dinsdag 6 december 2016

Vaardigheden voor op school en/of thuis


Er verschijnen steeds vaker publicaties, waarin wordt gemeld dat Bewegen en Leren aan elkaar gekoppeld zijn. Rudolf Steiner vertelde daar al reeds in 1919 over, toen hij bijvoorbeeld over het rekenen zei:
'Als u kinderen ontdekt met bijzonder weinig aanleg voor rekenen, dan doet u er goed aan om het volgende te doen. De andere kinderen zullen in de regel twee uur gymnastiek in de week hebben., dat wil zeggen 1 uur gymnastiek en 1 ur euritmie. Die kinderen die niet goed rekenen, die laat u samen een heel of half uur langer euritmie of gymnastiek doen. U hoeft uzelf daarvoor niet te belasten: u neemt ze samen met anderen die net op dat moment die lessen hebben. Men moet ervoor zorgen dat zulke kinderen juist door gymnastiek en euritmie hun vermogens ontwikkelen.

U laat die kinderen staafoefeningen doen: naar voren 1, 2, 3; naar achteren 1, 2, 3, 4. Het kind moet de staaf dus steeds naar voren en naar achteren houden. Het moet zich inspannen om de staaf op de een of andere manier bij 3 naar achteren te krijgen. […]
U moet proberen om in de gymnastiek en misschien ook de euritmie getallen te verbinden met de bewegingen van het kind, zodat het gedwongen is te tellen terwijl het zich beweegt. U zult zien dat dat succes heeft.'

uit: Rudolf Steiner: PRAKTIJK VAN HET LESGEVEN
8e voordracht 29 augustus 1919

Binnen de vrijeschoolpedagogie is de relatie bewegen en leren dus al vanaf de begintijd bekend. De resultaten van wetenschappelijk onderzoek door hedendaagse wetenschap bevestigen deze relatie duidelijk.
Het jonge kind vóór het 7e levensjaar beweegt zich van nature en bootst daarbij de mensen (volwassenen en kinderen) in de omgeving na. Wanneer die goed, vaardig of gracieus bewegen, zal het kleine kind dit vanzelf ook gaan doen.
Na de tandenwisseling moet het bewegen verder worden 'opgevoed', gericht geoefend. Denk bijvoorbeeld aan het tekenen, dat verder moet worden geoefend en omgevormd tot de kunst van het schrijven. Sowieso moet het tekenen en schilderen vanaf de tandenwisseling onderwezen en geoefend worden, anders blijft deze vaardigheid staan op het niveau van eind kleuterklas, wat bij menig volwassene inderdaad het geval is. Hieronder een lijst met vaardigheden, die via een omweg over Amerika in mijn bezit is gekomen, maar waarschijnlijk door wijlen Else Göttchens is opgesteld.

vaardigheden in beweging voor klas 1 t/m 4 (groep 3 t/m 6)

Klas 1 (groep 3):
Opgooien en vangen van ballen.
Balgooien naar elkaar (vanaf 7 jaar)
Zang- en bewegingsspelletjes
Klappen onder en boven de benen, zittend, staande, lopend
Touwtje springen (zelf draaien en met gesloten voeten) essentieel voor de eerste klas
Goede lichaamsgeografie
Klappen van de ritmes voor de verschillende temperamenten
Hoogspringen over een touw, steeds wat hoger
Met de voet schrijven. Wat geschreven wordt moet leesbaar zijn aan het eind van het jaar.

Klas 2 (groep 4):
Klappen vóór en achter het lichaam.
Een bal vangen met verschillende delen van het lichaam (tussen benen, onder arm, onder de kin)
Evenwichtsbalk
Lopen door van tegel tot tegel te stappen (in combinatie met een versje)
Lopen over een lijn op de vloer (brug) met iets op het hoofd (stok, bonen­zakje)
Elkaar passeren op een boomstam zonder elkaar eraf te duwen
Richt- en mikspelletjes (ballen in een mandje gooien enz.)
Exact ritmisch klappen
Hinkelen en hinkelspel
Dubbele sprong met het touwtje springen (bom)
Euritmische gebaren van de vocalen met de benen uitvoeren (samen met de euritmiste)
Knikkers, kralen, eikeltjes enz. oppakken met de tenen en in een mandje doen
Op één been staan en dingen doen en/of iets opzeggen
Schrijven met de voet moet leesbaar zijn
Op de tenen en de hielen lopen

Klas 3 en 4 (groepen 5 en 6):
Steltlopen
Touwtje springen in sequenties (b.v. spring, draai rechts, spring, draai links, spring)
Gecompliceerde ritmes klappen
Arbeidsspelen en liederen
lopen in patronen (scherpe vormen en draaiingen, over het midden met tweetallen of met viertallen klas 4)
Team spelletjes (b.v in een rij een bal doorgeven onder de benen door héén en over de hoofden weer terug)
Krabbenloop (eerst zitten met opgetrokken knieën, voeten op de vloer, handen achter de rug. Vanuit zit buik en heupen tot horizontaal omhoog opdrukken. Kin richting de borst houden)

Leerkrachten zouden het belang van aandacht voor goed bewegen niet moeten onderschatten. Daarom hieronder wat 'strenge' opmerkingen van een oud-collega:
IN KLAS 1 - alle kinderen MOETEN meedoen. Werk al vroeg met beurten in kleinere groepjes (+/- 6 à 8 kinderen) zodat je de individuele vaardigheden beter kunt observeren.
IN KLAS 2 - alle kinderen MOETEN het kunnen in kleine groepjes. Oefenen dus.
IN KLAS 3 - ieder kind moet de oefening alleen correct kunnen uitvoeren.
IN KLAS 4 - ieder kind moet het kunnen en eraan gewend zijn het voor de klas te laten zien zodat de kinderen elkaar kunnen aanmoedigen en stimuleren.
Alle hierboven genoemde vaardigheden zouden in klas 3 beheerst moeten worden. We zouden daar eigenlijk zeer strikt in moeten zijn. Dit is even belangrijk als de vertelstof!
In onze cultuur met TV, radio en auto wordt passiviteit bevorderd. Het lichaam van de kinderen wordt daardoor vaak onbewegelijk, te zwaar, niet gecoördineerd of daardoor juist overbe­weeglijk. Tegen de puberteit moet het lichaam van de jonge mens de activiteiten en de initiatieven van de ziel kunnen ondersteunen. De natuurlijke behoefte en vreugde om te bewegen bij het jonge kind moet vanaf 7 jaar verder worden opgevoed, juist in de lagere klassen. Dat juist dus vóórdat de puberteit aanbreekt.

Thuis

De Amerikaanse euritmiste Rachel Ross (euritmie therapeute en Extra Lesson lerares) somt in haar boek 'Adventures in Parenting - a support guide for parents' vaardigheden op, die een kind thuis met ouders kan doen - eventueel als huiswerk opgegeven door de leerkracht. Zij vermeldt er ook nog bij voor welke onderdelen de verschillende activiteiten goed zijn.

Vestibulaire systeem – Evenwicht:
Spelen met een grote strandbal of dergelijke, waarop het kind kan liggen, overheen rollen, op zitten en stuiteren (onder supervisie van de ouders)
In een grote kartonnen doos rollen of glijden, b.v. van een hellinkje.
Ritjes in een kruiwagen
Springen op een hinkelpaadje (verschillenden stenen/stoeptegels) en/of op een trampoline (op bed is ook goed, wanneer dat mag)
Speeltuintoestellen of in de tuin: schommel, draaimolen, glijbaan, wip, klimhuisjes, enz.
Trappen beklimmen alternerend, maar ook met twee voeten tegelijk op de volgende trede springen.
In een hangmat schommelen.
Springtouwspelletjes
Evenwichtsbalk, of op een stoeprandje, aan de hand op een laag hekje.
Balance board, wipwapje

Voor de tactiele perceptie- tastzintuig:

Verkennen van zoveel mogelijk natuurlijke materialen: klei, zand, verf, stoffen, hout, enz.
Deeg kneden voor brood of taart.
Druk massage van de voeten, benen of de rug.
Oprollen in een kleed of laken geeft massage en kalmeert.
Flink stevig afdrogen na het bad. En voor het naar bed gaan.
In zand tekenen
‘Angels in the snow’, of in het zand of op een kleed.
Zware dingen dragen, boodschappentas, helpen met de kruiwagen in de tuin, enz.

Voor Grove Motoriek:

Kruipen op allerlei manieren, door hoepels of onder tafels en stoelen door, enz.
Slaan tegen een ballon aan een draadje.
Zwemmen
Kleedjes of doeken uitkloppen en opvouwen.
Tekenen op een schoolbord, schilderen op een ezel.
“Schipper mag ik over varen?”
“Alles doen wat moeder doet”.
Het spel ‘Twister’
Ballon volleybal
Touwtrekken
Hoelahoep
Springspelletjes en touwtjespringen
Hinkelen
Schommelen en klimmen
Kleuren en tekenen

Waarnemen:
Sorteren van wasgoed, b.v. sokken, theedoeken, handdoeken
Sorteren van kalen, ansichtkaarten, knopen, schelpen – op grootte, vorm of kleur
Tekenen van verschillende eenvoudige objecten
Zangspelletjes met aanraken van verschillende lichaamsdelen ‘Klap eens in je Handjes’
Zangspelletjes met hand/vingerbewegingen b.v. ‘Olleke Bolleke’, ‘Op een Bolletje”
Gebruik en speel met ruimtelijke begrippen: in/uit, boven/beneden, voor/achter, groot/klein. over/onder enz.
Schilderen en tekenen
Spel met houten blokken, Kapla, maar ook LEGO
Springen over een touw of andere dingen
Bordspelen: Ganzenbord, Mens erger je niet, enz.

Vaardigheden uit het dagelijks leven:
Kniekousen aantrekken eerder dan korte sokken
Knopen, dassen, ritssluitingen bij de pop oefenen voordat het kind het bij de eigen kleding doet. Grote knopen eerst, later kleinere.
Verkleden uit de mand met verkleedkleren
Een kind kan b.v. een knikker in de vingers houden wanneer het de arm in een mouw moet steken.
Spreek als volwassenen altijd bij en over wat je doet.
Geef het kind de tijd om zich aan of uit te kleden.
Moedig het kind aan zelf dingen te doen aangepast aan de leeftijd: vegen, harken, scheppen, graven, was vouwen, afwassen, poetsen, tafel dekken, bed opmaken of recht trekken, enz.
Helpen met boodschappen doen, dingen uit de rekken pakken, dragen, helpen het karretje duwen, thuis helpen met dingen in de keukenkastjes zetten.

Voor visuele vaardigheden en bewegen:
Met grote verfkwast of groot krijt op een schuin oppervlak tekenen, b.v. een rol IKEA-papier of op een schoolbord, aan de muur of op een ezel.
Scharen leren hanteren
Kettingen rijgen van kralen, macaroni, strootjes, paper clips en andere materialen
Plastic flesjes
Bonen en kralen sorteren
met een pipetje druppelen, bv. op gekleurde papiertjes
vingerhaken, vingerbreien
Knijpers pakken met duim en vingertoppen
Vlooienspel
Vormtekenen, vormen overtrekken, langs vormen tekenen
Kneden en rollen van deeg en kleine bolletjes, deegroller gebruiken’
Helpen bij het schillen en snijden van groente en fruit
Ballen vangen en gooien
Knippen en plakken

Fijne motoriek en oog-hand-coördinatie:
Deeg kneden, deeg of beslag maken en roeren voor brood of koekjes
Vinger breien/haken
Beginnen met naaien met grote stompe naald, vilt, wol en langzaam aan naar fijner werk en kuissteek
Opstapelen van en spelen met blokken; (ook voor evenwicht en tast)
Sorteren en rijgen van kralen of bonen. Je kunt ook bloemenkettingen rijgen (madeliefjes)
Papier vouwen en knippen, kleedjes vouwen
Knikkerspelletjes, knikkers op pakken met de tenen. (Kan ook met wasgoed of sokken)
Vingerspelletjes
Vingerpoppetjes
Verschillende soorten scharen en knippen van verschillende soorten papier (ook voor spierkracht en controle)
Maken van papieren waaiers, kaarten, vliegtuigjes vouwen, sneeuwkristallen knippen
Poppen aan en uitkleden
Timmeren met een hamer en spijkers
Tekenen en schilderen


zaterdag 26 september 2015

Audrey McAllen in een brief 7 januari 1991:


The Extra Lesson exercises are in themselves 'imaginations' which have meaning for the child - they need no embellishment - they are a statement of fact. The more we penetrate them the richer we become inwardly & so provide a harmonious & rich environment for the child's soul to respond to. From this foundation which has been given, remedial work can grow, enlarge & renew itself etc.
(Audrey McAllen)

De oefeningen uit De Extra Les zijn op zichzelf staande imaginaties, beelden die een zekere betekenis hebben voor het wezen van het kind. Ze hebben geen opsmuk nodig - ze geven een feit weer. Hoe meer wij zelf de oefeningen doordringen hoe rijker wij innerlijk worden. Dan kunnen we een harmonieuze en rijke omgeving scheppen waar de ziel van het kind op kan reageren. Vanuit deze gegeven grondlagen kan het remediërende werk groeien, breder worden en zichzelf vernieuwen.
---------------------------------------------------

Met deze woorden wilde Audrey McAllen ons nog eens op het hart drukken, dat de oefeningen gebaseerd op het concept van De Extra Les zich richten op de geestelijke organisatie van het kind, die achter het fysieke lichaam van de mens werkzaam is. Met deze oefeningen richt men zich namelijk in eerste instantie niet op de ziel van het kind, zoals b.v. de klassenleraar dat doet. Het fysieke lichaam van de mens heeft een veel langere ontwikkelingsgeschiedenis waarmee hogere geestelijke wezens bemoeienis hebben gehad. Het fysieke lichaam (=de optelsom van alle zintuigen) werd al reeds voorbereid door de Archai, toen deze hun mensheidsontwikkeling doormaakten op de Oude Saturnus. Andere wezens uit de geestelijke hiërarchieën bereidden het etherlichaam van de mens voor (Aartsengelen - Oude Zon) en weer andere wezens het astraallichaam (Engelen - Oude Maan). Juist met die geestelijke wezens kunnen we als leraren samenwerken, wanneer wij het antroposofische concept van de architectuur van het fysieke lichaam willen doordringen en er mee gaan werken. De basis van De Extra Les wordt gevormd door de voordrachten Antroposofie, die Rudolf Steiner in 1909 hield. Toen Audrey McAllen haar opleiding tot vrijeschoollerares volgde, werd deze cyclus gebruikt omdat het de enige was die toen in het Engels vertaald was. In de opbouw van de serie voordrachten uit 1909, 1910 en 1911 (Anthroposophie, Psychosophie en Pneumatosophie - GA 115) kan men de fundamenten voor de latere Algemene Menskunde herkennen. Men kan er zelfs van uitgaan dat de eerste Waldorfleraren die aanwezig waren bij deze cursus Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie, deze vroegere voordrachten goed kenden.

Audrey McAllen geeft in deze korte passage uit haar brief aan dat we ons sterk moeten verbinden met de antroposofische visie op de mens en het zich ontwikkelende kind en dat we tegelijkertijd niet moeten schuwen om kennis te nemen van het onderzoek in de reguliere wetenschap, die we dan moeten leren verbinden met geesteswetenschappelijke inzichten. Doen wij dat niet, maar gaan we 'shoppen' en 'sprokkelen' we klakkeloos van overal allerlei oefeningen bij elkaar 'die ook wel leuk zijn' om te doen, dan raakt het ziele-geestwezen van het kind gedesoriënteerd. Gedurende het slaap kan dit ziele-geestwezen zich dan niet met wezens van de hiërarchieën uiteen kan zetten. Zelf de oefeningen proberen te beheersen geeft ons niet alleen toegang tot de concepten achter De Extra Les, het scherpt ook ons waarnemen van de kinderen en hun hulpvraag.

Wijlen Renee Querido (destijds voorzitter van de Antroposofische Vereniging in de USA en leider van het Rudolf Steiner College, Fair Oaks, Californië-USA) zei eens dat Rudolf Steiner aan de pedagogen het geestelijke inzicht in de ziel heeft gegeven en dat Audrey McAllen op basis van Steiners aanwijzingen voor de pedagogie het inzicht in de geestelijke structuur en werking van het fysieke lichaam heeft uitgewerkt.
Waldorf (vrijeschool-) leraren weten, dat de fysieke ontwikkeling van het kind het fundament vormt voor het leren. Zelfs de meest getalenteerde persoonlijkheid heeft een goed ontwikkeld fysiek instrument nodig om zijn meegebrachte kwaliteiten ten volle te kunnen verwezenlijken.