vrijdag 6 februari 2009

SLEEP - hoofdstuk 3


3 - NIET GEHEEL MIJN EIGEN WERK

In de voordrachten “De wereld van de zintuigen en de wereld van de geest” (GA 134) beschrijft Rudolf Steiner hoe de relatie tussen het menselijk Ik en het astraallichaam zou zijn geweest wanneer de Zondeval niet zou hebben plaats gevonden. Het astraallichaam op zich bevat de vaardigheden denken, voelen en willen. Het was de intentie van de goden dat het menselijke Ik dit astraallichaam -met de vaardigheden denken, voelen en willen- zou dragen als een waarnemingsorgaan, dat de ziel zich even objectief tot de buitenwereld zou verhouden als het oog zich verhoudt ten opzichte van de waarnemingen van de objecten die het ziet (Steiner: 'Wegen naar Christus'). Als gevolg van de tussenkomst van Lucifer is het menselijk Ik echter in het astraallichaam binnen gezogen. Daardoor worden denken, voelen en willen ervaren als persoonlijke eigenschappen. De mens kent zijn waarnemingen, zijn gevoelens, zijn gedachten en daden aan zichzelf toe, aan zijn tijdelijke persoonlijkheid van de huidige incarnatie. Daarom is de terugblik op het leven nodig, die na de dood plaats heeft. Het Ik moet dan de rechter zijn over het astraallichaam van deze incarnatie en onderscheid maken tussen de persoonlijke en tijdelijke zielenverwikkelingen in denken, voelen en willen en dat wat objectief is en behoort bij de eeuwige individualiteit - dat deel van ons dat, in samenklank met de hogere hiërarchieën, besluit over het lot voor de volgende incarnatie op aarde.
Deze subjectieve betrokkenheid bij de zielenbewegingen denken, voelen en willen maakt het mogelijk dat deze worden beïnvloed door elementen van begeerte die afstammen van luciferische wezens, die in de bovenzinnelijke wezensdelen van de mens werkzaam zijn. Tengevolge daarvan ervaren wij onze gedachten en gevoelens als exclusief bij onszelf behorend: ‘mijn ideeën’, ‘zo voel ik over wat ik doe’. Dit culmineert tot de houding dat we het astraallichaam en alle andere wezensdelen van onze organisatie beschouwen als mijn astraallichaam, mijn etherlichaam, mijn fysiek lichaam.
Maar is dat eigenlijk wel de juiste houding bij een moderne geestelijke wetenschappelijke opvatting? Wanneer we ‘De Wetenschap van de Geheimen van de Ziel’ bestuderen, leert ons dat al snel dat het fysieke lichaam - de blauwdruk ervan - de zorg was van de hoogste geestelijke wezens van het universum, die de plannen uitvoerden van het Al-Scheppende-Wezen van de Drie-eenheid. Dit fysieke lichaam is voor alle mensen hetzelfde. Iedereen heeft een lever, nieren en een milt en deze zijn bij iedereen op de zelfde plaats in het lichaam te vinden, onafhankelijk van individualiteit, ras enz. Hetzelfde geldt voor de beenderen, spieren en zenuwen en zelfs voor de hersenen. Zou dat niet zo zijn dan zouden chirurgische ingrepen en medicijnen voor bepaalde organen in ons lichaam niet mogelijk zijn. Dit wonderbaarlijke lichaam dat we gemeenschappelijk hebben, is het werk en het geschenk aan de mensheid van grote en machtige Scheppers, die eraan werkten en die het vervolmaakten gedurende lange periodes van evolutie. In onze tijd met onze moderne levenswijze zien we de tendens dat wij het lichaam misbruiken voor onze persoonlijke behoeften, zelfs op zo’n manier dat het vernietigd wordt ten behoeve van ons plezier of ter verzachting van pijn.

Gedurende de Oude-Saturnus-periode van onze planeet ontwikkelden de wezens van de hiërarchie der Archai hun Ik, door te werken aan het archetype van het fysieke lichaam zoals dat gewild werd door de Scheppers. Door deze Ik-ervaring, drie planetaire evolutiefases terug, draagt het koor van Archai nog steeds verantwoordelijkheid voor het fysieke lichaam van de mens, wanneer het door onze individuele ziel en geest wordt losgelaten wanneer de slaap intreedt. Wanneer ons Ik zich terugtrekt en de zintuigorganen verlaat, geeft het Ik dit apparaat voor coördinatie -beenderen, spieren en zenuwen (=het structurele fysieke lichaam)- over aan de zwaartekracht. Het bewustzijn van de Archai dringt erin binnen, om de kosmische vorm van de mens in dit structurele lichaam wat wij hebben verlaten te ondersteunen en kracht te geven.
Gedurende het laatste stadium van de slaap heeft het Ik er een vaag vermoeden van dat het reikt naar deze machtige wezens. Er ontstaat een soort oordeel in de ziel. Wij bespeuren op dat moment tevredenheid of ontevredenheid over wat wij met onze ledematen hebben verricht, over hoe wij onze wilskrachten gedurende de dag hebben gebruikt. Hier vinden we de kiem die zal ontspruiten in de werking van het lot in de volgende incarnatie op aarde, nadat de mens door de geestelijke wereld is gegaan.
Wanneer het eerste stadium van de slaap intreedt, met de ervaring van het uitdijen en wijder worden, komt de Aartsengel ons te hulp. Deze zorgt voor het etherlichaam terwijl wijzelf daarin afwezig zijn. Tijdens de Oude-Zon-periode van de evolutie waren het de Aartsengelen die hun Ik-ontwikkeling doormaakten terwijl zij het etherlichaam ontwikkelden vanuit de substantie, die aan de planeet geschonken was door de Geesten van de Wijsheid (Kyriotetes). Vandaar dat de Aartsengelen de mogelijkheid hebben om het etherlichaam, dat doordrongen is met krachten van het huidige menselijke Ik, te voeden. Dat is voor hen geen eenvoudige taak. Rudolf Steiner beschrijft dat het etherlichaam vol zit met verharding, donkere stukken veroorzaakt door het materialistische denken en door gewoontes die erin gelegd zijn door de loop van het dagelijks leven, en hoe het in de greep van ahrimanische wezens is. Andere stukken van ons etherlichaam zijn vervuld van glinsterend licht waardoor het werk van luciferische wezens zichtbaar wordt, die in ons organisme zijn binnengedrongen via denken en voelen, doordat zij de scepter zwaaien in ons astraallichaam. Dit alles moet de Aartsengel weer in balans brengen voordat wij na onze nachtelijke reis door de kosmisch geestelijke atmosfeer van de aarde weer terugkeren.
Tegenwoordig zijn elementaire wezens, die de aartsengelen helpen, actief in ons etherlichaam. Andere, minder geëvolueerde wezens strijden ook om invloed ten bate van hun eigen ontwikkeling, namelijk luciferische en ahrimanische wezens. We leren van Rudolf Steiner dat luciferische wezens willen dat de mens zijn taken op aarde negeert en dan liever in de geestelijke wereld wenst te blijven, en dat hedendaagse intellectuele kennis puur een ahrimanisch product is met als doel de mensheid te verblinden. We kunnen begrijpen dat het verzorgen van het etherlichaam geen eenvoudige zaak is.
Het Ik voelt zich niet ondersteund door het fysieke en etherlichaam, die in bed liggen. Het etherlichaam recapituleert en verwerkt het denken en voelen van de voorbije dag, die werken tot in het fysieke lichaam ten goede of ten kwade. In dit tweede stadium van de slaap begint de ziel in de “echo” te leven van al hetgeen is ingeprent in het vormkrachtenlichaam. Het Ik heeft vlak voor de geboorte dit vormkrachtenlichaam voor zichzelf samengesteld uit de kosmische ether; de levengevende kracht ter vorming en ondersteuning van de mens moet werkzaam blijven gedurende het hele aardeleven. Dit zijn de krachten die de Aartsengel gebruikt voor zijn nachtelijke herstel werkzaamheden. Zij worden aan hem aangeboden via de zintuigen, die ‘gesloten’ zijn voor de buitenwereld. Onze zintuigorganen hebben een dubbele functie: waarnemen van de buitenwereld gedurende de dag, en om gedurende de nacht vernieuwende krachten te ontvangen, de ingebouwde beelden van het planetaire systeem en hun bewegingen, welke zijn afgedrukt in het vormkrachtenlichaam - met andere woorden: de krachten van de voorgeboortelijke horoscoop. Het oog, als de ‘koning onder de zintuigen’ en als ‘poort van de ziel’, speelt hierbij de belangrijkste rol. Het dirigeert de krachten naar de nieren, waarvan Rudolf Steiner zegt dat zij de hersenen zijn van de instinctieve wil van de mens. De Aartsengelen, die werken in het etherlichaam, voelen een relatie tot de spraak. Steiner beschrijft dit op de volgende manier:
Zoals mensen tijdens het leven op aarde moeten ademen, omgeven moeten zijn door zuurstof, en bijgevolg dus zuurstof moeten voelen om van nut te kunnen zijn, zo ervaren de aartsengelen, die verbonden zijn met de innerlijke natuur van de aarde, de noodzaak dat de mensenzielen die slapen hen de echo aanreiken van hetgeen in hun spreken leeft.
Wanneer onze woorden geen geestelijke inhoud hebben, geen idealisme, dan kwijnen de Aartsengelen. Het bemoeilijkt de verbinding met deze wezens, waardoor de krachten die men heeft zich niet kunnen ontvouwen. Daardoor verarmt het leven na de dood (Audrey McAllen:The Listening Ear , blz. 10-12).
Uit deze feiten kunnen we de schade begrijpen aan het functioneren en de vorm van onze organen door het dagelijks gebruik van technische apparaten, zoals bijvoorbeeld wat de televisie doet aan ons etherlichaam. Dit medium laat ons geen echte objecten zien, alleen beelden bestaande uit hoogfrequente lichtbewegingen; de driedimensionale ruimte welke de mens de zelfwaarneming van een Ik binnen een fysiek lichaam geeft, wordt tenietgedaan. Het versterkte geluid verstoort de verfijnde harmonie der sferen, die weerklinkt in ons etherlichaam. Al zulke elektronische apparaten werken in op de zintuigorganen als vernietigers van vorm en als verzwakkers van levenskrachten, waardoor op een heel subtiele manier het menselijk lichaam wordt afgescheiden van zijn kosmische oorspong.

Nadat zij het fysieke lichaam heeft verlaten, en daarna het etherlichaam, treedt het Ik aan het eind van de tweede fase van de slaap in haar eigenlijke ruimte binnen, haar eigen zielennatuur waarin de beschermengel werkzaam is. De bovenzinnelijke organisatie van het astraallichaam werd gevormd door het koor der engelen gedurende de Oude-Maan-ontwikkeling van de aarde. Tijdens dit stadium van de slaap moet het eeuwige en reïncarnerende Ik de effecten van de verleiding door Lucifer onder ogen zien. De keuze is tussen òf een verbonden blijven met de tijdelijke persoonlijkheid, waardoor onze engel gebannen wordt aan dat gedeelte van het astraallichaam dat is opgescheept met het instinctieve begeerteleven, òf een zich verenigen van ons en onze engel met dat Wezen dat de mensheid en de aarde planeet naar een verdere toekomst leidt: Christus. Wij leven tegenwoordig in het tijdperk dat geleid wordt door de Aartsengel Michael. Dat heeft een verandering bewerkstelligd in ieders relatie met zijn of haar engel. Of de engel ons kan begeleiden gedurende onze slaap hangt af van onze gedachten. Hebben we de materialistische denkgewoontes, houden we ons alleen bezig met de geneugten van het dagelijks leven, dan ketenen wij onze engel aan die gewoonten en verlangens, die ons handelen een richting geven. Deze begeerten wortelen zich dan in de diepten van ons fysieke organisme en wij worden vatbaar voor de verleidingen die ahrimanische wezens brengen.
Wanneer wij echter erkennen dat er een objectieve geestelijke wereld ligt achter de fenomenen van de materiële wereld, wanneer wij de religieuze concepten en idealen van anderen leren begrijpen, dan kunnen wij, verenigd met onze engel, het derde stadium van de slaap op een juiste manier ervaren. Wetend dat wij een geestelijk wezen tussen geestelijke wezens zijn, kunnen wij het fysieke lichaam ervaren als een exacte echo van het Kosmische Woord, dat klinkt door de aanwezigheid van het Archaiwezen dat het fysieke lichaam draagt tijdens de uren van de slaap. Zo ondergaat de mens iedere nacht als een ruimte-tijd-panorama het werk dat de hiërarchieën voor hem hebben gedaan gedurende de planetaire evolutie van de aarde. In zijn toneelstuk ‘Under Milk Wood’ schildert Dylan Thomas zowel het dag- als nachtbewustzijn.
De gedachten en gevoelens die wij meenemen in de slaap, de daden die we hebben verricht gedurende de dag, dit alles brengt ons of dichter tot deze geestelijke belevenissen òf stoot ze juist af. Dit wetende begrijpen we ook het belang voor onze geestelijke gezondheid van Steiners oefening de ‘Rückschau’, het terugkijken op de gebeurtenissen van de dag in omgekeerde volgorde. Daardoor maken we de verbinding losser tussen onze wilskrachten en onze tijdelijke persoonlijkheid. De wilsinspanning die deze oefening vraagt wekt de individualiteit dat het lot van het leven naar de toekomst draagt. Het Ik begrijpt de kern van zijn wezen en kan zo gesterkt door de ervaringen van de slaap gaan met kalme verwachting, bij zichzelf zeggend:

Ik geef mijn fysieke lichaam in de handen van Hem die het gemaakt heeft tot een orgaan om een Ik te dragen.
Ik geef mijn etherlichaam in de handen van Hem die het maakt tot een drager van leven.
Ik verenig mij met de engel die mijn astraallichaam draagt,
terwijl mijn IK leeft in het Zelf als Kosmisch Woord.

Geen opmerkingen: