vrijdag 6 maart 2009

SLEEP - hoofdstuk 9


Voorbeelden van onderwijs-ondersteunende lessen


In de vorige hoofdstukken hebben we de fenomenen van ons leven gedurende de slaap geschetst. We zullen dit nu in verband brengen met kinderen die moeilijkheden hebben ondervonden in hun incarnatieproces. Deze moeilijkheden tonen zich vaak in hun gedrag en in leermoeilijkheden. Wat ook de fysiologische leerhindernissen mogen zijn -gekruiste dominantie, gebrek aan ruimtelijke oriëntatie, moeite met concentratie etc.- alle symptomen verwijzen naar het belangrijkste probleem, dat kinderen niet in staat zijn op een dusdanige wijze greep op hun lichaam kunnen krijgen, dat het voor hun een waarnemingsorgaan is voor de fysieke en geestelijke werelden. Hun slaapervaring is verstoord en niet helder. Als gevolg daarvan is hun lichaam onaangenaam om te bewonen; de ademhaling en de circulatie zijn zwak; de ledematen reageren niet op de wilsimpulsen. Daarom moet elke remediërende Extra Les worden opgevat als een samengebalde meditatie over de archetypische vorm van het fysieke lichaam als instrument voor coördinatie: het samenwerken tussen zenuwen, spieren en beenderen (skelet), welke geestelijk gezien, door Rudolf Steiner worden beschreven als innerlijk licht (intuïtie), innerlijke klank (inspiratie) en innerlijke beeld (imaginatie). Ik wijs de lezer op Sectie 1 van het boek Learning Difficulties (samensteller M.E.Wilby) en Rudolf Steiners voordrachten De wereld van de zintuigen de wereld van de geest. Ons doel is om de individualiteit de mogelijkheid te geven zijn levende, klinkende en met licht gevulde organisme te gebruiken in zijn relatie tot beweging van de innerlijke bovenzinnelijke ruimte. Daarom bevatten alle remediërende lessen van ‘De Extra Les’ bewegingsoefeningen, muziek, vormtekenen en schilderen, op zo’n manier georganiseerd dat het kind een kunstzinnige ervaring van tijd krijgt binnen de les en van de ziel die leeft in zijn eigen element van in- en uitademen.

“Mary is al vier maanden bij ons”, vertelt de klassenleraar mij. “Ze kan geen gelijke tred houden met wat we in de klas doen. De ouders zijn gescheiden en maken ruzie om de kinderen. Een van de ouders wil dat zij extra rekenles krijgt. Tijdens deze extra rekenlessen wordt Mary boos over haar eigen onkunde, maar ze wil ook niet dat iemand haar helpt. Ze zegt altijd dat ze de sommen wel kan maken, en gelooft het niet wanneer de uitkomsten niet hetzelfde zijn als die van haarzelf. Men verdenkt haar er ook van dat ze steelt. Ze kan ongelooflijk liegen. Zou jij haar kunnen nemen voor de ‘Extra Les’ en dan wat doen voor haar algemene onkunde?”

“Dik is zo wild,” klaagt zijn moeder. “Hij gedraagt zich goed als hij van school komt, maar dan plotseling wordt hij druk en zo wild in zijn spel. Hij gilt en is dwars en zo onbeschoft dat ik hem niet meer de baas kan. Zijn broertje lijdt hieronder. Kunt u ergens mee hem helpen?”


Nu komt er een ouderpaar. Hun tweede kind, een jongen, steekt thuis stapeltjes papier in brand. Hij heeft moeilijkheden op school en steelt. Als hij geen hulp krijgt voor deze problemen, zouden die wel eens ernstige gevolgen kunnen krijgen.

Dit zijn in het kort verschillende situaties waarmee een remedial teacher geconfronteerd kan worden. Na uitgebreide gesprekken met de klassenleerkrachten en de ouders rijst de vraag waar en hoe deze kinderen moet worden ontvangen. Dat is van groot belang. In het beste geval zou dit Extra Les-werk onderdeel moeten zijn van de school. Wanneer de remedial teacher dichtbij de school woont kan het een hulp zijn dat de leerlingen naar het huis van die leerkracht gaan, ver weg van het luiden van de schoolbel en het rumoer van de andere kinderen, een rustige oase buiten de tijd en buiten de gewone omgeving, waar de leerlingen gewoon zichzelf kunnen zijn zonder zich te hoeven meten met hun leeftijdsgenoten en zonder de druk van volwassenen. Die mogelijkheid is jammer genoeg zeldzaam. Meestal moet de remedial leerkracht het doen met een ongebuikt kamertje, ‘ongebuikt’ in die zin dat wanneer het niet nodig is voor het RT-werk andere leerkrachten de ruimte kunnen gebruiken. Ideaal zou zijn dat deze kamer anders is dan de anderen, een speciale ruimte, intiem en warm, waar de kinderen zich ‘ontvangen’ voelen. In die zin kan er wat worden gedaan, bijvoorbeeld door de vormen van de vensters te veranderen. De manier waarop de ruimte waar het licht door naar binnen komt is vormgeven, heeft een effect op de menselijke bovenzinnelijke wezensdelen. Wanneer het gevormd is in overeenstemming met de wetten van het etherlichaam, dan geven de leven aan dat wezensdeel. Laten we het licht gekleurd de kamer binnenkomen, dan activeren we het astraallichaam.
De rechthoek beperkt het etherlichaam tot het fysieke lichaam. We kunnen dat wat losser maken door van triplex geschikte vormen te maken die de raamkozijnen kunnen omgeven. We kunnen de planetenkleuren van de dag gebruiken voor een transparant achter deze houten vormen, wanneer de kamer twee vensters heeft. Wanneer het gebrek aan opbergruimte problemen geeft om de kleuren van de dag te gebruiken, dan kunnen we een kleur kiezen waarvan de leerkracht voelt dat die past bij de situatie. Ook zouden er verschillende interessante objecten in de kamer moeten zijn. De platonische lichamen gemaakt van goudpapier, als een mobile opgehangen in de volgorde van de gulden snede, of platonische lichamen geboetseerd uit klei of bijenwas. Men zou ook kunnen kiezen uit de volgende selectie voorbeelden: een Keltisch kruis of een kruisbeeld, schelpen, mooie kiezelstenen, kristallen, een stuk knoestig hout, ansichtkaarten met afbeeldingen van onderwerpen uit de lesstof. Het zou allemaal een hulp kunnen zijn. Een afbeelding waarop alle kinderen reageerden was een reproductie van Hilda Boos-Hamburgers “Quellenwunder”. In een bepaald stadium van de persoonlijke ontwikkeling van de jonge mens zijn foto’s van het huidige Goetheanum ook iets wat de aandacht vangt.
Maar de twee kunstwerken die troost brengen aan kinderen die hulp nodig hebben zijn: Rafaëls “Madonna del Granduca” en Rudolf Steiners “Mensheidsrepresentant”, het beeldhouwwerk uit het Eerste Goetheanum. Het eerste kunstwerk is voor menig moeder een hulp om zichzelf open te stellen voor de wachtende ziel van haar kind. De afbeelding geeft ook troost aan kinderen die zichzelf niet welkom voelen, of als niet geaccepteerd door de omgeving waarin zij leven. Vaak merkten leerlingen de “Mensheidsrepresentant” op wanneer zij een stap vooruit maakten in hun ontwikkeling. Zo hebben we een verwelkomende sfeer in de kamer gecreëerd.


Nu moeten we het hebben over de kamertemperatuur. Wij hebben allemaal last van een subjectieve beleving van warmte en kou. Dezelfde kamertemperatuur is voor de een te warm en voor de ander precies goed. Het warmtezintuig wordt aan ons doorgegeven door het gewaarwordingslichaam. Wij geven van onze eigen warmte af aan de omgeving totdat het dezelfde is als onze eigen temperatuur. Dat betekent dat wanneer een kind in een heerlijk warme kamer binnenkomt, de wilskrachten die zich bezighouden met dit uitbalanceren van warmte nu vrij komen en ter beschikking komen van genezingsprocessen. In de ziel heeft dit het effect dat zij bevrijd wordt van egoïstische tendensen. De wil kan uitvloeien in de omgeving, de gewaarwordingsziel wordt vrij zodat de zintuigindrukken, die in de gewaarwordigsziel ons zelfbewustzijn wekken, niet zo sterk terugwerken op lichamelijke processen. Kou maakt ons wakker in het zenuwstelsel, maakt ons alert en bewust, maar dat doet een beroep op de doodsprocessen van het lichaam. Het doodsproces is de remedie en de tegenhanger van het door Lucifer veroorzaakte verstrikt zijn in de materie namelijk: het wakkere zelfbewustzijn. Warmte tilt ons uit de materiële processen en bevrijdt de wil, maar we moeten moeite doen om ons bewustzijn te behouden als een vrije daad ten opzichte de geestelijke wezens, die de bron van leven in ons ondersteunen en in stand houden. Daarom bevrijdt een aangename warmte de wil van het kind en wanneer onze pedagogie ook goed en innerlijk warm is, dan kunnen we werken met de ‘goodwill’ (de goede wil) van de individualiteit om de wonden te helen, die deze zo vroeg in het leven al heeft opgelopen.
En nu gaan we van de uiterlijke warmte naar de innerlijke warmte die moet komen van de leerkracht. Wat verlangen de kinderen van ons? Eerst en vooral een onbegrensd gevoel van vredige, rustige tijd die door de ruimte gaat. Zij moeten het gevoel hebben dat zij in hun eigen tempo van het ene onderwerp naar het andere kunnen gaan, dat zij in alle rust kunnen opnemen wat hun zintuigen brengen. Als eenmaal de deur achter hen is dichtgegaan, moeten zij het gevoel kunnen krijgen alle tijd van de wereld te hebben. Er zal geen jagen of haasten zijn, geen richtlijnen of commentaar op wat zij doen, slechts positieve aanmoedigingen. De wereld met zijn problemen is verdwenen. Gedurende een uur mogen zij alles doen waarnaar hun ziel verlangt en dat op hun eigen tempo en van iemand anders. Waarom is dat zo belangrijk? Denk maar eens aan alles wat een kind om zich heen over zich hoort. Luister naar het soort bevelen die zij en plein public toegeworpen krijgen, in winkels en op straat: “Kom op, vlug!” of “Loop niet zo langzaam, we komen zo nooit op tijd!” “Nee, dat krijgt je niet, leg neer!” “Hou op met huilen!” “Doe niet zo gek!”. Een eindeloze stroom van bevelen, wanneer niet voor dit kind bedoeld, dan voor andere kinderen. Kijk naar jonge kinderen die naast de kinderwagen lopen, die moeder op haar eigen tempo voortduwt zodat zij op tijd met het werk van de ochtend klaar zal zijn. Kijk tussen de chaos van volwassenen een klein kind dat alleen staat te wachten tot moeder weer komt en dan mee naar huis genomen wordt in een snelle auto. Is het te verwonderen dat het een gevoelig kind ontbreekt aan levenslust, tegen de tijd dat het twaalf jaar is? Een ononderbroken stroom van indrukken en commando’s hebben de wil in de war gebracht en verlamd. Daarom moeten we, als remedial teachers, onszelf beloven om nooit gehaast te zijn, om nooit te dwingen of druk uit te oefenen, niet met woorden noch met onze houding, om nooit de kinderen te verbeteren, nooit te zeggen dat zij iets fout doen. Het zelfvertrouwen is daardoor al lang ondermijnd. In plaats daarvan laten wij hen er rustig achter komen wat zij aan het doen zijn. En als de tijd het toestaat herhalen wij vriendelijk en rustig onze instructies en helpen wij hen weer op gang. Op een dag zullen zij echt goed luisteren en de instructies correct uitvoeren. De blokkade in de wil zal verdwijnen zonder dat zij er zelf erg in hebben. ‘Goodwill’ wint het altijd van de tegenwerkende krachten in de ziel zonder opdringen.

Nu we ons zo hebben voorbereid, zijn we klaar voor de komst van onze eerste leerling.


(Wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: