woensdag 12 juli 2023

Identiteit en Persoonlijkheid / Structuur en Constitutie

door: Audrey E. McAllen


Door de leerproblematiek, waarmee we de laatste decennia te maken hebben gekregen, worden we als leerkrachten gedwongen om een bewustzijn te ontwikkelen van het verschil tussen het structurele bewegingssysteem van het lichaam (d.w.z. botten, spieren en zenuwen) en de constitutie van het lichaam (d.i. de ademhaling, bloed- en lymfecirculatie, spijsvertering en de inwendige organen).

De ontwikkeling van deze twee systemen staan in contrast met elkaar. De structurele componenten ronden hun ontwikkeling af in de eerste maanden na de geboorte; een foetus kan in de baarmoeder al niezen. Niezen is alleen mogelijk wanneer het zenuwstelsel al als eenheid kan functioneren. Daarentegen zijn het spijsverteringssysteem, de bloed- en lymfecirculatie en de organen, hoewel zij al wel zijn gevormd, bij de geboorte nog niet volgroeid en zijn de eerste zeven levensjaren nodig om hun ontwikkeling te voltooien. Zij worden “uitgebroed” door de liefde en warmte die het kind ontvangt vanuit zijn omgeving.(1)

Het eerste grote moment waarop de individualiteit zich zelf laat gelden als een aardewezen is wanneer het de zwaartekracht overwint en rechtop kan gaan staan. Dan is het vrij om zich in alle ruimterichtingen te bewegen, vooruit en achteruit, omhoog en omlaag, naar links en rechts. Deze verticale houding en beweging in de ruimte geeft het gevoel een identiteit te zijn; dit is de activiteit van het Ik, het geestelijk wezen dat van incarnatie naar incarnatie gaat en dat in de tijd na de dood zelf de rechter is over de ziel (astraallichaam) (2). Dit eeuwige Ik leeft nu met een scherp bewustzijn voor alles wat in zijn omgeving is en het ziet ook zijn eigen lichaam als een object van observatie. 

Agatha Christie beschrijft in haar autobiografie hiervan een mooi voorbeeld. Wanneer zij haar kleinzoon Mathew de trap af ziet lopen — hij is twee en een half jaar oud — merkt ze op dat hij heel trots is op zijn nieuwe vaardigheid. Hij mompelt tegen zichzelf: “Mathew gaat de trap af, Mathew gaat de trap af, Mathew kan de trap af.”  Ze zegt dan tegen zichzelf. ”Ik vraag me af of we in het begin van ons leven, zodra we kunnen denken, onszelf allemaal beschouwen als een ander persoon, die als het ware scheiden is van degene die observeert? Heb ik over mijzelf ooit gezegd: “Dit is Agatha met haar feestsjerp, die de trap af loopt naar de eetkamer.”? Het lijkt alsof het lichaam waarin onze geest woont eerst vreemd voor ons is, een wezen, waarvan we de naam kennen, waarmee we het kunnen vinden, maar waarmee we ons nog niet helemaal identificeren. Wij zijn “Agatha, die de trap af loopt.” Plotseling verandert dat in “Ik loop de trap af.” De verworvenheid van het woordje “Ik” is de eerste stap in de ontwikkeling van een persoonlijk leven.”  (3)

Het bewustzijn, dat zichzelf van buiten af observeert, wordt gevormd door het eeuwige Ik dat bij de Hiërarchieën was toen zij het menselijk lichaam en het lichaam van de aarde zelf voorbereidden tijdens de evolutie van Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan. Het zenuwstelsel, dat ons bewustzijn ondersteunt, is aangelegd vanuit de tekens van de Dierenriem; de Dierenriem vormt het oerbeeld van dit aspect van het fysieke lichaam. Het structurele bewegingssysteem, dat er voor zorgt dat wij rechtop lopen, vormt de basis voor de Bewustzijnsziel waarin het eeuwige Ik ontwaakt tussen het 35ste en 42ste levensjaar. Het is de opdracht van de mensheid  dit structurele fysieke lichaam in de verre toekomst te transformeren – een innerlijke werkzaamheid door het Ik – tot Geestmens. De kiem van deze ontwikkeling wordt gelegd gedurende het eerste levensjaar.

Het duurt echter drie jaar voordat het kind zichzelf “Ik” noemt, een verworvenheid, die Agatha Christie de eerste stap in de ontwikkeling van een persoonlijk leven noemt. Iedere moeder wordt deze eerste ontwikkelingsstap gewaar; de peuter wordt eenkennig, hij ontdekt het woordje “nee” en kan dat woord met al zijn wilskracht vullen! 

Het persoonlijke aspect van het Ik — het zielenwezen — behoort tot de constitutionele organisatie van het fysieke lichaam waar de processen werkzaam zijn die de organen ontwikkelen. De planetenkrachten die hier werkzaam vormen de basis van de ziel met het tijdelijke Ik, het persoonlijke Ik, dat in iedere incarnatie anders is en dat wordt bepaald door het karma uit vorige levens via het geërfde lichaam en de omgeving waarin het is geboren. Talenten binnen de huidige incarnatie komen van dit tijdelijke Ik. Lees meer over de verschillen tussen het persoonlijk-tijdelijk Ik van individualiteiten in Rudolf Steiners Karmavoordrachten (4) en in zijn Mysteriedrama’s. (5) Dit zielen-Ik is het bewustzijn waarmee wij normaliter functioneren; het is de zetel van het intellect in onze huidige tijd.

De zetel van het eeuwige Ik, de geest, heeft zijn centrum in de onderste zintuigen: de levenszin ( somatisch-viscerale zintuig), de eigenbewegingszin (proprioceptie) en de evenwichtszin (het vestibulaire systeem). Deze zintuigen zijn verbonden met de nog in ontwikkeling zijnde Geestzelf, Levensgeest en Geestmens. (6) Ze zijn de grondslag van al onze vaardigheden. De organisator ervan is het eeuwige Ik, de geest die in de Bewustzijnsziel bewust wordt van zijn eigen geestelijke oorsprong. Het tijdelijke zielen-Ik is opgezogen in het astraallichaam en daardoor is het verweven met het persoonlijke denken, voelen en willen, in de plaats van dat het de capaciteiten denken, voelen en willen gebruikt als objectieve vermogens. Je kunt zeggen dat er gedurende het hele leven er een constante strijd plaats vindt tussen het eeuwige Ik en het persoonlijke zielen-Ik. Het zielen-Ik kan kiezen tussen het opvolgen van de morele intenties van zijn geestelijk wezen (het eeuwige Ik) en het zichzelf toestaan om dieper dan noodzakelijk is te worden opgezogen in de instincten en begeertes van het lichaam.

De gevolgen van die spanning worden opgelost wanneer tussen het eeuwige Ik en het persoonlijke Ik na de dood de Kamaloca-tijd doormaken. Idealen, morele drijfveren en deugden worden in de etherische kiem voor de constitutie van een nieuw lichaam gelegd, dat het eeuwige Ik voor zijn volgende incarnatie nodig zal hebben. Alle wilskrachten, die door het zielen-Ik zijn verkwist aan aardse genoegens, zullen als ballast voor de geestelijke wezensdelen van de Aarde achter blijven. Het eeuwige Ik gaat de geestelijke wereld binnen om samen met de Hiërarchieën zijn lot en zijn lichaam voor het komende leven voor te bereiden. (7) 

In de voordrachten “Aanwijzingen voor het leraarschap” (8) geeft Rudolf Steiner de leraren een pedagogische en een medische uitleg over deze twee systemen, het structurele systeem en het constitutionele systeem. Hij onderscheidt een uiterlijk en innerlijk etherlichaam en hun verbinding met het astraallichaam. Het uiterlijke en innerlijke fysieke lichaam en het uiterlijke etherlichaam zijn de zorg van de leraar. Terwijl het astraallichaam dat in de organen, bloed, ademhaling en circulatie werkzaam is, het domein van de dokter is. Daarna wijst Steiner de leraren op bepaalde scheikundige processen in de mens en hun relatie met de hem omgevende wereld. Zulke processen zijn heden te dagen onderzocht en ontdekt door wetenschappers en ook de aarde wordt gezien als een zichzelf steeds weer vernieuwend, levend organisme. Daarom moeten we ons bewust zijn dat de mens verbonden is met de geestelijke wezensdelen van de aarde. We hebben dus een dubbele identiteit: de mens als een beeld van de kosmos en de mens als beeld van de aarde. Keith Critchlow verwoordde het in een interview met Vicky Cruickshank als volgt:

Vicky Cruickshank: “Hier hebben we het, niet waar? De boven en onderkant: wat is het geestelijke van een stad en wat is een stad in relatie tot zijn voedsel? – het begin en het einde zijn hetzelfde en van evenveel belang. Werk aan het een en het andere verbetert ook meteen.” 
Keith Critchlow: “Precies, omdat het enorme geheim van investeren in het materialisme is, dat het altijd onbevredigend is omdat stof altijd in een staat van verandering verkeert. Neem bijvoorbeeld het lichaam, waarin bijna iedere cel elke zeven jaar wordt vervangen en waarvan geen stukje huid of vlees ouder is dan hoogstens achttien maanden. Dat wijst op het feit dat je als persoon geheel en al tijdelijk bent en daarom op de keper beschouwd en model of een identiteit. Het ding dat door dat merkwaardig veranderende lichaam van ons reist  is een identiteit. En wanneer je meer investeert in “verandering” in plaats van in het model stort alles in: de identiteit van de stad en zin bewoners is verdwenen…….”(10) 
 
Precies zoals het Christuswezen het eeuwige Ik ondersteunt gedurende de eerste drie jaren van ons leven (11), zo leidt Hij ook de aarde verder naar haar volgende ontwikkelingsstadia. En precies zoals onze omgeving zich afdrukt in ons etherlichaam via het uiterlijke structurele fysieke lichaam, zo ook moet deze archetypische structuur van de mens worden afgedrukt in het etherlichaam van de zich verder ontwikkelende aarde. (12)

Hierdoor kunnen we leren inzien dat binnen de vrijeschoolpedagogie de leraren de verantwoordelijkheid hebben om in te zien dat het kind niet alleen in zijn eigen archetypische fysieke lichaam incarneert, dat hem gegeven is door de Hiërarchieën, maar ook in de objectieve fysieke en geestelijke wezensdelen van de aarde, de sfeer waarbinnen Christus nu werkzaam is. De cruciale tijd voor dit incarnatieproces is gedurende de eerste zeven levensjaren. Wanneer dit proces niet geheel of onvoldoende is doorgemaakt is, wordt het noodzakelijke inhalen ervan  het een zaak van specifieke pedagogische aandacht.

(1) Rudolf Steiner: Opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie
(2) Rudolf Steiner: Anthroposophie als Kosmosophie II  (GA 208) voordrachten van 12 en 13 november 1921.
(3) An Autobiography. Agatha Christy (1890-19760 publ. Fontana 1978 ISBN 0006353 252
(4) Rudolf Steiner: Karmaonderzoek (NL vertalingen in 5 banden)
(5) Rudolf Steiner: Mysteriedrama's 1 en 2
(6) Rudolf Steiner: Antroposofie - In Zintuigen en levensprocessen, 4 voordrachten Oktober 1909
(7) Audrey McAllen: Sleep
(8) Rudolf Steiner: Aanwijzingen voor het leraarschap“ (GA 302a) 2de voordracht
(9) James Lovelock: Gaya, een nieuwe visie op de aarde
(10) Keith Critchlow: “Wholesome Cities” een interview met Vicky Cruickshank in Resurgence, mei/juni 1995Keith Barry Critchlow (16 maart 1933 - 8 april 2020) was een Britse kunstenaar, docent, auteur, hoogleraar architectuur en medeoprichter van de Temenos Academy in het Verenigd Koninkrijk.
(11) Rudolf Steiner: Geestelijke leiding van mens en mensheid
(12) Rudolf Steiner: Das Johannes-Evangelium in Zusammenhang zu den drei anderen Evangelien (GA 112)


Dit artikel verscheen in: Learning Difficulties, a Guide for Teachers, ISBN 0-945803-32-X
Rudolf Steiner College Press, 9200 Fair Oaks Boulevard, Fair Oaks CA 95628 USA











zondag 9 april 2023

Kinderen zelfstandig leren schrijven



uit de NRC van 6 april 2023
Het blijkt dus van het grootste belang dat kinderen vooral zelf veel schrijven. Zelf schrijven bevordert blijkbaar dus ook de leesvaardigheid en de interesse in lezen. Wat zei Rudolf Steiner daar ook al weer over?


uit: Praktijk van het lesgeven (Seminarbesprechungen) (GA 295)


EERSTE LEERPLANVOORDRACHT

Stuttgart, 6 september 1919, 's morgens


Het eerste is dan dat we, als we de kinderen in de eerste klas krijgen, geschikte stof vinden om te vertellen en te laten na vertellen. Aan de hand van dit vertellen van sprookjes, van sagen, maar ook van realistische verhalen uit de werkelijkheid, en ze te laten navertellen, ontwikkelen we het eigenlijke spreken. [...] Door erop te letten dat het kind goed spreekt, zullen we ook de basis leggen voor correct schrijven.

[…]

Gaan we hierbij rationeel te werk, dan zullen we in het eerste schooljaar zo ver komen dat het kind in ieder geval op eenvoudige manier het een of ander op papier kan zetten wat men hem voorspreekt of wat het zelf wil opschrijven. We houden het eenvoudig, en we zullen zo ver komen dat het kind eenvoudige dingen kan lezen.

[…]

Je hoeft er dat eerste jaar toch echt niet naar te streven dat het kind iets afrondt. Dat zou zelfs heel verkeerd zijn. Het gaat er veeleer om het kind in dit eerste jaar zover komt dat het gedrukte taal niet als iets volstrekt onbekends beschouwt en dat het zelf in staat is iets op een eenvoudige manier op te schrijven. Dat zou, als ik het zo mag zeggen, het ideaal zijn voor het taal- en schrijfonderwijs.

[…]

Het kind kan er in het tweede schooljaar geleidelijk toe gebracht worden om op te schrijven wat je vertelt. En als het kind dan veel geoefend heeft om op te schrijven wat hem verteld wordt, kan je het ook vragen om in heel korte beschrijvingen weer te geven wat het geleerd heeft over de dieren, planten, weide en bos van de omgeving. […] Wat de beschrijving, de denkende beschrijving van de omgeving betreft, ga je verder in wat je in het eerste schooljaar begonnen bent.

[…]

Het derde schooljaar is in essentie een voortzetting van het tweede wat betreft spreken, lezen, schrijven en nog veel andere dingen. Je zult het vermogen om dingen die het kind gezien of gelezen heeft op te schrijven nog verder uitbreiden.

[…]

Ook het vierde schooljaar zal weer een voortzetting zijn van het derde wat betreft vertellen en navertellen. […] En dan probeer je echter wat het kind heeft geleerd met over het schriftelijk navertellen, over de schriftelijke beschrijving, over te laten gaan in het schrijven van brieven, allerlei soorten brieven.

 […]

En dan is het belangrijk dat je in het vijfde schooljaar probeert het kind veel te laten oefenen...... [...] Probeer dan ook in wat je ze laat schrijven.... [...] Het schrijven van brieven wordt dan verder ontwikkeld.

[…]

In het zesde schooljaar gaan we natuurlijk steeds door met wat we in het vijfde hebben gedaan. [...] Laat de brieven nu overgaan in eenvoudige, concrete, zakelijke opstellen, waarin werkelijk dingen behandeld worden, die het kind ergens anders al van heeft leren kennen. 


===


Begin meteen in de eerste klas met het geven van eenvoudige auditieve en visuele dictees. Dat kan al met losse letters, daarna lettercombinaties (PS, ST, TS, PRT, Mmmm), dan overgaande in  klankzuivere éénlettergrepige woordjes, tot je uitkomt bij de diverse spellingscategorieën.

Bij visueel dictee schrijf je iets op het bord; de kinderen mogen er aandachtig naar kijken; je veeg het uit of draai het bord om en de kinderen schrijven het op. Dan kun je het woord weer laten zien om het na te kijken. "Wie heeft het goed?" Loop rond en controleer.

Later gebruik je zinnetjes.


Van simpelweg teksten van het bord overschrijven leren de kinderen niets. Die praktijk zou je zo veel mogelijk moeten vermijden. We voeden ze niet op tot kopieermachine.

Laat de kinderen veel zelfstandig tekstjes schrijven, of dicteer kleine stukjes. Op de juiste spelling komt het bij dan nog niet aan. Je kunt de kinderen wel laten zien: "Zo schrijven de grote mensen dat woord. Probeer jij dat ook eens zo te schrijven."


Later kun je de kinderen hun verhaal eerst in een kladversie laten schrijven. Die kunnen ze zelf, met een klasgenoot op spelling nakijken (of je doet dat als leerkracht door bijvoorbeeld vooraan een tekstregel aan te geven, dat er ergens een foutje staat).


Het gaat erom, dat kinderen zelf innerlijk actief zijn, gesproken taal moet worden omgezet in zichtbare tekens (bij lezen is dat andersom). Visuele en auditieve zintuigindrukken worden verwerkt in het ritmische gebied, daar waar de ziel zich met gevoelens van interesse met de zintuigwereld verbindt. Het ritmische gebied moet worden aangesproken. Door het zelf schrijven is ook de ledematenmens betrokken. Zo spreek je de gehele mens aan.