zaterdag 28 februari 2009

SLEEP - hoofdstuk 8


THE MORAL COLOUR EXERCISES – de morele kleuroefeningen

Op 1 januari 1915 hield Rudolf Steiner in Dornach en voordracht voor beeldend kunstenaars over de kunstzinnige en morele beleving van kleuren. Het was een korte voordracht en het volgende gedeelte bevat de hoofdzaken. Hij sprak uit dat de mensheid in de toekomst zijn moreel-geestelijke natuur zal verbinden met de resultaten van zijn zintuigindrukken:

Een oneindige verdieping van de menselijke ziel kan op dit terrein worden voorspeld. We nemen eenvoudig het geval, dat we onze blik richten op een vlak dat gelijkmatig gekleurd is met een sterk vermiljoen rood. Laten we verder aannemen dat we er in slagen alles rond om ons heen te vergeten, zodat we ons volledig op het beleven deze kleur kunnen concentreren, zodat we deze kleur niet zomaar voor ons hebben als iets dat op ons inwerkt, maar als iets waarin wij zelf zijn, dat we één worden met die kleur. Dan zullen wij geleidelijk kunnen ervaren: Jij bent zelf kleur geworden in deze wereld. Het innerlijk van je zielenwezen is geheel kleur geworden, waar je ook heen mag gaan met je ziel, overal zul je in rood, met rood en vanuit rood leven. Dit kan men echter bij een intensief zielenleven niet ervaren, zonder dat de beleving overgaat in een morele beleving, in een reëel moreel beleven.
Wanneer men zo als het ware door de wereld drijft als rood en men zelf identiek aan het rood is geworden, wanneer de ziel en ook de wereld geheel rood is, dan zal men er niet omheen kunnen deze rood geworden wereld te beleven als was zij doordrongen van de substantie van goddelijke toorn, die van alle zijden straalt op hetgeen in ons aan mogelijkheden tot het boze en tot zonden is. Wij zullen onszelf als het ware in de oneindige rode ruimte kunnen ervaren als staande voor een goddelijke rechtbank. En ons morele voelen wordt als de morele ervaring van de ziel in een onbegrensde ruimte. Dan komt als reactie daarop iets dat in onze ziel opduikt, dat men beschrijven kan met de woorden: Men leert te bidden. Wanneer men in het rood kan beleven het uitstralen en gloeien van de goddelijk toorn naar alles wat in onze ziel aan mogelijkheden tot het boze en tot zonden kan zijn, en men kan de ervaring hebben dat men leert bidden, dan is de beleving van het rood oneindig verdiept. Dan kunnen we ervaren hoe de kleur rood zich plastisch in de ruimte kan uitdrukken.

We kunnen dan begrijpen hoe we een wezen kunnen beleven dat van zich uit goedheid uitstraalt, dat vervuld is van goddelijke goedheid en goddelijke barmhartigheid, een wezen dat we ervaren willen in de ruimte. Dan zullen we ons genoodzaakt voelen, dit ervaren in de ruimte van de goddelijke barmhartigheid en van de goddelijke goedheid, zich zelf vanuit de kleur als vorm verschijnt. We zullen de noodzaak voelen de ruimte af te weren, zodat de goedheid, de barmhartigheid straalt. Voordat de goedheid en barmhartigheid er was, was het samengetrokken, geheel samengebald in het middelpunt en nu komt zij binnen in de ruimte en zoals wolken uit elkaar gedreven worden, zo wordt het uit elkaar gedreven. Het rood wijkt voor de barmhartigheid en we krijgen het gevoel: je moet het rood laten verlopen. En dan zullen we het gevoel krijgen: hier in het midden zullen we een rosa-violet zwak moeten aangeven dat binnenstraalt in het uit elkaar stuivende rood
(zie tekening).
We zullen dan met heel onze ziel bij het zich vormen van de kleur zijn. We zullen met onze ziel iets navoelen van wat de wezens hebben ervaren, die in het bijzonder bij onze aarde planeet behoren, die, toen zij tot Elohim waren opgestegen, hebben geleerd vanuit de kleur tot vorm te komen. Wij kunnen zo iets navoelen van de scheppende kracht van de Geesten van de Vorm, de Elohim. En dan zullen we begrijpen hoe de vormen van het kleurenspel kunnen zijn, zoals aangeduid is in ons eerste Mysteriedrama ‘De Poort van de Inwijding’ (8e beeld). (……)
Nemen we iets anders. Laten we aannemen, dat wat we eerst met een rood vlak gedaan hebben we nu met een oranje vlak gaan doen. Dan zullen we heel andere ervaring hebben. Wanneer wij ons verzinken in het oranje en er mee een worden, dan zullen we niet die zelfde beleving van goddelijke toorn kunnen hebben. Maar we zullen het gevoel hebben dat hetgeen ons daar tegemoet komt hoogstens nog maar in zwakke mate het serieuze van toorn heeft. Dat het iets is dat zich aan ons wil meedelen. Iets dat ons niet wil straffen, maar ons van een innerlijke kracht wil voorzien.
Als we binnengaan in die wereld en een worden met het oranje vlak, bewegen we ons zo dat we met elke stap waarmee we verder komen voelen: Door deze ervaring in het oranje, door dit leven in de kracht van het oranje worden wij sterker en sterker. Dat ons niet zomaar een strafgericht overkomt, maar dat hetgeen uit het oranje naar ons toekomt, niet bestraffend is maar versterkend. Zo leven we ons met het oranje in de wereld binnen. (…….)
Bij een geel vlak -we doen het zelfde- voelen we in het beleven van geel, ik zou willen zeggen, dat we aan het begin van een tijdcyclus staan. We voelen: Nu leef je in de krachten van waaruit je geschapen bent toen je jouw eerste aarde-incarnatie betrad. – Men voelt dat hetgeen men gedurende het hele aardebestaan is, verwant is met hetgeen ons tegemoet komt vanuit de wereld, waarin men zelf ronddraagt het met ons identiek geworden geel.
Identificeert men zich met groen en gaat men met het groen door de wereld, wat bijzonder makkelijk kan als men probeert de ogen over een groene weide te laten dwalen, de blik erover uitbreidt. Nu probeert men van al het andere af te zien, zich helemaal te concentreren op die groene weide, onder te duiken in de groene weide, het groen als het oppervlak van een keurenmeer te zien en dan onder te duiken in het groen. Wanneer met zo probeert te leven in de wereld dan ervaart men een innerlijk gevoel van sterker worden in hetgeen men in deze incarnatie is. Men beleeft een innerlijk gezond worden, maar tegelijkertijd ook een innerlijk gevoel van egoïstisch worden, een activeren van egoïstische krachten in het eigen innerlijk.
Zo men hetzelfde met een blauw vlak doen, dan zou men door de wereld gaan alsof men het verlangen beleeft, met het blauw steeds verder en verder voort te scheiden. Het egoïsme in zich te overwinnen, langzamerhand macrokosmisch te worden, overgave te ontwikkelen. En men zal zich gelukkig voelen, als men in deze voorstelling zou kunnen blijven doordat ons een goddelijke barmhartigheid tegemoet komt. Als begenadigd door goddelijke barmhartigheid zou men zich voelen, wanneer men zo door de wereld zou gaan.
(Rudolf Steiner: Das Wesen der Farben (GA 291) Dornach/Zwitserland)

Deze aanwijzingen werden opgepikt door Steiners leerling Hilda Boos-Hamburger, aan wie hij het beschilderen van de kleine koepel van het eerste Goetheanum toevertrouwde, en verder uitgewerkt. Ik was in de gelukkige omstandigheid bij haar te studeren toen ze al op leeftijd was en ze vroeg me vormen te zoeken bij een serie kleurcombinaties.
Ik heb ervaren dat deze serie schilderoefeningen een grote hulp was voor de leerlingen aan wie ze geven werden. Ze stimuleren de creativiteit. De leerlingen vroegen na of tijdens het werk aan deze oefeningen, of ze zelfverzonnen combinaties mochten tekenen of schilderen. Vaak brachten ze mee wat ze op eigen initiatief thuis hadden uitgeprobeerd. De kleurenserie heeft een reinigende werking op de ziel en helpt de ziel zich te heroriënteren, doordat de individualiteit geholpen wordt de huidige incarnatie in een fysiek lichaam te accepteren. Dit wordt duidelijk zichtbaar in tekeningen die de leerlingen maken. Een leerling tekende bijvoorbeeld twee draakachtige figuren, die vuur spuwden en door de lucht vlogen met eronder een idyllisch landschap waarin boomhutten zichtbaar waren aan een rivier met een groep bomen aan de oever. Andere tekeningen toonden flarden van verstoorde herinneringen uit het verleden. In een geval kon men het incarnatieproces vervolgen in een serie zielentekeningen totdat het kind van de laatste tekening zei: “Dit is wat ik zie vanuit mijn slaapkamerraam als ik opsta.” Tijdens zo’n proces wordt de hele houding en blik van het kind beter. Zielenproblemen worden tijdens de slaap opgelost en de individualiteit krijgt met al zijn wilskrachten greep op zijn hele lichaam.
Deze schilderoefeningen zijn niet eerder geschikt dan vanaf het twaalfde levensjaar, wanneer in klas 6 de chronologische geschiedenis wordt geïntroduceerd. In deze periode ontwaakt voor het eerst de gewaarwording van het eigen skelet in het bewustzijn.
Als voorbereiding op de eerste schildering, die bestaat uit een vermiljoen achtergrond met een magenta vijfster, laten we de leerling eerst zijn eigenlichaam als een ster ervaren:
staan met de voeten uit elkaar, armen horizontaal gespreid, hoofd rechtop.
We zullen het kind kunnen herinneren aan een spreuk dat het eventueel in klas 4 heeft geleerd:

1. “Standvastig sta ik in het bestaan” (vanuit stand wordt de linkervoet opzij geplaatst)
2. “Met vertrouwen betreed ik het levenspad” (rechtervoet zijwaarts – het kind staat nu met voeten gespreid)
3. “Liefde koester ik in de kern van mijn wezen” (linkerarm opzij op schouder hoogte)
4. “Hoop leg ik in al mijn daden” (rechterarm op schouderhoogte)
5. “Vertrouwen stuur ik in mijn denken” (hoofd zo houden dat de leerling vooruit kijkt met het hoofd heel licht naar achter gehouden)

De houding in de vijfster wordt als volgt opgelost: Ontspan het hoofd, rechterarm, linkerarm, rechtervoet aansluiten, linkervoet aansluiten zodat de voeten gesloten staan als aan het begin van de spreuk. Deze ervaring kan worden versterkt door daarna twee of drie maal in de sterhouding te springen. Nu kan de schildering gemaakt worden.

Eerste oefening: Men kan op twee manieren te werk gaan. Beschilder het papier geheel met vermiljoen door met rechte ononderbroken streken van links naar rechts over het papier te schilderen. Hierdoor wordt een nerveus borstelen met de kwast tegengegaan en de leerling leert om een goede laag verf aan te brengen. De streek kan weer worden opgepakt vanaf de plaats waar de verf te licht wordt om zo een egaal kleurvlak te krijgen. De vijfster kan dan uit deze zee van kleur worden gehaald met een spons of met de kwast. Als alternatief kan men de stervorm uitsparen. Dit is vooral te gebruiken wanneer de schildering wordt herhaald. Men zegt niets over de kwaliteit van het vermiljoen of het effect van deze kleur op de ziel.
Alleen bij deze eerste schilderoefening kunnen we het kind vragen welke kleur hij zou kiezen om zijn vijfster te schilderen, en wel zo dat het vlammende vermiljoen zich terug houdt van de ster en door de kleur van de ster in evenwicht wordt gehouden. De meeste kinderen kiezen onmiddellijk geel en daarin ligt nu eigenlijk het probleem. Geel is juist de kleur die niet moet worden begrensd. Geel moet oplossen en moet kunnen wegvliegen. In het geel houdt de ziel iets vast wat moet worden opgelost. Het vermiljoen drijft het in de ziel vastzittende geel uit. Ik stond de kinderen toe om hun vijfster met geel in te kleuren vanaf het moment dat ik eens zag dat Fra Angelico in zijn fresco’s deze twee kleuren gebruikt had voor Maria Magdalena. Dan vragen we de leerling of hij het resultaat bevredigend vindt. Als het antwoord “ja” is geven we geen commentaar. We herhalen de oefening de volgende keer en vragen weer welke kleur hij voor de ster wil gebruiken. Als hij te kennen geeft dat hij het resultaat niet zo geslaagd vindt kunnen we de relatie tussen de twee kleuren bespreken en bijvoorbeeld uitleggen dat het geel het vermiljoen juist vlammend en te heet laat worden. Dan ontstaat de vraag: “Hoe kunnen we het vermiljoen juist koeler doen lijken?” Er zijn kinderen die toch vast houden aan het geel, anderen doen voorstellen voor andere kleuren en realiseren zich dan dat ook die niet bevredigend zijn. Dan kunnen we de leerling de suggestie aan de hand doen om en perzikbloesem, magenta (rood-violet) te gebruiken. Dit geeft altijd grote voldoening. Ik heb geleerd om bij deze combinatie enige weken te blijven en daarna pas verder te gaan met de volgende schilderingen van de serie, waarbij ik de leerlingen precies vertelde welke kleuren zij moesten nemen.



Tweede oefening: Beschilder het blad, zoals hierboven beschreven met, een oranje kleur. Neem uit of spaar uit een zesster en kleur die in met een licht Pruisisch blauw (turkoois). Sommige kinderen vinden het moeilijk om zich een beeld te vormen van een zesster. Zelfs na de meetkundeperiode. Soms blijft er enkel een driehoek over en worden de andere punten weggehaald. Maar iedere keer als de serie gemaakt wordt, is de ster groter en beter van vorm.



Derde oefening: Begin met een laag citroengeel en maak daarin een oranje cirkel (bol).



Vierde oefening: Een groene ondergrond waarin verschillende bladmotieven, plantenmotieven kunnen worden geschilderd in diverse tinten groen.



Vijfde oefening: Een kobalt blauwe ondergrond met daarin een karmijnrode lemniscaat.



Zesde oefening: Een ondergrond van blauwviolet waar doorheen een klein beetje zwarte verf is gemengd, waardoor de kleur wat wordt getemperd. Daaruit wordt een vierkant weggehaald of uitgespaard. Dit wordt in gekleurd met kobalt blauw waarin een diagonale zigzag lijn van goudgeel.



Dat is het einde van de serie. Het kan zo vaak als nodig is herhaald worden, elke week een schildering. Ook kan de serie goed met potlood worden herhaald en uitgevoerd met de arceertechniek. (In een klas kan er ook elke dag een schildering worden gemaakt. JE)

Ik merkte dat er veel kinderen waren die een sterke verbinding hadden met de Griekse cultuur. Zij refereerde Griekse verhalen of vroegen om Griekse vormen om te vormtekenen. Het gevoel dat veel zielen in de klassiek oudheid een Griekse incarnatie hebben doorgemaakt terwijl het Grieks tegenwoordig niet vaak meer wordt onderwezen gaf mij het idee om het Griekse alfabet aan te bieden in combinatie met een ballengooi-oefening, zodat de namen van de Griekse letters werden geleerd als een ritmische activiteit. Daarna zocht ik bepaalde lettervormen uit en schilderde ze samen met de kinderen in de hierboven genoemde kleuren combinaties. Dit zette aan tot grote interesse en activiteit. Je bespeurde een gevoel van bevrijding en voldoening door het doen en herhalen van zo’n sequentie van schilderingen en ik gaf ze vaak als huiswerk mee als arceertekening.

Laten we nu de verschillende oefeningen nader beschouwen wat betreft hun kleuren en vormen.
Vermiljoen met een magenta ster (beide aanwijzingen van Rudolf Steiner). De vijfster hoort bij de roos. De rode roos is het symbool van het gezuiverde bloed van de mens, wat niet langer elementen van begeerte in zich draagt, daarin gelegd door de verleiding door Lucifer. Ons bloed wordt aangemaakt in het beenmerg, binnen in een vesting, beveiligd tegen binnendringers. Hier worden de rode en witte bloedlichaampjes aangemaakt en vrijgelaten in het bloedcirculatiesysteem om daarin de basis te vormen voor onze wil en ons karma vanuit het verleden. Door de activiteit van het vermiljoen wordt alles wat afval is afgezonderd. Het oerbeeld van de gereinigde mens verschijnt voor ons in de vorm van de vijfster en de kleur magenta. De letter Alfa werd gekozen omdat “in den beginne” deze pure vorm van de mens bestond.
Oranje en met de Pruisisch blauwe (turkoois) zesster. (kleur en vorm van Hilde Boos-Hamburger) Dit is de geboortester van de incarnatie. Hier verenigen zich de hogere mens en de lagere mens, om op aarde het werk aan te vangen. De mens incarneert in de materie; substanties verdonkeren het geestelijke licht. Ons skelet bestaat uit verdicht licht. De cellen van onze beenderen hebben een zeshoekige vorm. We begeven ons van een innerlijke vorm naar een uiterlijke vorm. Steiner beschrijft in een andere voordracht het oranje als ‘in de geestelijke wereld net zo stromend als in de fysieke wereld’. De zesster wordt ingevuld met de complementaire kleur van oranje en krijgt de kwaliteit van de ruimte. Hierbij viel de keuze op de Griekse letter die de afkorting van de naam van Christus is.
Geel met een oranje bol. (vorm van Hilde Boos-Hamburger) De cirkel is een beeld voor de perfecte vorm van het astraallichaam. De mens draagt zijn zelfbewustzijn in de kleur geel de stroom van het aardse bestaan binnen. De zogenaamde ’Evolutie-rij’ -een euritmieoefening- begint met de klank B. Vandaar de keuze voor de letter Bèta.
Groen met bladmotieven. (vorm van Hilde Boos-Hamburger) Een houvast hebben aan het heden, een wakker worden in de dagbewuste persoonlijkheid met zijn intellectuele vermogens. Groen is een geliefde kleur bij pubers, de levenskrachten komen onder de invloed van het bewustzijn en diens doodsprocessen in het lichaam. De letter Theta was bij de Grieken het teken voor het doodvonnis.
Let op: bij het schilderen van de achtergrond bij de letter moet deze met verschillende tinten groen worden uitgevoerd . Het letterteken in één tint groen.
Kobaltblauw met lemniscaat in karmijn. Blauw en rood zijn de kleuren van de Madonna. Zij zijn de archetypische kleuren van de ziel, van haar mogelijkheid om innerlijk de koele afstand van het blauw te ervaren en de warme nabijheid van het rood. Het zijn kleuren van beweging, van ontspannen en samentrekken. Ze hebben een fysiologische relatie tot de ogen – de poorten van de ziel – blauw met het linkeroog en rood met het rechteroog (zie ‘De Extra Les’). Door deze kleuren wordt de ziel bevrijd van haar lichamelijke betrokkenheid en kan zij objectief in haar eigen innerlijke ruimte leven. De lemniscaat is de vorm waarin een evenwicht wordt getoond tussen boven en onder in een circulerende beweging.
De Griekse letter Tau is het symbool van het leven.
Violet/zwart met blauw/geel. (kleuren van Hilde Boos-Hamburger) Dit is een moeilijke kleurcombinatie. Hilde Boos-Hamburger refereerde aan een aantekening in een van Rudolf Steiner’s notitieboekjes die hiermee samenhangt. “In het groen verhindert het licht dat blauw en geel uiteenvallen. In het violet wordt dit uiteenvallen bevorderd.” (uit: Rudolf Steiner - Farbenerkenntniss, GA 291a). Rudolf Steiners voordracht over de ruimtedimensies vormde de basis voor de vorm van deze schildering (GA 213). De letter Omega beëindigt de sequentie.

We kunnen begrip ontwikkelen voor bovengenoemde opmerkingen van Rudolf Steiner over blauw, geel, violet en ook een uitleg over het effect van de hele serie, wanneer we kijken naar de tekeningen, die kinderen maken in de kleutertijd. We moeten daarbij een duidelijk onderscheid maken tussen het effect van het schilderen en het effect van tekenen op het kind. Bij het schilderen roepen de kleuren de ziel op tot activiteit om met hen samen te smelten, om via het gevoel te leren begrijpen wat de ingeboren wetten en relaties van de kleuren zijn, om objectiviteit te ontwikkelen. Bij het tekenen doet de ziel een mededeling over zichzelf in relatie tot beweging, perceptie/waarneming en gevoelsleven. Dit laatste gebeurt in een taal van archetypes, de kleuren zijn aanwezig als feiten van de ziel en er is geen sprake van een samenvloeien met de kleur, zoals bij het schilderen waarbij de kleuren gemengd zijn met water. Voor het kind is het gras groen, de wolken zijn wit, rook zwart enzovoort. Dit zijn kleurarchetypen waarin de ziel van het kind leeft. Er zijn kinderen die, wanneer zijn voor het eerst in de kleuterklas komen, zich storten op het blauwviolet en het overmatig gebruiken. Men kan meestal vaststellen dat van deze kinderen te vaak geëist werd dat zij zielenkrachten gebruikten, die alleen echt gebruikt kunnen worden na de tandenwisseling. Dit zijn de kinderen die te vroeg keuzes moeten maken. Of, juist in het andere uiterste geval, kinderen bij wie de wil door volwassenen is overweldigd doordat die alles voor hen doen: aankleden, zelf de vragen beantwoorden voordat het kind het antwoord kan formuleren. Dit soort gedrag van volwassenen dwingt het kind in een veel te sterke verbinding met de fysiologische krachten van de lichamelijke processen, waarin de krachten van antipathie en sympathie als objectieve factoren aan het werk zijn (zie: Rudolf Steiners Algemene Menskunde, 2e voordracht). Als deze krachten op een normale manier vrij komen van het lichaam bij de tandenwisseling worden ze in tekeningen door het gebruik van blauw en rood afgebeeld, en in hun relatie tot ontwikkeling van de oog-kleur-voorkeur (zie ‘De Extra Les’). De noodzaak van het kind om violet te gebruiken laat zien dat op deze twee krachten, die in het kind werkzaam zijn, al te vroeg een appel is gedaan en dat ze in het organisme onder druk worden beleefd. Zwart is een noodzakelijke kleur voor jonge kinderen om te kunnen gebruiken in hun tekening. Het kind gebruikt zwart om zijn eerste beleving van zijn eigen fysieke lichaam uit te drukken. Een gezond kind gebruikt zwart precies op de juiste plaats, tijd en in de juiste hoeveelheden. Een kind dat te sterk verstrengeld is in de mechanische bewegingen van zijn lichaam gebruikt zwart op vreemde plaatsen, steeds weer en overmatig.
De kleuren die een kind gebruikt om de harmonieuze verbinding met zijn lichamelijkheid uit te drukken zijn voor de tandenwisseling blauw en geel; vanuit deze kleuren weeft de ziel van het kind zijn verbinding met het erfelijkheidslichaam en vormt dit om.
Wanneer we nu de kleurencombinatie van de 6e schildering nog eens nader bekijken, zien we dat de ziel geleid is tot het moment dat het zich kan bevrijden van een te sterke verbinding met de krachten in het fysieke lichaam (violet en zwart), zichzelf kan bevrijden van intellectualisme (groen), en de krachten terugkrijgt waarmee hij het leven is binnen gekomen (geel en blauw). Dit jeugdige element was ingekapseld of ongebruikt; is dit element vrij dan kan de ziel verder vooruit komen.
De eerste oefening geeft dus het probleem aan, de laatste geeft het antwoord. De tussenliggende schilderingen geven de ziel een beeld van zijn eigen natuur. De ziel wordt geholpen om de tijd voordat hij de wereld binnen kwam te recapituleren en zich opnieuw te verbinden met de impulsen en met de intenties van zijn huidige incarnatie.

Deze oefeningen zijn ook waardevol omdat ze weinig tijd kosten, 10 tot 15 minuten. Zij kunnen individueel worden gedaan als een speciale therapie met de nodige herhaling of ze kunnen aan een hele klas worden aangeboden voor de periodeles als een manier om in het algemeen harmoniserend te werken. Dit zal meer en meer nodig worden omdat psychologische druk het leven steeds meer beïnvloeden zal. We hebben al ontbijttelevisie, wat betekent dat alles wat de ziel meebrengt vanuit het slaapleven onmiddellijk wordt geattaqueerd en vervreemd van zijn geestelijke wortels. Een eenvoudige schilderoefening zal de beste hulp zijn voor het zielenwezen van het kind om zich zelf bijeen te pakken en met het hele wezen aan de les te beginnen.
In een school moesten de kinderen van de elfde klas veel reizen. De Moral Colour Exercises werden gegeven in de Parcivalperiode (De leraar was Wijnand Mees, mondelinge informatie van Audrey McAllen aan de vertaler). De leraar ervoer dat de 10 tot 15 minuten die aan het schilderen werden besteed niet ten koste ging van het werk dat de klas leverde. Dezelfde hoeveelheid werk werd geleverd in kortere tijd met daarbij grotere concentratie en ontvankelijkheid voor de inhoud van de lessen.
Hierdoor hebben we de mogelijkheid om de krachten te bestrijden, die de moderne ziel vangen in het materialisme en haar scheiden van de wereld van de geest waarin zijn werkelijk thuis is.



alfa

chi

beta

theta

tau

omega

Geen opmerkingen: