrijven.

Uit: Genezend opvoeden - Heilpedagogische Cursus (GA 317),
10e voordracht – Dornach, 5 juli 1924

zondag 11 september 2011

Rudolf Steiner over rekenen / wiskunde

Welk vermogen ontplooien we eigenlijk als we wiskundig denken?
Laten we deze vraag eens stellen. Als we deze vraag willen beantwoorden, moeten we geloof ik een zaak heel goed begrijpen. Die zaak bestaat er enerzijds uit, dat we ook aangaande het leven van de mens het begrip 'wording' serieus moeten nemen, dat wil zeggen dat we uit moeten gaan van de gedisciplineerdheid in de moderne natuurwetenschap, onszelf met behulp daarvan moeten ontwikkelen, en wat we ons daardoor aan strenge methode en aan wetenschappelijke discipline eigen hebben gemaakt, moeten we boven de natuurwetenschap zelf uit zien te brengen, zodat we hogere gebieden betreden met dezelfde houding die we in de natuurwetenschap aan de dag leggen, maar dan toegepast op heel andere gebieden. Ik geloof daarom ook niet en ik zeg dit onomwonden dat iemand werkelijk geesteswetenschappelijk inzicht kan bereiken, die niet in de strikte zin van het woord over een natuurwetenschappelijke scholing beschikt of die geen onderzoek heeft leren doen en heeft leren denken in de laboratoria en via de methode van de moderne natuurwetenschap. De geesteswetenschap heeft al helemaal geen reden om deze moderne natuurwetenschap te onderschatten. Integendeel, ze neemt die volkomen serieus. Het wordt mij door veel mensen nogal kwalijk genomen wanneer ik me deze persoonlijke opmerking mag veroorloven dat ik, voordat ik eigenlijk met iets geesteswetenschappelijks naar buiten trad, juist eerst veel over natuurwetenschappelijke onderwerpen heb geschreven vanuit de invalshoek die mij noodzakelijk voorkwam. Het gaat er dus om dat we ons aan de ene kant de natuurwetenschappelijke instelling eigen maken, zodat die doorwerkt wanneer we over de grenzen van de natuurwetenschap heen komen. En ten tweede moeten we zelfs de kwaliteit van deze natuurwetenschap, respectievelijk de resultaten van deze natuurwetenschap heel serieus nemen.

Ziet u, als we het eenvoudige verschijnsel nemen dat we een voorwerp langs een ander voorwerp wrijven en er ontstaat warmte, dan zeggen we in de natuurwetenschap ten aanzien van een dergelijk deelverschijnsel niet dat deze warmte uit het niets is ontstaan, of dat deze warmte er eenvoudig is, maar we zoeken naar de voorwaarden waaronder deze warmte voordien latent aanwezig was en dan door middel van die voorwerpen te voorschijn komt. We gaan van het ene verschijnsel naar het andere en nemen de wording serieus. Op dezelfde wijze moeten we te werk gaan wanneer we een begrip in de geesteswetenschap willen invoeren. En zo moeten we ons eerst afvragen: is het vermogen van de mens om wiskundig te denken altijd aanwezig in zijn leven tussen geboorte en dood? Nee, het is er niet altijd. Het wiskundig denken ontwaakt. Wel kunnen we heel precies waar nemen en hier blijven we ten opzichte van de uiterlijke wereld ook nog binnen de empirie hoe stap voor stap uit de donkere ondergrond van het menselijke bewustzijn die innerlijke vermogens ontwaken, die zich dan uiten in een wiskundig denken en in daarmee vergelijkbare vormen waarover we hierna nog zullen spreken. Als we dit tijdstip nauwkeurig en goed bekijken en het net zo benaderen als de natuurwetenschap fenomenen als het smeltpunt of het kookpunt benadert, dan valt het ongeveer in de levensfase waarin het kind zijn tanden wisselt, waarin het blijvend gebit in de plaats komt van de melktanden. Een dergelijk tijdstip in de menselijke ontwikkeling moeten we vanuit dezelfde gezindheid beschouwen als waarmee we bijvoorbeeld in de natuurkunde geleerd hebben het smeltpunt of het kookpunt te behandelen. We moeten ons het vermogen eigen maken om in het complexe leven van de mens deze strenge innerlijke discipline in te brengen, die we van eenvoudige natuurkundige verschijnselen, beschouwd vanuit het oogpunt van de moderne wetenschap, kunnen leren. En als we dat doen, zien we dat in de ontwikkeling van de mens vanaf zijn geboorte, of liever gezegd vanaf zijn conceptie, tot aan het moment van de tandenwisseling, vanuit het lichamelijk gestel weliswaar stap voor stap de innerlijke vermogens tot wiskundig denken naar buiten komen, maar die zijn er dan nog niet. En zoals we zeggen dat de warmte die latent aanwezig is in een voorwerp en in bepaalde omstandigheden te voorschijn komt, vroeger al in dit voorwerp, in de innerlijke structuur van dit voorwerp werkzaam was, zo moeten we duidelijk inzien dat het vermogen tot wiskundig denken dat in de tijd van de tandenwisseling bijzonder sterk, maar stap voor stap op een bepaalde andere manier te voorschijn komt, vroeger al in het menselijk organisme werkzaam is geweest. En zo krijgen we een merkwaardig, veelbetekenend begrip van dit wiskundige vermogen, in de breedste zin van het woord natuurlijk. We gaan begrijpen dat wat we als mens na de tandenwisseling als innerlijk vermogen gebruiken, voordien ordenend en vormend in ons heeft gewerkt. Ja, in het kind is ongeveer tot zijn zevende jaar een innerlijk wiskundig vermogen werkzaam, dat hier niet zo abstract is als de uiterlijke variant ervan, maar doortrokken is van kracht en dat, wanneer ik een uitdrukking van Plato mag gebruiken, niet alleen aanschouwd kan worden, maar vol levenskracht werkzaam is. Er leeft tot dit tijdstip iets in ons dat wiskundig werkt, dat ons innerlijk wiskundig doorkneedt.

Indien we dan eerst heel oppervlakkig de vraag stellen wat we daar empirisch tegenkomen wanneer we het hebben over het latente wiskundige vermogen in het jeugdige kinderlichaam, dan voert ons dat naar drie dingen die naar binnen toe op zintuigen lijken. We zullen in de loop van deze voordrachten nog zien' dat we hier ook werkelijk van zintuigen kunnen spreken. Vandaag wil ik er alleen over zeggen dat we iets gaan bespreken dat naar binnen toe een waarnemingsvermogen ontwikkelt, waarvan we ons alleen in de eerste jaren nog niet bewust zijn, zoals onze ogen en oren naar buiten toe een waarnemingsleven ontwikkelen. Als we in ons innerlijk kijken, maar dan in het binnenste van ons menselijk organisme, niet zoals de vage mystici, maar met al onze vermogens en al onze kennis kijken naar het innerlijk van de mens, dan kunnen we daar drie functies aantreffen die verwant zijn aan onze zintuigen en die juist in de eerste levensjaren een bepaalde wiskundige werkzaamheid uitoefenen. Het betreft in de eerste plaats wat ik de levenszin zou willen noemen. Deze levenszin manifesteert zich in het latere leven als een algehele gewaarwording van ons innerlijk. We voelen ons op een bepaalde manier goed of niet goed. We voelen ons behaaglijk of onbehaaglijk, en precies zoals we via onze ogen een waarnemingsvermogen naar buiten toe bezitten, beschikken we over een waarnemingsvermogen naar binnen. Alleen is dit waarnemingsvermogen als het ware op ons hele organisme gericht en daardoor dof en donker, maar het is aanwezig. We zullen daar nog het een en ander over moeten zeggen. Daarop vooruitlopend wil ik hier alleen zeggen dat deze levenszin in de vitaliteit van het kind wanneer ik deze tautologie mag bezigen zeer in het bijzonder tot aan de tijd van de tandenwisseling werkzaam is.

Een tweede zintuig waarmee we rekening moeten houden wanneer we zo in het innerlijk van de mens kijken, is wat ik de bewegingszin zou willen noemen. Van die bewegingszin moeten we ons een duidelijk beeld vormen. Wanneer we onze ledematen bewegen, hebben we daar niet alleen weet van doordat we onszelf zo'n beetje uiterlijk waarnemen, maar we nemen die beweging ook innerlijk waar. Ook als we lopen zijn we ons van het lopen niet alleen bewust doordat we langs voorwerpen heen gaan en de aanblik van de buitenwereld verandert, maar hebben we een innerlijke waarneming van de beweging van onze ledematen, van veranderingen in onszelf terwijl we ons bewegen. We letten er normaal gesproken alleen niet op, omdat we door de intensiteit van de indrukken van de buitenwereld niet letten op wat daar aan innerlijk leven, aan innerlijke waarneming, parallel aan verloopt, zoals een klein lichtje in zijn sterkte door een groot licht verdwijnt.

En het derde zintuig dat naar binnen is gericht, is de evenwichtszin.

1. levenszin
2. bewegingszin
3. evenwichtszin

Deze evenwichtszin is datgene in ons waardoor we ons op een bepaalde manier in de wereld plaatsen, waardoor we niet omvallen, en op een bepaalde wijze waarnemen hoe we onszelf in harmonie brengen met de krachten van onze omgeving. En dit in harmonie brengen met de krachten van onze omgeving nemen we innerlijk waar. Zodat we werkelijk kunnen zeggen dat we binnen in ons drie innerlijke zintuigen hebben: levenszin, bewegingszin en evenwichtszin. Zij zijn in zeer bijzondere mate gedurende de kindertijd tot aan de tandenwisseling actief Hun werkzaamheid ebt weg tegen de tijd van de tandenwisseling. Maar kijkt u eens, om maar een voorbeeld te noemen, naar de evenwichtszin. Kijk eens hoe het kind aan het begin van zijn leven nog helemaal niets heeft wat lijkt op het zich eigen maken van een evenwichtstoestand die het in het leven nodig heeft. Bedenkt u hoe het kind langzaam maar zeker meester wordt over zichzelf, hoe het eerst op handen en voeten leert kruipen, en hoe het eerst langzamerhand door de evenwichtszin ertoe komt te gaan staan, te gaan lopen en hoe het ertoe komt zichzelf in evenwicht te krijgen.

Als u nu de hele omvang van wat er gebeurt tussen de conceptie en de tandenwisseling begrijpt, dan ziet u daarin de sterke werkzaamheid van deze drie zintuigen. En als u doorziet wat daar gebeurt, dan zult u merken dat in de evenwichtszin en in de bewegingszin zich niets anders afspeelt dan een wiskundig denken in een levende vorm. En om het levend te maken, is juist de levenszin erbij die het door en door levend maakt. Zo zien we innerlijk als het ware latent de hele wiskunde aan de mens werken, die dan met de tandenwisseling bepaald niet afsterft, maar toch aanmerkelijk minder duidelijk wordt in vergelijking met het latere leven. Wat innerlijk in de mens werkzaam is via de evenwichtszin, de bewegingszin en de levenszin komt vrij. De latente wiskunde wordt een vrije wiskunde, zoals ook de latente warmte een vrije warmte wordt. En we zien dan hoe datgene wat aanvankelijk als innerlijk element het organisme heeft doorweven en bezield, als zieleleven vrij komt, en hoe de wiskunde als abstractie uitstijgt boven de toestand waarin zij eerst concreet in het menselijk organisme heeft gewerkt. En we gaan dan, omdat we als mens in ons hele bestaan immers gebonden zijn aan de verhoudingen van tijd en ruimte, we gaan nadat we de wiskunde vrij hebben gemaakt daarmee de buitenwereld in, en begrijpen de buitenwereld met hetgeen tot aan de tandwisseling in ons werkzaam is geweest. U ziet dat de natuurwetenschap niet wordt verloochend; wat tot stand komt als we de gezindheid en de wil die in de geesteswetenschap moeten leven in het juiste licht bezien, is slechts een voortzetting van de natuurwetenschap.

uit: Rudolf Steiner: Voorbij de grenzen van de natuurwetenschap
(GA 322)
3e voordracht - Donach 29 september 1920


Seminarbesprechungen
werkbesprekingen met de eerste Waldorf-leraren

T. stelt een vraagt over kinderen, die moeite hebben met rekenen.

Als u kinderen ontdekt met bijzonder weinig aanleg voor rekenen, dan doet u er goed aan om het volgende te doen. De andere kinderen zullen in de regel twee uur gymnastiek in de week hebben, dat wil zeggen een uur euritmie en een uur gymnastiek. Die kinderen die niet goed rekenen, die laat u samen een heel of een half uur langer euritmie of gymnastiek doen. U hoeft uzelf daardoor niet meer te belasten: u neemt ze samen met anderen die net op dat moment die lessen hebben. Men moet ervoor zorgen dat zulke kinderen juist door gymnastiek en euritmie hun vermogens ontwikkelen.

U laat die kinderen in de eerste plaats staafoefeningen doen. De staaf in de hand: naar voren 1, 2, 3; naar achteren 1, 2, 3, 4. Het kind moet de staaf dus steeds naar voren en naar achteren houden. Het moet zich inspannen om de staaf op de een of andere manier bij 3 naar achteren te krijgen. Dan moet er ook gelopen worden: 3 stappen naar voren, 5 stappen terug; 3 stappen naar voren, 4 terug; 5 naar voren, 3 terug enzovoort. U moet proberen om in de gymnastiek en misschien ook in de euritmie getallen te verbinden met de bewegingen van het kind, zodat het gedwongen is te tellen terwijl het zich beweegt. U zult zien dat dat succes heeft. Ik heb dat diverse keren gedaan bij leerlingen.
En nu vraag ik u: waarom heeft dat succes? Met datgene wat u al geleerd heeft kunt u zich daarover voorstellingen vormen.

Vraag van T.: Euritmische bewegingen moeten toch een goed middel zijn voor de geometrie?

Maar dat bedoelde ik niet. Wat ik zei had betrekking op het rekenen, omdat aan het rekenen een wilsmatig zich bewegen ten grondslag ligt, de bewegingszin. Als men die op deze wijze in werking zet, dan werkt dat als een aansporing op dat vermogen. Men haalt iets omhoog uit het onderbewuste wat bij zo'n kind niet omhoog wil komen. In het algemeen is het zo, dat men door bewegingsoefeningen de gebrekkige vermogens in het rekenen en ook in de geometrie moet stimuleren. Op het gebied van de geometrie zal men veel kunnen doen met zinvolle euritmieoefeningen. Ook met staafoefeningen.

uit: Rudolf Steiner: Praktijk van het lesgeven (GA 295)
8e werkbespreking - Stuttgart, 29 september 1919

dinsdag 5 juli 2011

geometrische vormen


In een eerdere bijdrage (klik hier) hebben we een serie tekenoefeningen voorgesteld, geschikt voor de 1e klas (groep 3), waarmee de verschillende fasen van de ontwikkeling van het tekenen worden herhaald. Hij kan natuurlijk ook nog in hogere klassen of als individuele oefening worden aangeboden. In deze bijdrage volgt een aanvulling/variatie op deze serie.
In de genoemde serie oefeningen wordt begonnen met grove tekenbewegingen vanuit de schouder, met de hand nog als vuist. Dan volgen tekenbewegingen vanuit de elleboog, de pols en tenslotte de fijn-motorische vingerbewegingen, die nodig zijn voor het schrijven. Eigenlijk zijn het bewegingspatronen die het kind vanuit zichzelf zou moeten doen in de eerste zeven levensjaren. We zien echter steeds meer in peuter- en kleutergroepen dat belangrijke ontwikkelingsstappen in het tekenen (overigens ook in de rest van de motorische ontwikkeling) onvoldoende worden ‘geoefend’.

instructie:
Na de ‘Krabbeloefening’ of ‘Scribble Whirl’ uit (Extra Les blz. 162-163), waarmee kinderen de vroegste fase van het tekenen opnieuw kunnen doormaken, willen we het bewustzijn van het kind meer verbinden met wat we aan het doen zijn. De ‘Krabbeloefening’ activeert de wil van het kind en stimuleert daarmee ook de fantasie. Daarna vragen we de kinderen om in ontstane wirwar van getekende lijnen zoveel mogelijk geometrische vormen te zoeken. Deze geometrische vormen mogen zij dan accentueren en/of inkleuren.






Met deze opdracht wordt na de activiteit met intense beweging een rustige activiteit aangeboden. Eerst werd de wil geactiveerd, nu het waarnemen. Daar gaat een hygiënische werking vanuit. Het is tenslotte zo dat zintuigactiviteit en het daarmee verbonden bewuste waarnemen een corrigerende werking heeft op de wilskrachten van het zich ontwikkelende kind. Rudolf Steiner spreekt in ‘Algemene Menskunde’ over de verschillende lagen van de wil, verbonden met de wezensdelen. Het eerste primitieve bewegen wordt nog bepaald door de wetmatigheden van het fysieke lichaam. Steiner noemt deze wilsuitingen ‘instinct’. Bewegingsimpulsen die vanuit de levensfuncties voortkomen, ook die welke samenhangen met aangeleerde gewoontes die het etherlichaam zijn afgedrukt, noemt hij ‘drift’. Wanneer handelingen ontstaan als reactie op de zintuiglijke wereld, of wanneer deze voortkomen uit roerselen in de diepte van de ziel (het astraallichaam), dan mag men deze wilsuitingen als begeerte betitelen. Pas door de invloed van het geestelijke deel van de mens, het Ik, kan de wil van het opgroeiende kind zich ontwikkelen tot motief, gemotiveerd handelen. Zelfs in onze rechtspraak wordt rekening gehouden met de diversiteit van de menselijke wilsuitingen, wanneer men bijvoorbeeld onderscheid maakt tussen een misdaad uit voorbedachte rade (bewust motief), of voortkomend uit impulsieve reacties. Daarmee ontstaat o.a. het verschil tussen doodslag en moord.
Via de zintuigen werkt het Hogere Ik van de mens in op de lichamelijke organisatie. Brengen we na het bewegen het lichaam tot rust, tot waarneming, dan werkt dat genezend op de lichamelijke organisatie. De opdracht van de leraar is om bewegen en waarnemende activiteit van de zintuigen in harmonie te brengen. Bewegen op zichzelf brengt het lichaam in een ongezonde staat, waarnemen is de tegenpool. Rudolf Steiner schrijft voor om aan het einde van een euritmieles of een gymnastiekles de kinderen een tijd stil te laten staan. Dit is om de door het bewegen losgemaakte geestelijke krachten uit de onderpool van het wilsleven, terug te laten vloeien naar het lichaam. Deze kunnen dan de volgende dag als krachten voor het leren worden aangewend. Zo kan de pedagogie genezend werken op de lichamelijk organisatie van het kind, als een helende factor die een metamorfose op een hoger plan is van de opdracht van de arts. (R.Steiner: Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis (GA 302) 2e voordracht Stuttgart, 16 oktober 1923)




Het werken met geometrische vormen de ontwikkeling van het denkvermogen en daarmee de hersenen. Het vrijeschool-leerplan geeft voor het vormtekenen in de 1e klas (groep 3) basale geometrische vormen. Het vormtekenen mondt uit in de 6e klas (groep 8) in de periode meetkunde, waarbij het passer en liniaal wordt geconstrueerd. Rudolf Steiner legde in de cursus ‘Algemene Menskunde’ uit dat de mens de geometrie bewust kan ontwikkelen, doordat hij zijn ruggengraat vertikaal heeft ten opzichte van het aardoppervlak. De geestelijke realiteit van de mathematica der bewegingen van het universum en het bewegen over het aardoppervlak van de mens zelf worden hem bewust in de vorm van geometrie. Het belang dat kinderen al vroeg kennismaken met geometrische vormen werd behalve door Rudolf Steiner ook ingezien door Maria Montessori. Zij ontwikkelde aan het begin van de vorige eeuw al speciaal leermateriaal met geometrische vormen. Jelle Jolles (hoogleraar Hersenen, Gedrag & Educatie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam) toonde in de 3e aflevering van ‘Breingeheim’ nieuw speel-leermateriaal ontwikkeld voor het primair onderwijs. Ook hij gaat ervan uit dat het spelen en werken met geometrische vormen het denken (de vorming van de hersenen) stimuleert. De tekenoefening die hier te zien is, is slechts een klein voorbeeld van hoe het kunstzinnig werken van kinderen zelf de mogelijkheid geeft om met geometrie bezig te zijn.















vrijdag 3 juni 2011

Hoofdstuk 4: De ontwikkeling van de drie hogere zintuigen - deel 3

Het orgaan van de Ik-zin ontwikkelt zich

Hieronder geven we een samenvatting van wat we in onze beschouwingen hebben gevonden:
1. In de loop van het eerste jaar ontwaakt de taalzin van het kind als het heeft leren lopen.
2. De taalzin geeft het kind toegang tot de wereld van het woord en hiermee begint in het tweede levensjaar de ontwikkeling van de taal.
3. In de tijd dat het spreken tot ontwikkeling komt, ontwaakt de denkzin.

Door het ontwaken van de denkzin beginnen de gedachten, die het kind door de woorden van andere mensen tegemoet komen, realiteiten te worden. Als hoogtepunt van deze ontwikkeling komt het moment, dat het kind zichzelf met het woordje 'ik' aanduidt. Nu gaat het echter over de drempel naar het derde levensjaar.
Rudolf Steiner heeft nu in zijn latere beschouwingen over de zintuigleer aan de taal en denkzin ook nog de Ik-zin toegevoegd. Op de volgende wijze karakteriseert hij dit: 'De Ik-zin is niet het zintuig om het eigen ik waar te nemen, maar dat van de ander. Het komt er hierbij niet op aan, dat men zich bewust is van zijn eigen ik, maar dat de ander ons zijn ik openbaart'.
Een bijzonder uitvoerige beschrijving van de wijze waarop de Ik-zin werkt, gaf Rudolf Steiner in de voordrachten, die hij ter gelegenheid van de stichting van de Waldorfschool in Stuttgart hield. Daar zegt hij:
'Als u tegenover iemand staat, gebeurt er het volgende: u neemt hem eerst een ogenblik waar en krijgt daardoor een indruk van hem, die u innerlijk attaqueert, terwijl u toch ook voelt, dat die mens eigenlijk een zelfde wezen is als u zelf. Het gevolg is, dat u zich innerlijk te weer stelt, agressief wordt. Maar dit agressieve wordt weer lam gelegd, houdt weer op en die andere mens kan opnieuw een indruk op u maken. Tezelfdertijd wordt de kracht van agressie groter en deze neemt weer bezit van u ... Zo verloopt de ontmoeting met een mens van wie men het ik waarneemt: overgave aan de ander innerlijk verweer sympathie antipathie ...
Daar komt nog iets anders bij. Terwijl er sympathie ontstaat slaapt u in de andere mens, door de antipathie wordt u weer wakker. Op deze manier vibreert er een snelle wisseling van slapen en waken in u, als u een mens ontmoet. Dit hebben we te danken aan het orgaan van de Ik-zin. Dit orgaan is dus zo georganiseerd dat het niet met een wakkere, maar met een slapende wil het ik van de ander waarneemt en dan snel deze slapend voltrokken waarneming overbrengt naar het gebied van het kennen, dat betekent dus naar het zenuwstelsel'.
Hier wordt duidelijk de tweeledigheid van het waarnemen van het ik naar voren gebracht. Dit lijkt zich te voltrekken als een zeer verinnerlijkte ademhaling. Aan de hand hiervan kan men ongeveer de periode aangeven, waarin de Ik-zin van het kind zich begint te ontwikkelen.
Want gedurende de eerste twee levensjaren staat het in hoofdzaak 'sympathiek' tegenover de mensen. Vooral bij een kind dat niet door de opvoeding bedorven is, leeft een volledig vertrouwen ten opzichte van de mensen en het koestert maar zelden een gevoel van onbehagen tegenover een vreemde. Als kleuter kan het vaak aarzelen bij een vreemde ontmoeting, en ook wel vrees en angst voelen. Maar als het zijn schuwheid overwonnen heeft, geeft het zich volledig met sympathie aan de ander, de toestand van rustige slaap in het andere wezen treedt in.
Elsa Köhler schrijft over haar Annetje als het twee jaar en zes maanden is: 'Annetje heeft behoefte aan gezelligheid. Haar belangstelling gaat uit naar kinderen van verschillende leeftijd. Als ze er eentje op straat ziet, blijft ze eerst staan, loopt hem dan tegemoet en wil een handje of kusje geven. De geschrokken moeders of de kindermeisjes trekken hun kinderen met zich mee en kijken Annetje boos aan. Maar zij voelt dat wantrouwen niet'. Dit kind is in haar ontmoeting met andere individualiteiten nog helemaal in een mantel van sympathie gehuld en staat nog niet 'bewust' tegenover de ander. Ze heeft het wisselende spel tussen sympathie en antipathie in het gebied van de Ik-zin nog niet tot ontwikkeling gebracht.
Ook maken de kinderen op deze leeftijd nog weinig verschil tussen mens, dier en voorwerp. In hun doen en laten worden deze nog allemaal gelijkgeschakeld. Zo kan Annetje b.v. zeggen, dat het speelgoedhaasje bij het eten toekijkt, en de volgende dag doet het de sinaasappel, die op de tafel ligt.
Hiermee hangt samen, dat kinderen zowel met dingen als met mensen medelijden kunnen hebben. Ze kunnen tranen vergieten om een gebroken beschuit en ook om moeder, die met hoofdpijn in bed moet blijven. Ik herinner me een kleine melancholische jongen van drie jaar, die aan tafel plotseling bitter begon te snikken. Met horten en stoten kwam er uit, dat hij zo bedroefd was, omdat er zo zielig eenzaam en ongebruikt een stoel tegen de muur stond.
Deze gedragingen hangen niet samen niet het feit, dat de kleuter alle dingen vermenselijkt, zoals de moderne psychologie dit verklaart. Veel meer komt het, doordat het kind alles op dezelfde wijze als levenloos en onbezield beleeft en daardoor met alles medelijden heeft of er angst voor koestert of het bemoedert, kortom alles met sympathie in zich opneemt. Wilhelm Hansen heeft helemaal gelijk als hij zegt: 'Voor het kind bestaat nog geenszins de scheiding tussen subject en object, voorzover men aanneemt, dat het subject bewustzijn heeft en men het object kan kennen. Daarom kan men de gerechtvaardigde gevolgtrekking maken dat het dieren en plantenrijk en de wereld van de dingen die het zieleneigenschappen toekent zoals denken, lief zijn, verwachten, zich verheugen, zich niet onderscheiden en niet afgegrensd zijn van de wereld der bezielde mensen. Tegenover alles wat hem omringt zijn de gedachten en gedragingen hetzelfde'.
Hieruit volgt dus heel duidelijk, dat de Ik-zin in de kleuter nog niet tot ontwikkeling is gekomen, anders zou het wel op directe wijze onderscheid kunnen maken tussen mensen en andere wezens en de dingen in zijn omgeving.
Voor alles voelt hij een zekere mate van sympathie en wordt één met de dingen en wezens als in een slaaptoestand, zonder ze in een ontwakende antipathie te ontmoeten.
Dit proces van ontwaken voltrekt zich pas omstreeks de tijd van de eerste koppigheidsperiode. Tussen het derde en vierde jaar begint het kind zich voor het eerst te verzetten tegenover zijn omgeving in een antipathie vanuit zijn eigen wil. Terwijl tot nu toe alles gemakkelijk en zonder tegenstribbelen ging, komen er nu moeilijkheden en wil het kind overal dwars tegen in gaan. Nu wil het kind ook alles zelf doen: zich zelf uit en aankleden en zelf bepalen wat en waarmee het wil spelen, dikwijls tegen de wil van de volwassene in. In deze tijd ontstaan de eerste conflicten met moeder en broertjes en zusjes, doordat het zelfbewustzijn nu een verandering ondergaat.
De belangrijkste ontmoeting, waarover we in het vorige hoofdstuk spraken, heeft nu plaats gevonden. We beschreven de eeuwige individualiteit van het kind als de wekker van het slapende denken en zeiden, dat op het moment dat beide oog in oog tegenover elkaar stonden, voor het eerst het bewustzijn van het eigen ik ontwaakte.
Daarom beschrijft Remplein dit gebeuren ook zeer indringend als volgt: 'Achter de uiterlijke afweer van het kind om met anderen te spelen staat een belangrijke ontwikkeling van het Ik-bewustzijn [...] Dit ik, dat tot nu toe alleen maar alle belevenissen als het ware registreerde, zonder zich van zichzelf bewust te zijn, gaat alles nu zelf beleven. Tegelijkertijd valt de eenheid van kind en wereld als symbiose uiteen. Het ik stelt zich tegenover alles wat buiten hem staat. Deze overgang gaat voor het kind vanzelf, omdat het zich in al zijn doen en laten en tegenover zijn omgeving van zichzelf bewust wordt'.

Door dit proces verandert de tot nu toe louter 'sympathieke' houding van het kind en worden er antipathieke elementen in opgenomen. De oorzaak hiervan zijn niet vrees, angst, schaamte of verzet tegen het vreemde in zijn omgeving, maar het is het ontwakende zelfbewustzijn dat zijn koppigheid tevoorschijn roept. Deze fase in de ontwikkeling zou door ouders en opvoeders absoluut als een positieve noot gewaardeerd moeten worden. Het kind wordt zich van zichzelf bewust en dit ontwaken wil het niet meer verliezen en daardoor wordt het koppig.
Hierdoor ontstaat het spel van de oorspronkelijke overwegend sympathieke houding en het opkomende verzet en hierin ontwikkelt zich de Ik-zin. Deze ontwikkeling schijnt zich niet zo snel te voltrekken als bij de woord en denkzin. Er is veel tijd nodig voordat de Ik-zin volledig ontwikkeld is.
In het derde hoofdstuk hebben we al gewezen op een 'ingrijpend verschil' tussen het lopen en spreken enerzijds en het denken anderzijds. Dit zelfde is het geval tussen de woord en denkzin tegenover de Ik-zin. Want hoewel het ontwakende denken een noodzakelijke voorwaarde is voor de geleidelijke ontwikkeling van de Ik-zin, ontwikkelt dit hoogste zintuig zich toch niet op dezelfde wijze door het denken als de woord en denk zin dit doen door het rechtop lopen en het spreken. De ontwikkeling van het denken doet het Ik-bewustzijn wel ontwaken, maar dat is niet gelijk te schakelen met de Ik-zin. De Ik-zin kan zich pas gaan ontplooien na de volledige ontwikkeling van het Ik-bewustzijn. De mogelijkheid tot denken wordt een spiegel voor het ik, dat daardoor zichzelf begint te beleven. En dit kan pas de antipathieke houding oproepen, die nodig is om de Ik-zin tot ontwikkeling te brengen. In de ontmoeting van twee Ik-bewuste wezens ontstaat de tweeledigheid van sympathie en antipathie, die tot een direct beleven van de andere individualiteit leidt.

Diepgaande studies inzake het gebied van de kinderlijke ontwikkeling ontbreken nog bijna geheel. Wel neemt men aan, dat de persoon van de vader de belangrijkste drijfveer is bij de ontwikkeling van de Ik-zin. Het is het symbool, waardoor de omgeving eisend voor het kind staat, en niet beschermend zoals de moeder.
Omstreeks het negende jaar is de Ik-zin tot volledige ontwikkeling gekomen. Rudolf Steiner heeft er met nadruk op gewezen, dat bij de ontwikkeling van het kind hier de consolidering van de Ik-zin tot stand komt. De tijd, waarin dit zich voltrekt, beschrijft hij als volgt: 'In het negende jaar beleeft het kind werkelijk een volledige metamorfose van zijn wezen, die op een belangrijke metamorfose van zijn zieleleven en zijn fysieke leven duidt. Vanaf deze tijd begint de mens zich los van zijn omgeving te voelen. Hij leert de omringende wereld en zijn eigen wezen van elkaar te onderscheiden. Als wij dit goed proberen te begrijpen moeten we zeggen: Tot aan deze verandering in het menselijk bewustzijn gaan de omringende wereld en het eigen ik als het ware min of meer in elkaar over. Vanaf het negende jaar dat is natuurlijk bij benadering bedoeld onderscheidt de mens zich van de buitenwereld. Bij het onderwijs en de opvoeding moet men dit vooral vanaf het negende levensjaar in aanmerking nemen. We doen er goed aan, om voor die tijd het kind niet te veel te belasten met het beschrijven en karakteriseren van dingen die los van de mens staan of als zodanig moeten worden beschouwd. Als we een kind een fabel of sprookje vertellen, spreken we met fantasie over dieren en planten, alsof we over een mens spreken. Dieren en planten worden gepersonifieerd. En met recht, omdat het kind nog geen verschil beleeft tussen zichzelf en de wereld en de laatste beleeft als een deel van zichzelf'.
Met het negende jaar wordt hierin een radicale ommekeer beleefd. Want nu is de Ik-zin volledig ontwikkeld en daardoor begint het kind verschil te beleven tussen de mens en de andere natuurwezens. Hiermee komt ook een einde aan de leeftijd waarin sprookjes en legenden verteld worden. De ouders en leraren worden nu kritisch bekeken en het ik komt in discussie met een ander ik. De sfeer van de eigen persoonlijkheid is ontwaakt. Wat in de eerste koppigheidsperiode begonnen is, is nu voltooid.
Op twee plaatsen heeft Rudolf Steiner iets gezegd over het zintuigorgaan, dat aan de Ik-zin ten grondslag ligt. Eerst zegt hij: 'Het orgaan voor de waarneming van het ik van andere mensen is een fijne substantie die over de hele mens is uitgebreid en daarom spreken de mensen niet over een zintuig om dat ik waar te nemen'.
Op een andere plaats wordt nog veel uitvoeriger over dit zintuig gesproken: 'Voor de waarneming van het ik van de ander bestaat ook een orgaan, evenals voor het zien en het horen. Maar het eerstgenoemde is zo gevormd, dat in zekere zin het uitgangspunt in het hoofd ligt en het hele verdere lichaam, voor zo ver het afhankelijk is van het hoofd, het orgaan vormt voor de waarneming van het ik van de andere mens. Dat is dus de gehele zintuiglijk fysieke mens. Men zou het in zekere zin ook zo kunnen zeggen: Het waarnemingsorgaan voor het ik van de ander is het hoofd waar het hele lichaam aan vast zit en zo vervult dit waarnemingsvermogen de hele mens. Voor zover de menselijke gestalte in rust is met het hoofd als middelpunt, is hij waarnemingsorgaan voor het ik van de ander. Dit is het grootste waarnemingsorganisme dat wij bezitten en dat zijn wij dus zelf als fysiek mens'.
Hier hoeft eigenlijk weinig meer aan toegevoegd te worden. Nu groeit het kind juist tot ongeveer zijn negende jaar door de krachten van het hoofd. Want bij de kleuter is het hoofd in vergelijking met het verdere lichaam nog bijzonder groot. Langzamerhand wordt deze verhouding harmonischer; dit gebeurt tussen het derde en negende jaar. De ledematen worden langer, de romp wordt groter en de groei van het hoofd blijft in verhouding achter.
Daardoor ontstaat omstreeks het negende jaar de bijzonder mooi gevormde lichaamsbouw. Uit de bouw van de kleuter is door 'metamorfose van de gestalte' (Zeller), die zich in het zevende en achtste jaar voltrekt, de 'gestalte van de prepuber' (Zeller) ontstaan, die een volkomen harmonie te zien geeft.
Het ontstaan van deze lichaamsbouw is werkelijk afhankelijk van het hoofd, omdat twee klieren met interne secretie, die delen zijn van de hersenen, hierbij een grote rol spelen, te weten de epifyse en de hypofyse. Het samenwerken van deze beide organen reguleert de groei en vormkrachten zodanig, dat er een harmonische of disharmonische lichaamsbouw ontstaat. Het evenwicht tussen epifyse en hypofyse leidt tot de harmonische gestalte van het negenjarige kind. Voor die tijd heeft de epifyse het overwicht, na die tijd de hypofyse.
Deze uitgebalanceerde lichaamsvorm valt in de tijd samen met de voltooiing van de Ik-zin. In deze periode van zijn ontwikkeling bereikt de mens de hoogste graad van zijn fysieke ontwikkeling. Het werkelijke mensenbeeld is nu in verschijning getreden en het hoogste zintuig de Ik-zin, heeft zich ontplooid.
in zekere zin begint vanaf dit tijdstip weer een teruggang. In de voorpuberteit en de puberteit zelf wordt het lichaam geheel aards en nu verliest het de waas van de bovenzinnelijke wereld, waarmee het tot het negende jaar nog omgeven was. De verder groeiende mens wordt een deel van de aarde, wordt zwaar en krijgt het moeilijk en moet een verhouding vinden tot zijn lot.
Hij heeft echter de Ik-zin ontvangen, die hij levenslang als een oogst uit de bloeitijd van zijn leven met zich mee mag dragen. Op dezelfde wijze blijven de denk en taalzin geschenken, waardoor hij de geest van het zijn kan benaderen. Door de taal zin worden alle schatten die de woorden inhouden toegankelijk. Door de denk zin kunnen wijsheden zich openbaren van alles wat geworden is en nog in wording is. Door de Ik-zin kan hij de medemens als broeder herkennen. Zo heeft zijn jeugd hem toegerust met een bezit, dat niet meer verloren kan gaan.
Lopen, spreken en denken hebben hem tot mens gemaakt, tot een schepsel, dat zichzelf kan kennen. De taal , denk¬en Ik-zin helpen hem echter om de geestelijke achtergronden van het bestaan te benaderen. Ze openen hem de weg naar hogere werelden, die aan de andere zijde van de zintuiglijke wereld liggen. Door de drie hoogste zintuigen wordt de weg geopend tot overwinning van de eigenlijke wereld der zintuigen. Het is een offer, doordat het tot een niets voert. Maar daarachter wacht de opstanding. De wereld van de zintuigen wordt teniet gedaan, maar voor het innerlijke oog wordt dan een geestelijke wereld zichtbaar.

Getrost, das Leben schreitet
Zum ew'gen Leben hin;
Von inn'rer Glut geweitet
Verklärt sich unser Sinn.
Die Sternwelt wird zerfliessen
Zum goldnen Lebenswein,
Wir werden sie geniessen
Und lichte Sterne sein.

Novalis

Wees stil toch, want het leven
Schrijdt voort naar de eeuwigheid;
Ons liefdevolle streven
Maakt lichtend de aardse tijd.
Het hemellicht zal stromen
Als gouden levenswijn,
Wij zullen verder komen
En lichte sterren zijn.

(Vertaalster)

literatuur:
Rudolf Steiner: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie
(GA 293) 8e voordracht
Elsa Köhler: Die Persönlichkeit des dreijärigen Kindes - Leipzig 1926
Wilhelm Hansen: Die Entwiklung des kindlichen Weltbildes – München 1949
Heinz Ramplein: Die seelische Entwicklung in der Kindheit und Reifezeit - München 1950
Rudolf Steiner: Die Erneuerung der pädagogische-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft (GA 301) 8e voordracht
Rudolf Steiner: Das Rätsel des Menschen – Die geistigen Hintergründe des menschliche Geschichte (GA 170) 6e voordracht

maandag 23 mei 2011

Hoofdstuk 4: De ontwikkeling van de drie hogere zintuigen - deel 2

Het fysieke orgaan van de woordzin en de denkzin

Nadat we ons nu aan de hand van de taalontwikkeling uiteen hebben gezet met de taal- en denkzin, is het nodig, om nog een volgende stap te doen om de aangegeven verschijnselen te begrijpen.
Het is immers helemaal nieuw en misschien ook schokkend om aan te nemen dat alles, wat we tot nu toe als een gecompliceerde denkprestatie hebben aangezien, gereduceerd kan worden tot een eenvoudige zintuiglijke waarneming.
Het komt er dus op neer, dat een klein kind de betekenis van een woord, dat het zich heeft veroverd, niet denkend benadert, maar zintuiglijk waarneemt! Tegen zo'n stelling verweert zich allereerst in ons de denkgewoonte, die ten nauwste met de woorden 'zintuiglijk' en 'zintuiglijke waarneming' is verbonden. Want voor ons is alles 'zintuiglijk' wat samenhangt met de belevenissen in de zogenaamde buitenwereld. Wij zien, horen, ruiken en proeven de hoedanigheden van de dingen, die wij waarnemen.
Aan de andere kant beleven we ook pijn of honger en dorst en hebben we een vaag gevoel voor ons evenwicht in de ruimte en de plaatsing van onze ledematen ten opzichte van elkaar. Dit zijn ook allemaal zintuigervaringen, waar we doorlopend mee te maken hebben en waarmee ons levensgevoel ten nauwste samenhangt. Van deze belangrijke belevenissen zijn we ons in het algemeen maar vaag bewust. Maar een verlies van ons gevoel voor evenwicht of het juiste gebruik van onze ledematen, zoals ook een vermindering van het pijngevoel kunnen tot ernstige afwijkingen leiden, zijn zelf ook vaak symptomen van een diep ingrijpende ziektetoestand. Deze zintuiglijke waarnemingen van onze eigen fysieke en psychische toestanden, waartoe we ook het beleven van wel- en onbehagen moeten rekenen, horen thuis in het gebied van de zintuiglijke processen.
Deze laatste gevoelens kunnen we nog onderbrengen in de algemene karakteristiek van het woord 'zintuiglijk'. Want ons lichaam is immers zelf een deel van de 'buitenwereld' en als zodanig door ons te beleven door een bepaalde groep zintuigen. Niet alleen zien we het gedeeltelijk aan de buitenkant en horen het spreken en zingen, maar indirect beleven we ook lust en pijn in een gevoel van welzijn en onbehagen en we weten dat ieder mens dat zo met 'zijn' lichaam beleeft.
Maar kan nu ook iets inhoud van een zintuig zijn, wat aan gene zijde van de 'zintuiglijke' wereld ligt en zich openbaart als een gedachte? Voor de woordzin is het nog mogelijk om iets van het karakter van de waarneming te behouden, omdat daarin een soort uitbreiding van de gehoorzin leeft. Wat zich in het horen als een enkele toon of klank openbaart, wordt door de waarneming van de woordzin in zijn geheel ervaren als een samengesteld geluid. De klank van een klinker of een medeklinker is een samenstelling van vele tonen die door de taalzin tot een eenheid worden opgebouwd. En zoals de gehoorzin uit aparte tonen een melodie doet ontstaan, zo kunnen we door de taalzin uit de samenstelling van aparte geluiden een woord of een opeenvolging van woorden in het leven roepen.
Maar als dit gebeurd is, opent zich weer een nieuwe sfeer, waarin we de betekenis van het woord waarnemen! Alles wat aan dit proces vooraf gaat, heeft een ander karakter. Want de eigenschappen van een ding of wezen zijn de smaak, de reuk, de kleur en vorm, de toon of klank. Zelfs zijn eigen naam is nog een deel van zijn bestaan.
Maar het idee of het begrip is niet een deel van het ding of het wezen, maar zijn ondeelbare, alles omvattende innerlijke kern. Een ding of wezen kan vele namen hebben hond, Hund, chien, dog en oneindig veel eigenschappen. Maar het hond zijn, het karakteristieke van de hond ligt in iedere naam en in iedere eigenschap als iets onveranderlijks besloten. Dit eenmalige, ondeelbare, dat we voor onszelf gebruiken met het woordje 'ik', is dit nu een waarneming?
Is het mogelijk, dat niet alleen de eigenschappen, maar ook de drager daarvan een directe ervaring voor ons is?
Maar hoe zouden mensen elkaar kunnen begrijpen, als deze directe ervaring niet aanwezig zou zijn? Is het eigenlijk denkbaar, dat er aan het denken een andere maatstaf ten grondslag ligt dan het waarnemen van begrippen en ideeën? De geijkte opvatting, dat we tot begrippen komen door een steeds grotere abstrahering van eigenschappen, is niet steekhoudend. Pas als we consequent bij de gebieden van de zintuigen ook die betrekken, die ons niet alleen de kwaliteiten van de dingen, maar ook de kern van hun wezen laten beleven, kunnen we verwachten het wonder van het woordbegrip bij het kind te begrijpen.
Als we zo ver zijn, komen we weer voor een nieuw zwaarwegend probleem te staan. De vraag ontstaat: als we in het lichaam voor ieder zintuigproces een orgaan kunnen noemen, waar zijn dan de fysieke organen, waarvan de taal- en denkzin zich bedienen? Daar is niets van bekend, en er is geen enkel deel van ons lichaam, dat niet tot in het uiterste anatomisch onderzocht is. Als het echter om zintuiglijke processen gaat, dan moet er toch wel gevraagd worden naar de zintuiglijke organen, die er bij horen. Pas als deze gevonden, onderzocht en getoetst zijn, zullen de taal- en denkzin concrete entiteiten kunnen worden.

Rudolf Steiner heeft al in zijn boek 'Von Seelenrätseln' in grove lijnen het karakter van de taal- en denkzin neergelegd in de volgende woorden: 'Het leidt tot een gebrekkige psychologie en kennistheorie als men het 'registreren van gedachten' niet scherp scheidt van het denken zelf en het zintuiglijke karakter van het eerste niet onderkent. Men begaat hier de fout, doordat het orgaan voor het 'vernemen van het woord' en het 'registreren van gedachten' uiterlijk niet zo zichtbaar is als het oor ten opzichte van het horen. In werkelijkheid zijn voor deze waarnemingsactiviteiten even goed organen aanwezig als voor het horen het oor'.
Er bestaat voor de onderzoeker van de geest dus geen twijfel over het feit, dat er voor de woord- en denkzin ook fysieke organen aanwezig zijn, waarvan ze zich op de juiste wijze kunnen bedienen. Maar is het nu mogelijk, om in de veelheid van vormstructuren van het menselijk lichaam deze organen op het spoor te komen? Tot nu toe heeft men in de wetenschap nooit over deze beide zintuigen nagedacht, laat staan hun werkende organen toegedicht.
Het zou kunnen zijn, dat ons bepaalde vormstructuren wel bekend zijn, maar dat men ze tot dusver een verkeerde functie heeft toegekend. Een functie, die ze in wezen niet uitoefenen. Het kan dus zijn, dat bepaalde delen van ons lichaam werkelijk de organen voor de denk en woordzin zijn, maar als zodanig nog niet werden onderkend, omdat de zintuigen zelf nog onbekend waren.
Het gaat er dus niet om, een 'nieuw' orgaan te vinden, want het menselijk lichaam is niet voor niets tot in de laatste vezel macroscopisch en microscopisch onderzocht. Men zou dus de betekenis van bestaande organen en weefsels moeten herzien, zodat ze in een nieuwe ordening en gedaante verschijnen. Het is ook mogelijk, dat een aantal organen, die we tot nu toe niet met elkaar in samenhang brachten, de fysieke organisatie vormt die we hopen te vinden.
We hebben echter een heel belangrijk uitgangspunt gevonden, waaraan we willen vasthouden. We vonden, dat de ontplooiing van de taalzin zich juist tegen het einde van het eerste jaar voltrok en die van de denkzin in de loop van het tweede levensjaar. In deze ontwikkelingsperioden leert het kind echter ook de verticale houding en het lopen en later het spreken. Zou de taalzin misschien pas tegen het einde van het eerste jaar beginnen te werken, doordat hij op een verborgen wijze verbonden is met het leren lopen? Ja, moeten we er eigenlijk niet in de eerste plaats aan denken, dat eigenlijk de voorwaarde voor de taalzin het rechtop lopen van de mens is?
Zouden we hierin misschien de grond moeten zoeken voor het feit, dat zoveel kinderen, die moeilijkheden hebben om in de verticale houding te komen, ook zo'n moeite met het spreken hebben? Bestaat er over het geheel een nauwe samenhang tussen het motorische systeem van een mens en zijn taalzin? En hoe zou het zijn, als het rechtop lopen zelfs de grondslag zou zijn voor het zintuigorgaan dat het begrijpen van de woorden bewerkt?
Als we zulke vragen ernstig overwegen, kunnen we daaruit de volgende conclusie trekken. Het leren lopen, zoals wij dat in het eerste deel van dit boek probeerden te schetsen, voltrekt de mens zelf door een steeds grotere beheersing van de willekeurige spieren. Hierdoor wordt gedurende het eerste jaar een heel bepaald orgaan gevormd, dat we het 'piramidale systeem' noemen. Dit is een deel van ons zenuwstelsel. Het bestaat uit groepen zenuwen, die vanaf de willekeurige spieren van de ledematen tot in het ruggemerg lopen en daar in nauw contact staan met een andere groep zenuwen, die vanuit het ruggemerg naar de hersenschors lopen. Deze zenuwen beginnen bij bepaalde punten van de schors van de grote hersenen. Dit hele complex van zenuwen noemen we het piramidale systeem en het loopt dus van de hersenschors over het ruggemerg naar de afzonderlijke spieren. Het is een zeer ingewikkeld orgaan, dat een belangrijk deel van het zenuwstelsel vormt.
Tot voor kort waren fysiologen en neurologen er nog vast van overtuigd, dat het hier om een groep motorische zenuwen gaat, die de willekeurige spierbewegingen tot stand brengen. Maar in de laatste jaren zijn steeds meer stemmen daartegen in verzet gekomen. Klinische vondsten bij zieke mensen en uiteenlopende experimenten met patiënten die hersenoperaties hebben ondergaan hebben aangetoond, dat deze 'motorische' zenuwen slechts onder zeer bepaalde voorwaarden als zodanig functioneren en dat de bewegingen die experimenteel worden opgeroepen naar vorm en verloop heel anders zijn dan de normale bewegingen van een mens. Bij een kunstmatige prikkeling van het piramidale systeem worden deze normale bewegingen eerder onderdrukt dan bevorderd, en de moderne neurologie staat hier voor een raadsel, dat ze nu nog nauwelijks wil erkennen, laat staan dat ze probeert om het te willen oplossen. Deze meest 'menselijke' bundeling van zenuwen wordt onder de naam 'piramidenstelsel' door de wetenschap als functioneel erkend. Als het door verwonding of ziekte afwijkend reageert, kunnen we dat constateren. Maar zijn normale functie ligt volkomen in het duister.
Het piramidale systeem blijkt dus te bestaan uit een samenstelsel van zenuwen die de functie, die haar eerst werd toegeschreven niet kan uitvoeren. Hoewel ze nauw met de willekeurige beweging samenhangt, veroorzaakt ze die toch niet. Deze morfologische eenheid ontwikkelt zich in de loop van het eerste levensjaar. Is dit proces echter voltooid, dan blijkt, dat dit orgaan niet meer direct verbonden blijft met de verworven functie, het rechtop lopen en de daarmee samenhangende willekeurige beweging. Het zenuwenorgaan, dat zich op deze wijze heeft ontwikkeld, heeft op de meest intieme wijze deelgenomen aan het proces van het rechtop leren lopen. Op het ogenblik, dat dit bereikt is, stelt het zich in dienst van andere functies. Deze verandering van werkzaamheid moeten we dus in het oog houden.
Van Rudolf Steiner is er een verhandeling, waarin hij probeert om de aard en de vorm van het fysieke orgaan van de taalzin te verklaren. Hij zegt dit als volgt: 'Voor zover wij de kracht hebben om ons te bewegen, alles kunnen doen wat innerlijk aan beweging in ons ligt, daarvan kunnen we zeggen, dat er aan onze beweeglijkheid een fysiek organisme ten grondslag ligt. Als we b.v. onze handen bewegen, ons hoofd draaien of op en neer bewegen, voeren we bewegingen uit die van binnenuit komen. Dit wordt veroorzaakt door het fysieke organisme voor de bewegingsmogelijkheid'. Hiermee bedoelt Rudolf Steiner iets heel bijzonders. Hij bedoelt niet de bewegingen zelf, dus de willekeurige motoriek, maar een fysiek orgaan, dat de bewegingen uitvoert. Wordt hier niet op het piramidale systeem gewezen? Zoals we hebben gezien veroorzaakt dit niet de willekeurige bewegingen, terwijl deze zich toch hierdoor voltrekken.
Nu voegt Rudolf Steiner hier nog aan toe: 'Tegelijkertijd is dit orgaan van de bewegingsmogelijkheid het waarnemingsorgaan voor de taal, voor de woorden, die een ander mens tot ons spreekt. Als we niet een fysiek bewegingsorgaan in ons hadden, zouden we de woorden niet kunnen begrijpen. Voor zover er zenuwen van ons centraal zenuwstelsel naar ons gehele bewegingsstelsel uitgaan, ligt daarin ook het zintuig besloten waarmee we de tot ons gesproken woorden begrijpen. Dit is een waarheid'.
Met deze zinnen wordt bevestigd, wat we probeerden duidelijk te maken. Want de zenuwen, die 'vanuit het centraal zenuwstelsel naar ons gehele bewegingsstelsel lopen' zijn ongetwijfeld de zenuwen van het piramidale systeem, waarin we het zintuig voor de taalzin kunnen zien. Het is een meer dan duizendvoudig instrument, waarvan de snaren tussen de spieren en de hersenen zijn gespannen en die samen in dienst staan van het begrijpen van de taal.
Deze hypothese werd in de laatste tien jaren bevestigd door klinische onderzoekingen, die door de directeur van de Homburger zenuwinrichting werden verricht. K. Conrad heeft uitgebreide diagnoses gegeven over de lokalisatie in de hersenen van bepaalde spraakstoornissen. Hij kon aantonen, dat de zogenaamde afasische storingen juist dan optreden, als er aanwijsbare verwondingen of afwijkingen aan die delen van de grote hersenen merkbaar zijn, die bekend staan als beginpunten van het piramidale systeem. Bij afasische storingen gaat het meestal om een gedeeltelijk of geheel verlies van het taalbegrip. Deze zieken kunnen dan òf het tot hen gesproken woord niet begrijpen òf ze verliezen zelf het vermogen tot spreken. Dit laatste is ook een gevolg van het gedeeltelijk of geheel niet begrijpen van de woorden.
Hiermee hebben we een begin gemaakt van een fundamenteel inzicht in het werken van de taalzin. We hebben zijn nauwe samenhang met het rechtop leren lopen begrepen en zijn fysiek orgaan besproken. Dit laatste is alleen uit zenuwen samengesteld. Aan de uiteinden van de zenuwen grenst het gehele willekeurige spierenstelsel, dat door het piramidale systeem wel in takt wordt gehouden, maar er niet functioneel door geactiveerd wordt. Doordat het piramidale systeem wel tot het geheel van het bewegingsstelsel hoort, maar in zichzelf in rust blijft, is het in zijn functie veranderd en is het op een hoger plan gekomen als orgaan voor de woordzin.
Dit alles wordt duidelijker door uiteenzettingen, die Rudolf Steiner nog aan het voorafgaande toevoegde. Hier wordt gezegd: 'Denkt u zich eens in, dat ik deze beweging maak (bij heft zijn hand op in een afwerende beweging) ... en de mogelijkheid om deze beweging te maken, voorzover ze uit mijn hele bewegingsorganisme stamt (zoals elke geringste beweging), heeft iets heel bepaalds tot gevolg. Als ik zo'n beweging onderdruk, bestaat de mogelijkheid om iets bepaalds, wat door een ander in woorden wordt uitgedrukt, te begrijpen. Wat de ander zegt, begrijp ik, doordat ik de beweging tot in mijn vingertoppen laat komen, maar dan de beweging niet uitvoer, maar onderdruk. Doordat ik dit doe, begrijp ik iets, dat gesproken wordt'.
Hier wordt ons in principe duidelijk gemaakt, hoe we de functie van de woordzin kunnen begrijpen. De niet doorgevoerde beweging, het gebaar dat niet tot stand komt, is de drager van het begrip voor het gesproken woord. De niet ten uitvoer gebrachte bedoeling, die meteen in plaats van in een beweging over te gaan wordt ingehouden, is de grondslag van de taalzin.
Dit proces kan vergeleken worden met de resonantie. Als ik in een geopende piano een bepaalde opeenvolging van tonen zing, resoneert hij zachtjes. Dat kan echter alleen, als de snaren in rust zijn en niet in trilling. Op dezelfde wijze resoneert het gesproken woord in mij, als ik een gebaar onderdruk in plaats van het uit te voeren. De bemiddelaar nu is het orgaan, dat we het piramidale systeem noemden. Het complex van ontelbare zenuwen is als het ware de domper op alle willekeurige bewegingen, die daardoor onderdrukt worden. Daardoor ontstaat het snareninstrument, waardoor het gesproken woord de echo ontvangt, dat wil zeggen het begrijpen van het woord.
Nu wordt ook begrijpelijk, waarom bij het kleine kind de drempel voor het taalbegrip groter is dan voor het spreken (bij de uiteenzetting over de taalontwikkeling hebben we daar al over gesproken). Aan het eind van het eerste jaar heeft het kind geleerd om met behulp van het ontwikkelde piramidale systeem bepaalde bewegingen te onderdrukken en kan daardoor woorden begrijpen, hoewel het nog niet spreken kan. Want het begrijpen van woorden, het verwerven van de woordzin, is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de motoriek van het spreken, dus het spreken zelf. Zo lang het kind brabbelt, is de woordzin nog niet ontwikkeld. Wanneer dit wel het geval is, verandert het brabbelen langzamerhand in spreken.
Deze trapsgewijze ontwikkeling moeten we duidelijk in het oog houden, want anders kunnen we de ontwikkeling van de kinderlijke geest niet volledig begrijpen. Het is dus zó, dat na het rechtop leren lopen de taalzin geboren wordt en dat daarna het spreken begint te komen.
Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen, dat het spreken zich ontwikkelt uit het geheel van de willekeurige motoriek. In de hierboven geciteerde voordracht zet hij dit op de volgende wijze uiteen: 'Als we de mens onderzoeken met de middelen van de geesteswetenschap, dan vinden we, dat de grond voor het begrijpen van de woorden en die van het spreken elkaar zeer verwant zijn ... het spreken stamt uit het werken van de ziel, speciaal uit het willen. Zonder dat ontstaat geen gesproken woord. Als men de sprekende mens nu geesteswetenschappelijk observeert, dan ziet men, dat er iets dergelijks in hem gebeurt als wanneer hij het gesprokene begrijpt. Als de mens zelf spreekt, omvat dit echter een veel kleiner deel van het bewegingsorganisme. Dat wil zeggen, dat het hele bewegingsorganisme in aanmerking komt als taalzin of woordzin. Het hele bewegingsorganisme is tegelijkertijd taalzin. Een deel wordt er echter uitgelicht en door onze ziel in beweging gebracht als wij spreken. Dit is het deel, dat hoofdzakelijk in het strottenhoofd zetelt en spreken is het opwekken van de bewegingen in het strottenhoofd door de wilsimpulsen. Wat in het strottenhoofd gebeurt bij ons eigen spreken komt tot stand, doordat de wilsimpulsen uit het zielegebied komen en het bewegingsorganisme dat in het strottenhoofd zetelt in beweging brengt, terwijl ons bewegingsorganisme in zijn geheel het zintuig is voor de waarneming van het woord'.
Deze uiteenzettingen wijzen er meermaals op, dat het 'bewegingsorganisme', waarvan wij het deel dat in rust is (het piramidale systeem) als het orgaan van de taalzin hebben onderkend, dus ook het spreken zelf omvat. Alleen is het proces van het spreken geconcentreerd in de werking van de spraakorganen rondom het strottenhoofd. Daar zijn de spieren van de tong, de wangen, de kaak en het strottenhoofd zelf in actie.
We zijn in onze uiteenzettingen zo ver gekomen, dat we het volgende kunnen vaststellen: In de taalontwikkeling van het kleine kind ontwikkelt de denkzin zich gedurende het tweede levensjaar en de verhouding tussen denkzin en spreken is dezelfde als tussen woordzin en rechtop lopen.
Mogen we daaruit de gevolgtrekking maken dat we het orgaan van de denkzin in een zelfde nauwe samenhang met de spraakorganen hebben te zoeken als het orgaan van de taalzin ten opzichte van de bewegingsmogelijkheid werd gevonden? Om hier een antwoord op te krijgen, zouden we dus het werk van de zenuwen moeten onderzoeken, die het strottenhoofd met zijn gecompliceerde spierenstelsel verzorgt.
De spieren van het strottenhoofd die de hele ingewikkelde beweging van het spreken mogelijk maken, zijn een in zichzelf besloten miniatuur zenuwstelsel. De buik , borst , rug- en ledematenspieren zijn in hun veelvoudigheid en grootte in dit stelsel niet alleen verkleind, maar ook vereenvoudigd en als het ware in een punt samengetrokken. En toch geven ze de mogelijkheid tot de oneindige variatie die nodig is voor alle modulaties bij zingen en spreken. Dit kleine bewegingssysteem wordt door twee grotere zenuwbanen verzorgd, die van beneden en van boven komende in het strottenhoofd binnen dringen en zich daarna vertakken tot in de andere spieren en hun weefsel.
Tot nu toe is in de fysiologie nog met veel te weinig verbazing het feit beschouwd, dat deze twee zenuwbanen hun oorsprong hebben in het systeem van de twaalf hersenzenuwen. De zenuw waarvan ze afgeleid worden, staat bekend onder de naam nervus vagus. Onder de twaalf hersenzenuwen neemt deze nervus vagus een heel bijzondere plaats in, omdat hij de enige is, die tot het autonoom zenuwstelsel hoort. Dit is het zenuwstelsel, dat over het hele lichaam verspreid ligt en vooral de functie van de grote organen, van de bloedvaten en de vochtstroom door de weefsels controleert. Een zenuwstelsel, dat zich dus vooral bezig houdt met de orgaanfuncties die zich in het onderbewuste afspelen. Door dit autonome zenuwstelsel wordt de afscheiding van de klieren, de hartslag, de beweging van maag en darmen en de spanning in de wanden van alle bloedvaten geregeld.
Het zijn de verborgen functies, waarvan we ons alleen bewust worden bij ziekelijke toestanden en die dan als pijn, onbehagen, maar ook als honger en dorst merkbaar worden. Juist van deze zenuw, die het vegetatieve leven van ons bestaan regelt, gaan vertakkingen naar het strottenhoofd en deze werken ordenend in op een van de hoogste menselijke prestaties. En dat is het spreken!
Dit is een heel merkwaardig verschijnsel, dat de volle aandacht vraagt. Het spreken, dat immers een volkomen willekeurige bewegingsactiviteit is, staat dus in tegenstelling tot alle andere willekeurige bewegingen volkomen los van het piramidale systeem.
Juist wat zijn verzorging door zenuwen betreft hoort dit zeer belangrijke gebied van het menselijke leven veel eerder tot de vegetatief minder bewuste terreinen. Dit kan ook verklaard worden door het feit, dat het strottenhoofd een deel van het ademhalingsorgaan is en niet van het spierenstelsel. Hiermee bouwt men echter slechts een brug over de verborgenheden van het probleem, dat daarmee zelf niet onderzocht wordt. Toch willen we proberen om iets van dit verschijnsel te begrijpen.
In een waardevolle studie komt Rudolf Treichler tot de conclusie, dat het autonome zenuwstelsel in zijn geheel zeer nauw samenhangt met de levenszin. Hij gaat zo ver te poneren, dat dit zenuwstelsel het waarnemingsorgaan is voor de levenszin. Het geheel van ons levensgevoel en onze levensprocessen kunnen we dus tot het gebied van het vegetatieve of autonome zenuwstelsel rekenen. Vanuit dit vegetatieve leven kunnen bepaalde gevoelens zoals honger en dorst, welzijn en onbehagen de drempel van het bewustzijn bereiken. In de hierboven aangehaalde voordracht van Rudolf Steiner, waarin hij de drie hoogste zintuigen probeert te beschrijven, is ook een passage, die over de denkzin gaat. Daar staat: 'Wat is het orgaan waarmee we de gedachten van andere mensen waarnemen? Dit orgaan is alles wat wij zijn, voor zover wij in ons beweging en leven waarnemen. Als u bedenkt, dat u in uw hele organisme een eenheid van levende beweging draagt dat in het fysieke tot uitdrukking komt, dan is dit het waarnemingsorgaan voor de gedachten die ons uit de buitenwereld tegemoet treden ... Zonder dit orgaan zou dit niet mogelijk zijn. Ik spreek hier nu niet over de levenszin. Het gaat er hier niet om, dat we innerlijk ons hele levensgevoel waarnemen dat hoort tot het gebied van de levenszin maar dat we leven in ons dragen. Alles wat tot het fysieke organisme van ons leven behoort is het waarnemingsorgaan voor de gedachten waarmee een ander mens tot ons komt'.
Uit deze uiteenzetting van Rudolf Steiner blijkt heel duidelijk, dat hij het orgaan van de denkzin ziet in het gebied, waar de beweeglijkheid en het leven zetelt, dus in de regionen van het autonome zenuwstelsel. Maar moeten wij ons nu voorstellen dat al het leven zelf in de opbouwende en afbrekende processen het orgaan van de denkzin is? Hier maakt de geesteswetenschappelijke onderzoeker een zekere beperking, die hij twee keer herhaalt als hij zegt, dat hij het leven bedoelt 'voor zover het zich in het fysieke uitdrukt' en zelfs zegt 'wat in ons fysieke organisme leven is'. Hoe moeten we dat begrijpen?
Een grondig onderzoek van het autonome zenuwstelsel door fysiologen en neurologen heeft er langzamerhand toe geleid om in dit gebied twee verschillende delen van elkaar te onderscheiden: een sympatisch en een parasympatisch deel. Aan beide worden zeer verschillende polaire functies toegeschreven. Aan de sympaticus wordt een meer prikkelende werking toegeschreven, aan de parasympaticus een meer rustgevende. Op deze polaire functie binnen het autonome zenuwstelsel heeft men talrijke theorieën en hypothesen opgebouwd. De Zwitser Hess, die zich zijn leven lang met deze vragen heeft bezig gehouden, formuleert het in de volgende woorden: 'de sympaticus dient de ontwikkeling van de actuele energie, terwijl de parasympaticus voor de instandhouding en opbouw van het potentiële prestatievermogen zorgt.' Treichler karakteriseert deze polariteit in zijn hierboven genoemde studie op de volgende wijze: 'Er moet nog vermeld worden, dat het parasympatische deel, dat vertegenwoordigd wordt door de nervus vagus, meer in dienst staat van de waarneming van het gewordene, terwijl door het sympatische deel de activiteiten van de organen worden waargenomen of daarbij als bemiddelaar optreedt'.
Hier wordt het geformuleerd op een wijze, die voor het oplossen van ons probleem een richtsnoer kan geven. De theorie rondom de functie van het vegetatieve zenuwstelsel gaat tegenwoordig mank aan een fatale vergissing. Men schrijft deze zenuwen een actieve en in de breedste zin van het woord een motorische werking toe en men ziet bijna geheel over het hoofd dat het hier ook om zuiver sensorische organen gaat, die dus met het gevoelsleven te maken hebben. En als Treichler aan het sympatische deel de beleving van de levensfuncties van de organen toeschrijft, geeft hij hiermee wel een zeer juiste aanduiding. Het sympatische deel van het autonome systeem is het orgaan van de levenszin. Wat bedoelt hij echter met de 'waarneming van het gewordene'?

Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen, hoe omstreeks het zevende jaar van het kind de levenskrachten een belangrijke metamorfose ondergaan. Tot aan die tijd werden ze bijna uitsluitend gebruikt om de organen en de weefsels verder in hun structuur en vorm te ontwikkelen. In de tijd van de tandenwisseling komt een deel van deze vormkrachten vrij en wordt omgevormd tot krachten die in dienst komen te staan van het denken, Wat Treichler de 'waarneming van het gewordene' noemt, die hij in verband ziet met de nervus vagus, zijn deze voornoemde gemetamorfoseerde vormkrachten.
Mogen we nu, na alles wat we naar voren hebben gebracht, de nervus vagus met zijn talrijke vertakkingen door het hele organisme niet de rol toeschrijven van orgaan van de denkzin? Deze zenuw is immers 'fysiek', dat wil zeggen materieel doorlopend actief in alle orgaanwerkingen. Zoals we als orgaan van de levenszin het sympatische deel van het autonome zenuwstelsel hebben gevonden, mogen we nu in het parasympatische deel de nervus vagus in verbinding met de hersenen het orgaan van de denkzin zien.
Nu begint er een licht op te gaan over het merkwaardige verschijnsel, dat we in deze uiteenzettingen als uitgangspunt namen. We zeiden, dat de spieren van het strottenhoofd als willekeurige organen door twee zenuwbanen verzorgd worden, die zich aftakken van de stam die de nervus vagus is. We leren nu pas begrijpen, waarom de denkzin zich in de loop van het tweede jaar ontwikkelt door het leren spreken. Nadat het kind de woordzin heeft ontwikkeld, wordt het zich bewust van de taalsfeer die om hem heen is. Tot nu toe waren woorden en zinnen alleen maar klanken en onbestemde geluiden, maar nu begint er begrip voor te ontstaan. De woorden en zinnen die het kind 'waarneemt' begint het nu ook na te bootsen en zijn strottenhoofd wordt nu voorbereid op het actieve spreken. Want het zijn niet de impulsen van de zenuwen die zich van het strottenhoofd bedienen, maar de ziel zelf, die toegroeit naar de bereidheid om zich uit te spreken, gaat het strottenhoofd als haar instrument gebruiken. Dit pogen pulseert doorlopend door het spraakorganisme met zijn spieren en zenuwen. De spieren komen langzamerhand onder de heerschappij van de sprekende ziel en door de zenuwen die daarbij horen stromen de woordbeelden het autonome zenuwstelsel binnen. Daar versmelten ze met de levensverrichtingen van het hele organisme en zetten er het stempel op van het typerende van het eigen taalgebied. Want in alle levensprocessen staan de mensen op de omvangrijkste wijze onder invloed van de taal van het gebied waar ze opgroeien en leven. Dat komt tot stand langs de wegen, die we zo juist beschreven hebben.
De woordvormen, die bij de levensprocessen horen, stromen langs de zenuwbanen en werken ook in de nervus vagus met al zijn vertakkingen en vormen hem daardoor om tot een orgaan dat als fysiek instrument voor de activiteit van de denkzin kan dienen.
De vormkrachten die in de levensprocessen werkzaam zijn, zijn de zelfde die alles wat op aarde leeft, hebben doen ontstaan. Ze werken in de natuur en in de mens en zijn een deel van de eeuwige ideeën die de grondslag vormen van alles wat leeft en bestaat. Als ze de vormen van woorden en klanken ontmoeten, vinden ze door deze poort de toegang tot de wereld der ideeën.
Het piramidale systeem hebben we een muziekinstrument met duizenden snaren genoemd, dat ons mogelijk maakt om de taal waar te nemen. De nervus vagus is het instrument dat samengesteld is uit alle gebieden, die als levende organen in ons werken. De scheppende ideeën werken vormend en ontbindend in ons levende organisme. Met zou dit kunnen beschouwen als een machtig stelsel van hersenen, dat steeds opnieuw wordt gevormd en dat een stroom van ongevormd leven en ongevormde daden uitzendt. De takken en twijgen van de nervus vagus komen hier te voorschijn en verbinden zich tot een geheel, zoals de takken en twijgen die we in de kroon van een boom zien, naar onderen toe de stam vormen. Hier wordt echter de stam naar boven toe gevormd en eindigt met de wortels in het uiterste gedeelte van de hersenen, die als een fysiek orgaan in de schedel besloten liggen. Vanuit het levensspel in de organen loopt de nervus vagus uit in de dode en gevormde hersenen. Op deze brug tussen leven en dood wordt het orgaan voor de denkzin steeds weer opnieuw gevormd. In de nervus vagus ontmoeten de begrippen en ideeën die ons door de woorden van andere mensen tegemoet komen, de levende vormkrachten, die werkzaam zijn in het levensorganisme van de mens. Uit deze ontmoeting ontstaat elke onmiddellijke herkenning door onze zintuigen.
Doordat de nervus vagus deze nauwe verbinding heeft met de hersenen kunnen we ons bewust worden van onze zintuigindrukken en kunnen de ideeën die in de woorden vervat zijn, gekend en beleefd worden door ons waakbewustzijn.
Deze verschijnselen geven een eerste begrip voor de morfologische manifestatie, die tot uitdrukking komt in het werken van de zenuwen in het strottenhoofd. Voor zover het de nervus vagus is, doet het parasympatische zenuwstelsel zich kennen als het zintuigorgaan van de denkzin.

(wordt vervolgd - klik hier)


literatuur:
Rudolf Steiner: Von Seelenrätseln (GA 21)
K.König: Der motorische Nerv wird enttrohnt – Die Drei, Heft 1, 1955
K.König: Die Nerventätigkeit kann nur durch eine Methode der Ausschliessung erfasst werden – Beiträge zur einer Erweiterung der Heilkunst, Heft 3/4, 1955
Rudolf Steiner: Geistige Hintergründe der menschlichen Geschichte (GA 170) 6e voordracht 2-9-1916
Kurt Conrad: New Problems of Aphasia – Brain, Vol.77, 1954
Rudolf Treichler: Von der Welt des Lebenssinnes - Beiträge zur einer Erweiterung der Heilkunst, Heft 7/8, 1952
Chr. Koetz: Allgemeine Physiologie der autonomen nervösen Correlationen – Berlin 1931
Rudolf Steiner: Weltwesen und Ichheit (GA 169) – 2e voordracht 13-6-1916