woensdag 16 oktober 2013

Een Luisterend Oor - Hfdst 1 (deel 1)

Het spreken in de ontwikkeling van het kind

Voor de wetenschap heeft het verschijnsel taal altijd voor een onoplosbaar probleem gezorgd. Het vormt nog steeds een van de mysteriën, die met alleen een materialistische zienswijze waarschijnlijk niet is op te lossen.
John Silverlight, een bekende columnist, schreef in de Britse krant The Observer:
'Ik weet drie dingen over taal. Het eerste is, dat het een mysterie is. "De oorsprong van de taal is onbekend", zoals Dr. Robert Buchfield van de Oxford English Dictionaries schreef. Ten tweede dat er in de wereld nog nooit een sociale gemeenschap is ontdekt, die niet over taal beschikte. De mogelijkheid om te kunnen spreken moet daarom langer bestaan dan de geschiedenis en het helpt niet om te speculeren over de omstandigheden bij het ontstaan.
En ik weet ook dat taal heel krachtig is, veel krachtiger dan de mensen die er gebruik van maken. Om de Franse bioloog Jacques Monod te citeren: 'Taal kan de voorloper zijn geweest, misschien voor een tijdje, van het ontstaan ​​van een centraal zenuwstelsel speciaal voor mens en zij kan in belangrijke mate een bijgedragen hebben geleverd bij de selectie van de juiste varianten om al haar middelen te laten gebruiken.'

Met andere woorden taal zou de mens kunnen hebben geschapen, in plaats van dat de mens de taal heeft geschapen.
Deze stelling brengt ons tot de kern van het probleem. Het kunnen spreken en het in woorden kunnen uitdrukken van gedachteninhouden is de eigenschap waardoor de mens zich onderscheidt van het dierenrijk. In oude tijden voelde de mens aan dat dit iets was dat hem geschonken was, een gave die hem de mogelijkheid gaf om zelf ook schepper te worden. Uit de verschillende religies en mythologiën kent men opperwezens die het mensenwezen schiepen met behulp van de adem en het woord.
De grondslag van de westerse religieuze concepten verenigt bewustzijn, spraak en scheppingsdaden- "en God sprak: 'Er zij licht." (Genesis 1:3)

“Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.” (Genesis 2:7)

In het oosten kent men de schepping van de archetypische mensenvorm uit de activiteit van de werkzame wateren. Opgewarmd door hun vurige toewijding, scheppen zij een gouden ei waaruit Prajapati wordt geboren.

"Verlangend naar nakomelingen ging hij door met het zingen van lofprijzing en met zwoegen. Hij legde de voortplantingkracht in zijn eigen zelf.
Door het ademen met zijn mond schiep hij de Goden: en de Goden werden geschapen om de lucht binnen te gaan; ...
En door neerwaartse ademhaling (flatuleren = winden laten) schiep hij de Asura's. Zij zijn geschapen om de aarde binnen te gaan."
(uit: de Sataptha Brahmana)

Terwijl onze kijk op de oorsprong van de taal nog steeds wordt vertroebeld door de dichte materialistische mist, is het enige wat we wèl weten, dat we leren spreken doordat we andere mensen horen spreken. De taal brengt taal voort.
De baby leert spreken doordat zijn ouders tegen hem praten. A.A.Tomatis, de Franse KNO-arts die het effect van het horen op het spreken heeft onderzocht, nam waar dat het kind eerst het spreken van de moeder opneemt. Dat legt een basis voor innerlijke kwaliteiten en het zielenleven. Later, na het derde levensjaar, begint het kind zich te richten op het spreken van de vader, dat hem de omgevende wereld binnen leidt en dat een objective opvoedingsfactor wordt in zijn leven.
Een leraar moet deze twee elementen in het spreken combineren, samenweven tussen binnenwereld en buitenwereld, tussen het persoonlijke en het objectieve, want deze twee elementen spelen allebei een belangrijke rol bij het aanbieden van leerstof. Het gereedschap dat een leerkracht daarbij gebruikt bestaat uit de eigen stem en de woordenschat die hij/zij zich heeft eigengemaakt gedurende de eigen opvoeding en jeugd. Een kunstenaar heeft kwasten en verf als werktuigen, een ceramist heeft klei, gereedschap en glazuur.

Wij leerkrachten hebben enkel onze stem waarmee wij een beeld moeten schilderen of een gebeurtenis moeten beschrijven. Dit is het gereedschap in de opvoedkunst en het onderwijs, waardoor we de verbinding kunnen leggen met de individuele kinderen en discipline in een klas kunnen bewerkstelligen.

Ons spreken hoort zo sterk bij onszelf, dat we ons er nauwelijks van bewust zijn. De spraakorganen, lippen, tong, tanden en de stembanden, als instrumenten waarmee de ziel zich kan uiten, krijgen van ons minder aandacht dan ons gebit. We besteden er niet zoveel tijd aan om ermee te oefenen, als dat we zouden doen wanneer we een muziekinstrument zouden willen leren bespelen. En toch zijn deze organen ons een heel leven lang dienstbaar zonder vermoeienis, zoals ons ademhalingssysteem waarvan ze een onderdeel zijn. Krijgen ze van ons de aandacht die ze verdienen als essentieel element bij het lesgeven?

In de tegenwoordige tijd worden onze leerlingen overspoeld door een golf van 'tweedehands' stemmen. De meeste radio en televisieprogramma's zijn van te voren opgenomen, waardoor de werkelijkheid van het stemgeluid tweemaal versleuteld (ingeblikt) is. Wanneer videobanden (Audrey schreef dit in 1989, de technologie verandert snel) veel worden afgespeeld gaat de geluidskwaliteit achteruit en dan is er natuurlijk ook het dodende effect op de zintuigen voor horen en luisteren, doordat steeds opnieuw weer hetzelfde beluisterd wordt.

We kennen allemaal het verschil tussen een live concert en de opname van een muziekstuk dat we hebben gehoord. Orkestleden kennen het verschil tussen spelen in een zaal met publiek en het spelen voor een CD-opname in de studio. Ze geven toe dat bij een opname nooit de inspiratie wordt opgewekt als die zij ervaren bij een echte uitvoering. Tussen de spelers en het luisterende publiek vindt een subtiele wisselwerking plaats, die beide partijen verkwikt. Wanneer luisteraars en uitvoerders gescheiden zijn, valt deze verkwikkende kracht weg en een statisch horen dat niet meer 'luistert' kan het gevolg zijn. Dit afstompen van het actieve luisteren wordt nog verder bewerkstelligd wanneer de menselijke stem is vervangen door een elektronische in b.v. video-games of routeplanners, waarbij een mechanische stem de instructies geeft. Een kind hoort tegenwoordig overal mechanische stemgeluiden, in de auto, tram, op het station, via de computer enzovoort. Alfred Tomatis zegt ook dat we met ons spreken de persoon tot wie we ons richten 'aanraken'. Hoe veel aangenamer is die aanraking door de stem van iemand echt naast ons is, dan door een namaakstem uit een apparaat!

En hoe zit het dan met het oor zelf, met dit orgaan dat de woorden opvangt en doorgeeft zodat ons bewustzijn ze kan herkennen en begrijpen?

Rudolf Steiner beschreef het samenspel tussen het gehoorzintuig en het zintuig voor het waarnemen van het gesproken woord (taalzin) voor het eerst in de beginjaren van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek (1909). Hij vraagt ‘Hoe komt de waarneming van gearticuleerd geluid tot stand?’ En dan beschrijft hij dat we in de muziek het verschil kennen tussen de enkele toon, de melodie en de harmonieën. Wanneer we willen begrijpen hoe we bij taal de waarneming van klinkers en medeklinkers tot stand komt, dan moeten we ons voorstellen dat we alle tonen van een melodie tegelijk horen. Wat is verdeeld in tijd, is nu samengeperst in één moment. Daarnaast vindt er een tweede activiteit plaats. Iedere toon heeft een complex systeem van boventonen die zacht meeklinken wanneer een toon wordt gespeeld. Het talent van een musicus bestaat deels uit het vermogen om deze boventonen tijdens het musiceren voort te brengen. Hoe meer deze boventonen meeklinken hoe meer de luisteraar geboeid wordt door de kwaliteit van het spel. Ons zintuig voor het begrijpen van gesproken taal (de taalzin) wordt gestimuleerd door deze boventonen en daardoor begrijpt iemand de klanken van het gesproken woord.

"Wat er gebeurt bij gesproken klanken is dat de luisteraar onderbewust de grondtonen van de melodie negeert. De waarneming van een taalklank ontstaat doordat een melodie momentaan in een harmonie (akkoord) wordt omgezet, vervolgens wordt er van de grondtonen afgezien en alleen het stelsel van boventonen wordt opgenomen. Wat deze boventonen dan voortbrengen is de betekenis van de klank A of I.”
(Rudolf Steiner GA 115 - 26 oktober 1909)
Deze ongelooflijke processen vinden natuurlijk altijd plaats in ons onbewuste.

Het oor bevat twee te onderscheiden zintuigorganen, een voor het waarnemen van geluid, de ander voor het waarnemen van onze positie in de ruimte en onze relatie tot de zwaartekracht. De cochlea (het slakkenhuis) is gebouwd voor klank. De halfcirkelvormige kanalen monitoren onze verhouding tot de ruimte en de zwaartekracht. Deze gecompliceerde structuur is bij het embryo al volgroeid in de vierde maand. De akoestische zenuw is dan gemyeliniseerd en klaar voor gebruik. In zijn voordracht over het oor sprak Rudolf Steiner er over dat dit orgaan al lang van te voren is voorbereid en aangelegd. Het wordt opgebouwd door de geest tijdens het voorgeboortelijke bestaan van de mens, in samenwerking met hogere geestelijke wezens, de wezens van de hiërarchieën.
In het moederlichaam wordt het oor door het vruchtwater beschermd tegen de zwaartekracht. Op die manier kan het de plannen en de intensies vanuit het voorgeboortelijke bestaan in zich opnemen:

“Het oor komt nog niet onder de invloed van de zwaartekracht. Daardoor bewaart het oor nog langer hetgeen het tijdens het voor-aardse bestaan in de geestelijke wereld als aanleg heeft ontvangen. Het oor is een zuiver beeld van deze geestelijke wereld. Maar wat is daar dan in die geestelijke wereld? Daarover heb ik al vaker gesproken, de Harmonie der Sferen, de muziek der sferen is een realiteit. En zodra wij de geestelijke wereld, die nog achter de zielenwereld ligt, betreden bevinden we ons in een wereld, die enkel uit klank en toon bestaat, uit melodie, harmonie en samenklanken. En vanuit deze klank- en toonsamenhangen wordt het menselijke oor gevormd. Daarom kunnen we zeggen dat we in ons oor een herinnering hebben aan ons geestelijke, voor-aardse bestaan.”
(Rudolf Steiner GA 218 - 9 december 1922)

Laten we nu kijken naar het recente wetenschappelijk onderzoek door A.A. Tomatis, iemand die ook erkent dat de mens niet slechts een optelsom is van zijn lichamelijke organisatie. De afgelopen decennia kwam Alfred Tomatis door zijn onderzoek en ervaringen met beroepszangers en musici en met arbeiders uit de vliegtuigindustrie, die leden aan gehoorverlies als gevolg van geluidsoverlast, tot de conclusie dat de kwaliteit van het vermogen van het oor om te reageren op geluid wordt gespiegeld in de kwaliteit van de individuele stem. Wanneer bijvoorbeeld iemands oor bepaalde hogere frequenties niet kan horen (d.w.z. de boventonen), dan zal hij ook niet in staat zijn deze frequenties met zijn stem te produceren. Deze ontdekking, die zowel geldt voor het zingen als spreken, is in 1957 officieel door de Franse ‘Académie des sciences’ erkent als het ‘Tomatis-effect’.

Verder onderzoek door Tomatis toonde aan dat het slakkenhuis (cochlea), de spiraalvormige formatie in het binnenoor dat voor de auditieve waarneming dient, hoge en lagere frequenties registreert. Het slakkenhuis kan worden vergeleken met een harp, die is omgebogen tot een spiraal. De korte snaren zijn samengedrukt in het centrum van de spiraal, de langere snaren liggen in de bredere basis. Deze reageren op de geluiden met een lagere frequentie, de gewone omgevingsgeluiden zoals de stofzuiger, de trein in de verte, het gebrom en geruis van de straat of in huis. De dicht samengedrukte korte snaren in het midden van de spiraal (hoge tonen van de harp) reageren op het bereik van de hogere frequenties in de stem of in muziek: de viool in een concert, de fluit en trompet, alle instrumenten die hogere tonen voortbrengen. Tomatis richtte de aandacht op een feit dat in de biologie werd erkent maar door medici genegeerd, dat geluiden met deze lage en hoge frequenties de hersenen activeren via de akoestische zenuwen. Onze hersenen worden ‘opgeladen’ door klanken. En op dezelfde manier wordt ons bewegingssysteem in evenwicht gehouden door dat andere gedeelte van het binnenoor, dat ons vertelt over ons lichaam in de ruimte: het vestibulaire systeem.




In ‘Education and Dylexia', vertelt Tomatis over het zenuwcomplex tussen deze twee gedeelten van het oor:
“Ik wil de lezer eraan herinneren dat de mens een ondeelbaar geheel is, een geheel dat gecontroleerd wordt door een interne dynamiek waarvan de uiterlijke manifestatie zal bestaan in vormen van lichamelijke of verbale creativiteit. Het oor speelt binnen de wonderbaarlijke menselijke organisatie een cruciale rol. Het is alsof de akoestische zenuw, met het geheel van de cochlea en verstibulaire functies, begeleid door de nervus vagus, de centrale architectonische as van het menselijk lichaam vormt. De twee functies van de akoestische zenuw (gehoord en evenwicht) worden meestal gescheiden besproken, maar ik neem ze hier met opzet samen om de totale invloed van deze zenuw, in het bijzonder op de menselijke verticaliteit, te benadrukken. Verticaliteit (rechtop staan/lopen) is noodzakelijk voor de ontwikkeling van gesproken taal en het maakt het mensenwezen uniek. De mens is uniek door deze drie essentiële factoren: het spreken, lateraliteit en verticaliteit.”
(Alfred Tomatis: Education and Dylexia)

Nu weten wij dat schrijven en lezen afhankelijk zijn van de mogelijkheid om onze lichaamshouding onder controle te houden, te beheersen en van de mogelijkheid de klanken van taal waar te nemen en te analyseren. Deze twee activiteiten worden ons geboden door de prachtige structuur en mogelijkheden van het oor. Worden de klanken die de basis vormen van taal niet duidelijk herkend en begrepen, dan kan dit een obstakel vormen bij het ontwikkelen van de geschreven taal en het leren. Het opstijgen van het zintuig voor de waarneming van geluiden (gehoorzin) naar het hogere zintuig voor waarneming van het gesproken woord (taalzin) steunt op de wil om te luisteren, het verlangen tot luisteren. Dat is de psychologische kant van het hoor/luister-proces. De eerste ervaringen van het zich ontwikkelende jonge kind met geluid kunnen positief en stimulerend zijn of kunnen negatief zijn en remmend werken op de ontwikkeling van de luistervaardigheid. Tomatis vraagt zich af:
“Welke geluiden omgeven het kind in de eerste levensjaren? Wat is de kwaliteit van de stemmen van ouders en broertjes en zusjes? Klonken er muziek en zang, rijmpjes en versjes, of gesprekken die het verlangen om te luisteren stimuleerden?”

Wijzelf als leraren moeten ons afvragen of ons stemgebruik in de klas de taalzin van de kinderen activeert. Kan ons spreken een tegenwicht bieden tegen de mechanische omgeving waarin kinderen worden geboren? Bevat de klank waarmee wij voor de klas spreken het volle spectrum van de boventonen? Hebben we in onze woordkeuze en onze manier van uitspreken de maximale impact op het gevoelige oor van de luisteraars?
Toen de eerste Waldorfschool (vrijeschool) in Stuttgart  startte, zag Rudolf Steiner de nood op dit gebied en hij gaf aan die leraren veel van zijn eerste spraakoefeningen om hun stemmen te oefenen. Daarvan vind je verslag in ‘Praktijk van het Lesgeven’  (Seminarbesprekingen - GA 295), in ‘Methodik und Wesen der Sprachgestaltung’ (GA 280) en in de ‘Konferenzen’ (GA 300). Daarin refereert Rudolf Steiner aan de moeilijkheden van enkele leerkrachten en daarna gaat hij verder, zeggend: “Ik vind het lastig dat men zo vaak verkouden is. Wanneer u voldoende spraakoefeningen deed, zouden die verkoudheden verdwijnen! [...] Zolang de spraakorganen niet gecultiveerd worden blijven men steeds verkouden worden.” (Konferenz van 30 maart 1923).

Als onderdeel van dit cultiveren moeten we denken aan Steiners onderzoek naar de effecten van spraak op het zich ontwikkelende kind, zodat we zowel aandacht hebben voor de opvoeding van de kinderen als tegelijkertijd ook voor de gezondheid van de leraren.
Het was na de 1e Wereldoorlog dat Steiner opnieuw sprak over de invloed van het gesproken woord op de mens en hij verbond dat met wat er met de mens gebeurt gedurende de tijd dat hij slaapt en in de tijd na de dood. Hij beschreef hoe gedurende de eerste zeven levensjaren de zich incarnerende ziel zich aanpast aan het ritme van slapen en waken, van de etenstijden, van de dagelijkse routine welke het kind een basaal gevoel van vertrouwen geven, aan de ritmes van het dagelijkse leven. Het kind leeft gedurende die eerste tijd in de klanken van de taal, niet in de betekenis van de woorden. Iedere oplettende moeder zal dit merken als haar kind thuiskomt van het spelen bij een vriendje of van de dagopvang met woorden, die thuis nooit gebruikt worden. Het is een openbaring wanneer men deze vaak ongewenste toevoegingen aan de woordenschat van het kind analyseert in klanken en opeenvolging van klanken. Zeker wanneer we inzicht hebben in het effect van de individuele klanken, want de betekenis speelt voor het kleine kind geen rol. Onlangs rolde mijn vierjarig petekind met plezier zijn tong rond een ongewenste krachtterm. En toen zijn moeder ingreep, zag ik de schrik op zijn gezicht. En toen zag je hem bedenken dat hier iets was waarmee hij volwassen kon plagen. Voor mij was dat een heel leerzame ervaring. Ik zag hoe de onschuldig kinderlijke vreugde met klanken plotseling werd doorgestoten naar gebieden van het instinctieve leven, waar het werkzaam zal worden als een etterende wond, klaar om onder druk onverwacht open te gaan en uit te barsten.

In zo’n situatie kan een volwassene beter met creatieve takt reageren dan de zaak onderdrukken. Zeg in zo’n situatie snel een nieuw woord of zeg tegen een ouder kind of een ander persoon: Kun jij ‘macaroni’ zeggen of ‘papierversnipperaar’? Dat leidt dan de aandacht van het kind af van het scheldwoord dat het heeft opgepikt als was het een griepje of verkoudheid. Marianne Brühl (in Steiners tijd was zij euritmiste aan de `Goetheanum Bühne’) herinnert zich nog dat voor haar als peuter woorden elk een aparte smaak hadden. Ze wist niet wat de woorden betekenden, maar ze was er zeker van dat deze geheimen in zich droegen die ze in de toekomst zou leren kennen. De woorden waren als voedsel, als heerlijke hapjes waarvan zij mocht proeven.

Tot aan de tandenwisseling zijn het de individuele klanken in de woorden die het kind hoort en gebruikt en waarmee het kind de spraakorganen heeft geoefend, die tijdens de slaap van het kind de inhoud vormen van zijn slaapleven. Het is een verbazingwekkend feit, dat tijdens de slaap het kind in de essentie leeft van de klinkers en medeklinkers. We kunnen daarvan enig begrip verwerven, wanneer we denken aan het vormkrachtenlichaam dat van de geboorte tot aan de tandenwisseling werkzaam is om het erfelijkheidslichaam om te vormen naar de eigen talenten en intenties, die het kind meebrengt uit de geestelijke werelden. Deze vormkrachten stromen vanuit de verschillende gebieden van de dierenriem en geven structuur aan het etherlichaam, dat op zijn beurt al doordrongen is met de planetenkrachten. Bij de geboorte wordt alles wat de ziele-geest van een mens in het leven tussen dood en nieuwe geboorte samen met de hiërarchieën in de geestelijke wereld heeft doorgewerkt, samengebracht in zijn ‘horoscoop’ van vormkrachten. Hij is door de kring van de dierenriembeelden gereisd en heeft daar de scheppende werkzaamheid van de hiërarchieën gehoord en meegemaakt opgesomd in de enkele klanken van de medeklinkers. Vanuit de planeten, wanneer de ziel op weg in naar de nieuwe geboorte, wordt zij aangevuld met de klinkers. De planeten zijn procesvormend en werken via het etherlichaam. De medeklinkers geven structuur en zijn werkzaam via de twaalf zintuigen.

Deze twaalf zintuigen en hun functioneren werden door Rudolf Steiner al heel vroeg (1909) geschetst. Hij onderscheidde toen al: de levenszin, de eigenbewegingszin en de evenwichtszin (tegenwoordig bekend als viscerale input, proprioceptie en vestibulaire systemen), de reukzintuig, gezichtszin, smaak en het warmtezintuig (Van dit laatste zintuig is tegenwoordig bekend dat het in het kind pas echt functioneert vanaf 12 jaar). Dan zijn er nog het gehoor, het zintuig voor taal (dat de moderne wetenschap nu ook van het louter horen begint te onderscheiden en als ‘ligua‘ betitelt). Dan zijn er nog het zintuig voor het waarnemen van gedachten (gedachtenzin), de tastzin en het Ik-zintuig. De gedachtenzin en de Ik-zin moeten door de neurowetenschappen nog als aparte zintuigen ontdekt worden.
De klinker- en medeklinker-processen komen in het nieuwe etherlichaam en fysieke lichaam binnen via het astraallichaam. De vormkrachten zijn een samengesteld lichaam dat de impact van de individuele zielenervaringen en de archetypische structuren voor het wordende lichaam bevat. Ze werken in op het etherlichaam van de moeder en zo op de erfelijke fysieke lichaam dat zij het kind verschaft. Het is dit delicate geestelijke organisme van vormkrachten dat de spraakklanken opzuigt die het eerst geestelijk hebben gevormd en die nu vanuit de omgevende wereld worden waargenomen via de zintuigen. In de slaap werken deze klanken terug op het vormkrachtenlichaam en stimuleren de groei van het kind.
Het andere element, dat op eenzelfde manier via de zintuigen werkt als het geluid, is het licht. Steiner zegt hierover dat dit de ademhaling reguleert. De klanken van het spreken en de met licht doorstraalde atmosfeer zijn de twee hoofdpoorten voor de ziel om binnen te gaan in het aardse bestaan.

Audrey McAllen: The Listening Ear
the development of speech as a creative influence in education
HAWTHORN PRESS, Gloucester (UK)
ISBN I 86989 018 3


(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: