vrijdag 16 januari 2009

R.Steiner: Antroposofie 1909 - 2e voordracht (GA 115)

Berlijn, 25 oktober 1909


Wij hebben eergisteren de menselijke zintuigen in zekere zin alleen maar opgesomd, evenwel op zodanige wijze, zoals dat uit het menselijk wezen zelf voortvloeit. Wij hebben er geen mengelmoesje van gemaakt, zoals dat in de zintuigfysiologie meestal gebeurt, omdat daar de in aanmerking komende samenhangen niet kunnen worden ingezien. Wij hebben ze opgenoemd en op een rijtje gezet, in overeenstemming met het wezen van de mens, zonder er ook maar één weg te laten. En daar het gebied der menselijke zintuigen tot het belangrijkste behoort, dat wij bij de nauwkeurige benadering van het menselijk wezen zullen nodig hebben, zal het vandaag onze taak zijn, nu juist dit wezen der menselijke zintuigen nog een wat diepgaander aan een beschouwing te onderwerpen.
Wij zijn begonnen met het zintuig, dat wij levensgevoel of levenszin, vitaal zintuig, noemden. Wij zullen ons moeten afvragen: Waarop berust eigenlijk in der ware geest van het woord deze levenszin? - Dan moeten wij tamelijk diep afdalen naar de onderbewuste grondslagen van het menselijk organisme, als wij een voorstelling van datgene willen maken, waaruit ontspringt, wat levenszin wordt genoemd. Wij kunnen hier van alles slechts een schets geven. Om te beginnen bestaat er een karakteristieke samenwerking tussen het fysieke lichaam en het etherlichaam. Dit feit komt aan het licht, als men probeert vast te stellen, wat er aan de levenszin ten grondslag ligt. Het onderste deel van het menselijk wezen, het fysieke lichaam, en het levenslichaam (etherlichaam) treden in een heel speciale relatie jegens elkaar. Dat gebeurt doordat er in het etherlichaam iets anders optreedt en er binnenin gaat zitten, het bij wijze van spreken doordrenkt. Het etherlichaam wordt doortrokken en doorstroomd door iets anders. Dit andere is iets, dat de mens tegenwoordig eigenlijk in zichzelf nog helemaal niet bewust kent. De geesteswetenschap echter kan ons vertellen, wat daarbinnen in het etherlichaam werkzaam is en het doordrenkt als water een spons, om het met een beeld te zeggen. Indien men dit geesteswetenschappelijk onderzoekt, dan ontdekt men, dat het hetzelfde is als datgene, wat de mens ooit in verre toekomst als de geestmens ofwel het Atma zal ontwikkelen. In onze tijd heeft hij dit Atma nog niet door eigen toedoen in zich; het moet hem nog uit de hem omringende geestelijke wereld om zo te zeggen eerst verleend worden. Het wordt hem verleend, zonder dat hij er een bewust aandeel in hebben kan. Later, in een verre toekomst, zal hij het zelf in zich ontwikkeld hebben. De geestmens of Atma is het dus, wat het etherlichaam doordringt en vervult. Wat doet nu dit Atma in het etherlichaam? Vandaag de dag is de mens nog niet in de gelegenheid, een geestmens of Atma in zich te hebben, want in de tegenwoordige tijd is dit nog een bovenzinnelijk wezen in de mens. Dit bovenmenselijke, het Atma, komt daardoor tot uitdrukking, dat het 't etherlichaam samentrekt, ja, doet ineenkrimpen. Wanneer we daarvoor een beeld uit de uiterlijke wereld der zinnen willen gebruiken, dan kunnen we het bijvoorbeeld vergelijken met de ijzige invloed van koude. Wat ooit het hoogste wezensdeel van de mens zal zijn, waartoe hij thans nog niet rijp is, dat doet hem ineenkrimpen. De consequentie daarvan, dat nu juist het etherlichaam samenkrimpt, is, dat het astraallichaam van de mens, het astrale, als uitgeperst wordt, en naar mate waarin het etherlichaam wordt samengeperst, wordt ook het fysieke lichaam gespannen. Er treden ijzige spanningen op. Het is dus zo, alsof u een spons uitknijpt. Het astraallichaam verschaft zich als het ware lucht, wordt naar buiten geperst, eruit geduwd. De processen in het astraallichaam zijn nu gevoelsbelevingen, belevingen van lust en onlust, van vreugde en smart enzovoort. Dit proces van eruit gedrukt te worden is het, wat zich als levensgevoel kenbaar maakt, als vrijheidsgevoel bijvoorbeeld, als krachtgevoel, als gevoel van futloosheid.
Nu klimmen we een beetje verder naar boven. Als tweede zintuig hebben we de eigenbewegingszin genoemd. Hier is weer iets in het etherlichaam van de mens aan het werk, wat we tegenwoordig ook nog niet bewust bezitten. Het etherlichaam wordt namelijk doordrenkt en doortrokken als een spons met water, en wat het nu vervult en doortrekt, dat is de levensgeest of het Boeddhi, dat het eens uit zichzelf zal ontwikkelen. Thans is dit ons echter pas als het ware voorlopig vanuit de geestelijke wereld aan ons gegeven. Het Boeddhi of de levensgeest heeft een andere invloed dan de geestmens. Het werkt zo, dat een evenwicht ontstaat in het astraallichaam zoals in het in zichzelf rustende water ontstaat. Het evenwicht in het etherlichaam en daardoor in het fysieke lichaam heeft in het astraallichaam harmonie, evenwicht tengevolge. Als dit evenwicht van buitenaf wordt verstoord, dan probeert het zich vanzelf weer te herstellen. Maken wij een beweging, dan herstelt datgene, wat uit balans is geraakt, weer zijn evenwicht. Steken we bijvoorbeeld een hand uit, dan loopt er een astrale stroom in de tegenovergestelde richting van de uitgestrekte hand terug en zo gaat het bij alle bewegingen in ons organisme. Steeds, als er in de fysieke toestand een verandering optreedt, beweegt zich in het organisme in tegenovergestelde richting een astrale stroom. Zo is het bij het knipperen van de ogen, en zo is het met het bewegen der benen. In dit innerlijk beleefde proces van vereffening (evenwichtsherstel) in het astraallichaam openbaart zich de bewegingszin.
Wij komen nu toe aan een derde element, dat het etherlichaam van de mens kan vervullen. Dit derde element is ook iets, wat de mens heden slechts voor een heel klein gedeelte bewust gemaakt heeft, namelijk Manas of Geestzelf. Het is echter reeds in onze tijd de taak van de mens, het te leren kennen. Daarom werkt het anders dan bijvoorbeeld bij de levensgeest op het etherlichaam. Het werkt verruimend op het etherlichaam en het gevolg daarvan is, dat het tegendeel van datgene optreedt, wat bij de levenszin het ijzige is genoemd. Men zou de uitwerking van Manas op het etherlichaam met het binnenstromen van warmte in een ruimte kunnen vergelijke. Zoiets als een warmtestroom stort zich in het etherlichaam uit bij het binnengaan van Manas in het etherlichaam en doet het uitzetten. Het gevolg daarvan is, dat nu ook het astrale lichaam verdund wordt, maar zonder naar buiten geperst te worden en het kan in het zich vergrotende etherlichaam blijven. Terwijl de zintuiglijke waarneming bij het levensgevoel erop berust, dat het astraallichaam naar buiten gedrukt wordt, ontstaat, dat wat een statische zin of evenwichtszin is genoemd doordat het etherlichaam in omvang toeneemt en dan tegelijk het astraallichaam innerlijk meer plaats krijgt. Het astrale lichaam wordt van binnen minder dicht, het wordt ijler. Tengevolge van deze verdunning van het astraal- en etherlichaam is nu ook voor de fysieke substantie de mogelijkheid geschapen, zich op de een of andere manier te strekken en uit te rekken. Door de werking van Atma werd het fysieke lichaam samengetrokken, door de werking van Boeddhi werd het evenwicht bewaard, door de werking van Manas wordt het fysieke lichaam ontlast en daar tevens het etherlichaam uitdijt kan het zijn partikeltjes op bepaalde plaatsen naar buiten schuiven. Door een dergelijk naar buiten schuiven zijn ook die organen in het oor ontstaan, die loodrecht op elkaar staan, beantwoordend aan de drie dimensies van de ruimte: de drie halfcirkelvormige kanalen. Het zijn om zo te zeggen uitspreidingen van de zintuiglijke materie van het fysieke lichaam. Zulke organen ontstaan op de meest verschillende manieren als nieuwe vormen, als prachtige creaties, die niet ontstaan doordat er van binnenuit druk wordt uitgeoefend, maar doordat van buitenaf verlichting wordt geschonken en de druk ophoudt. Doordat het astraallichaam kan uitdijen, kan het in contact met de buitenwereld treden. Het moet met deze buitenwereld in balans zien te komen. Lukt dat niet, dan staat de mens scheef of hij valt zelfs om.
Voor de beide eerste zintuigen speelde dit niet mee, maar aan dit zintuig valt de taak ten deel, in balans te geraken. Willen we ergens naar binnen, dan moeten we er zo in, als we kunnen; we moeten bijvoorbeeld in de ruimte in de drie ruimterichtingen binnen zien te komen. Vandaar, dat die drie halfcirkelvormige kanalen in het oor in de drie richtingen van de ruimte loodrecht op elkaar groeien. Worden deze organen beschadigd, dan houdt het statische zintuig op te functioneren en de mens krijgt duizelingen, flauwtes en dergelijke. Waar wij met dieren te maken hebben, ligt de zaak zo, dat de dieren te vroeg in de materie zijn afgedaald, zodat bij hen de fysieke materie nog meer verhard is. Er treden gewoonweg steenvormingen op de otholiten. Zij gaan zo liggen, dat met behulp daarvan het evenwicht bewaard en gevoeld worden kan.
Daarmee zouden we dan nu, om zo te zeggen van binnen naar buiten gaande, drie zintuigen besproken hebben. Het laatste zintuig staat vlak bij de grens tussen wat de mens innerlijk beleefd en wat hij moet beleven om zich in de buitenwereld te kunnen inpassen. In de jongste tijd is de uiterlijke, aan de zintuiglijke feiten hangende wetenschap er als het ware met de neus op gedrukt, om deze drie gebieden van onze zintuiglijke organisatie eindelijk eens te erkennen. Wij moeten daarbij een scherp onderscheid maken (zoals we dat hier altijd doen) tussen wat feitelijk resultaat van het onderzoek is en de opvattingen, die de groepsziel der geleerden vandaag de dag met haar ontoereikende denken heeft. Zij heeft nu juist op dit terrein laten zien, hoe zij zich op dood spoor moet begeven, als zij de leidraad niet heeft, die door het labyrint geleidt, want juist hieraan ontbreekt het ten zeerste. Zo heeft men deze vormen hier, die op een orgaan van een menselijk zintuig duiden, met zekere organen in het plantenrijk vergeleken, waar ook bij het zich buigen van planten een soort evenwicht wordt bewerkstelligt door verplaatsing van zulke deeltjes. Omdat echter de moderne denker in de regel steeds dan door de logica in de steek wordt gelaten, als hij een juiste opvatting over de dingen zou kunnen hebben, is hij tot het merkwaardige resultaat gekomen, dat ook de planten een evenwichtszintuig zouden bezitten. Een dergelijke logica berust op het standpunt, dat ik al dikwijls door middel van een beeld gekarakteriseerd en aangehaald heb. Omdat een zekere plant, indien het een of andere insect hem nadert, zijn bladeren samentrekt om het te vangen, zegt men op deze oppervlakkige manier, dat er van een overeenkomstig zintuig van de plant gesproken moet worden. Ik ken echter een apparaat, dat dit ook op een voortreffelijke wijze doen kan. Het gaat zelfs zo ver, dat het de kleine dieren aanlokt en grijpt, namelijk de muizenval. Met hetzelfde recht, zoals men dat, wat over de menselijke zintuigen wordt gezegd, op de planten van toepassing doet zijn, zou men het ook op de muizenval kunnen laten slaan. Even ongerijmd zouden we het ook op de weegschaal met haar evenwicht kunnen toepassen, om van een evenwichtszin van de weegschaal te spreken. Zulke malligheden spruiten voort uit een denken, dat niet voldoet, dat niet voldoende kan uitdijen, dat het wezen der zaak niet behoorlijk kan doordringen.
Aldus krijgen we drie zintuigen, waarop de wetenschap heden ten dage op een bepaalde manier greep probeert te krijgen, maar wat hij echter pas zal leren beheersen, als hij de draad der geesteswetenschap vindt en kan opnemen. Dan pas zal hij ook de bouw van het menselijk organisme op de juiste wijze begrijpen, zoals hij werkelijk is, juist onder de invloed van de interacties, die gekenschetst zijn. Daartoe is echter nodig, dat men de gehele mens van het innerlijk uitgaande geesteswetenschappelijk kan observeren en in zijn greep krijgen.
Wij komen nu aan de reukzin toe. Hier kan de vraag ontstaan: Waarom wordt eigenlijk weggelaten, wat de wetenschap de tastzin noemt en waarover gewoonlijk het meest wordt gediscussieerd? Bij een beperkt aantal voordrachten over dit hele gebied moeten sommige dingen met een zekere snelheid vluchtig worden behandeld en het een en ander kan dan enigszins paradoxaal klinken. De tastzin werd weggelaten, omdat hij zo, als hij door de bank genomen wordt voorgesteld, een bedenksel, een fantasieproduct van de fysiologie is. Hij bestaat als zodanig helemaal niet, want men kan een hele serie zintuigen als tastzintuigen bestempelen. Men mag echter niet in de eigenlijke zin van het woord van een tastzin spreken. Wat gebeurt daar dan, wanneer er getast wordt? Laten we aannemen, dat iemand een voorwerp beetpakt. Wat zich daar afspeelt, beperkt zich eigenlijk geheel tot de evenwichtszin. Als men op een lichaamsdeel druk uitoefent, wordt namelijk in dat lichaamsdeel het evenwicht verstoord en er gebeurt niets anders, dan wat binnen het evenwichtszintuig geschiedt. Hetzelfde is het geval, indien men op een tafel duwt, over een fluwelen oppervlak strijkt aan een touw trekt. Het zijn slechts veranderingen in het evenwicht binnen onszelf, wanneer duwen, trekken of strijken enzovoort als tastprocessen plaatsvinden. De tastzin dient altijd daar te worden gezocht, waar de evenwichtszin actief is.
Over de tastzin bestaan in de wetenschap de meest fatale opvattingen. Men praat over het uitoefenen van druk, zonder verder op het wezen van dit feit in te gaan. Voor de gewone mens is een druk iets, waarover hij verder helemaal geen vragen stelt. Druk echter hangt voor degene, die de kwestie geesteswetenschappelijk bekijkt, met de vraag samen: Wat voor een storing ontstaat daar in het evenwicht van het organisme en wat voor een compensatie is er dientengevolge in het astraallichaam nodig? - Hoe deze drukzin, die een deel van de tastzin zou zijn, verkeerd begrepen wordt, kan men daaruit opmaken, dat men vraagt: Hoe komt het, dat de mensen niet door de geweldige atmosferische druk, die op hen rust, worden platgedrukt? Als de kwestie met die uitwendige druk er zo uitzag, dan zou er een geweldige druk op ons lichaam uitgeoefend worden. Een weetgierige jongen vraagt er dan bijvoorbeeld tijdens een natuurkundeles naar en dan wordt hem geantwoord, dat de druk en tegendruk, die van binnen naar buiten werkt, in ons lichaam gelijk zouden zijn en elkaar zouden opheffen. De mens zo zegt men, is immers van binnen met lucht opgevuld en het gevolg is een even grote druk naar buiten, zodat de beide even grote, tegengesteld gerichte drukwerkingen elkaar opheffen. Er treed evenwicht op en de mens kan niet platgedrukt worden. Maar als de betreffende jongen een wakker baasje is, dan zal hij bezwaar maken en zeggen: Ik ben al vaak diep in het water gedoken en ben helemaal door water omgeven geweest en ben niet platgedrukt, hoewel ik in het binnenste van mijn lichaam immers niet helemaal met water opgevuld was; anders zou ik toch zeker verzopen zijn! - Hierin is het absurde gelegen, waarheen de dingen leiden, als we ze puur uiterlijk materialistisch verklaren. In waarheid gaat het, als er druk op ons wordt uitgeoefend, om een bij uitstek geestelijk proces. Als verstoringen van evenwicht moeten worden uitgebalanceerd, brengt dat ons tot in het astraallichaam. Wanneer druk op ons wordt uitgeoefend, verandert het evenwicht, wij schuiven het astraallichaam in het samengedrukt deel en herstellen zo het gestoorde evenwicht, ja, men laat het zelfs een beetje erboven uitsteken. Daar waar wordt gedrukt, is er in het astrale, bij wijze van spreken, altijd sprake van een kleine buil. Dit compenserende, zuiver astrale effect is zo sterk, dat het van binnenuit de gehele druk van de lucht aan de buitenkant teniet kan doen. Hier is letterlijk de geest met handen te grijpen; men merkt het alleen niet.
Maar wat gebeurt er nu bij de reukzin? Daar grijpt iets het menselijk organisme aan, dat al dichter bij ons bewustzijn komt, namelijk de bewustzijnsziel zelf. Op hetzelfde ogenblik, dat er geroken wordt, treedt in werking, wat in de geesteswetenschap bewustzijnsziel wordt genoemd. Zij bewerkstelligt op een bepaalde plaats van het organisme, dat er niet alleen verwijding, verdunning tot stand komt, maar dat hier het astraallichaam zijn invloed naar buiten uitstrekt en deze invloed derhalve boven het organisme uitgaat. Terwijl bij het ruiken de luchtvormige substantie in de slijmhuid van de neus dringt, dringt de astrale substantie in dezelfde mate naar buiten. Steeds verlaat deze astrale substantie bij het ruiken het organisme, duikt het object in en beleeft niet alleen iets in zichzelf, maar (juist) in dit object, wat wij welriekendheid, geur, stank of iets dergelijks noemen en als zodanig ervaren. Wat door de bewustzijnsziel ontstaat, is als een voelhoorn van het astraallichaam.
De smaakzin functioneert op zijn eigen manier, omdat het organisme hierbij door de verstands- of gemoedsziel wordt bewerkt. Deze giet astrale stromingen door het smaakorgaan naar buiten en stuurt ze de substanties op de tong tegemoet. - Wat zich in het astraallichaam bij het ruiken afspeelt, is van een zeer bijzondere aard. Wat stroomt er nu uit het astraallichaam, als iemand ruikt? Dat is niets anders dan iets van wilsachtige aard. Wat wij innerlijk als wilsimpuls voelen, dat golft bij het ruiken de binnenstromende materie tegemoet. Het proces van het ruiken is een afweren, een poging om binnenstromende substantie terug te dringen. Het geestelijke onderzoek kan zeggen, dat die binnenstromende substantie niet alleen maar een luchtachtige substantie is -dat is alleen maar maya, illusie-, maar het is van buitenaf binnenstromende wil. Bij het ruiken vindt er een spel van wilskrachten plaats. Het gevolg daarvan is, zoals ooit iemand heeft aangevoeld, dat hier de wil van binnen en de wil aan de buitenkant elkaar bestrijden en afremmen. Op dit gevoel heeft diegene -het is Schopenhauer- een wilsfilosofie gebaseerd. Dat is echter een foutieve metafysica. Wat Schopenhauer daar zegt over die wilskrachten, is eigenlijk alleen op het ruiken van toepassing; al het andere is er eenvoudigweg ingelegd.
Zoals dat, wat bij de reukzin naar buiten stroomt, uit de wil afkomstig is. Zo is dat, wat er bij de smaakzin naar buiten stroomt, het voedsel tegemoet, van het gevoel afkomstig en ook het naar binnen stromende heeft gevoelskwaliteit. Hier, bij het proeven, gaat het ene gevoel met het andere een wisselwerking aan. Al het andere daarbij is slechts maya, niets anders dan een uiterlijk teken. Hier verschijnt een werking van het gevoel als zintuig, het proeven wordt namelijk als aangenaam, onaangenaam, walgelijk enzovoort ervaren. Trouwens, niet met het gevoel zelf heeft men daar te maken, maar met de daarbij behorende wisselwerking tussen gevoelens.
Het volgende zintuig is het gezichtszintuig. Hier is het de gewaarwordingsziel, die nu het etherlichaam bewerkt en zich daarin uitstort. Het gebeuren is hier van gedachteachtige aard. Er heerst daar een intellectueel beginsel. De gewaarwordingsziel heeft reeds in zich, wat in de bewustzijnsziel tot bewustzijn komt; uiteraard is de gedachte in haar nog onbewust. Het is een denken in de gewaarwordingsziel, hetgeen daar door het oog naar buiten stroomt. Hier stroomt dus echte gedachtesubstantie naar buiten. Deze heeft een veel grotere reikwijdte. Het is zo gesteld, dat er van de mens werkelijk iets astraals uitgaat en naar de dingen toe stroomt. Er komen bijvoorbeeld geen ethergolven van het licht in het oog terecht, dat daarop het opgevangen beeld naar buiten projecteert! Dan zou er immers iemand binnen moeten zitten, die dit projectiewerk verzorgt. Dat zou toch een afschuwelijk bijgelovige voorstelling zijn, een wezen dat daar binnen zit te projecteren. De wetenschap, die zo trots is op zijn naturalisme, laat zich in het onderhavige geval uit de brand helpen door de veelvuldig versmade fantasie. Naar het ding gaat iets astraals als gedachtesubstantie uit en dringt zo ver door, totdat het ergens in de verte op weerstand stuit en iets anders van astrale aard zich ertegen teweer stelt. Het zich buiten zo afspelende conflict van het ene astrale met het andere vormt de kleur, die wij aan de dingen beleven. De kleur ontstaat aan de grens der dingen, waar het uit de mens naar buiten stromende astrale op het astrale van de dingen stuit. Op de grens tussen het uitwendige en het inwendige astrale ontstaat de kleur.
Het is zeer merkwaardig, als men bijvoorbeeld in aanmerking neemt, dat eigenlijk reeds in de gewaarwordingsziel onderbewust een denken te voorschijn komt en waarvan wij ons pas in de bewustzijnsziel bewust worden. Wat zich inderdaad, indien wij de dingen met beide ogen aanschouwen, als twee indrukken voordoet, dat wordt door iets van gedachteachtige aard bewerkt, wat voorlopig niet in het bewustzijn terechtkomt. Wanneer dit tot het bewustzijn moet doordringen, dienen beide gedachtemomenten samen te werken. Zij moeten de weg gaan van de gewaarwordingsziel omhoog tot in de bewustzijnsziel. Deze weg kunnen we goed veraanschouwelijken d.m.v. een uiterlijk teken: Hier zijn de beide handen. Elke hand heeft zijn eigen gewaarwordingen, maar alleen, indien de beide handen elkaar kruisen, wordt iemand zich bewust van de gewaarwording, dat de ene hand de andere ervaart, zoals een voorwerp in de buitenwereld pas nadat iemand het aangeraakt heeft, in zijn werkelijke bewustzijn getild wordt. Als het de bedoeling is, dat de indrukken, die door gedachtewerk in de gewaarwordingsziel worden verkregen, bij de mens tot bewustzijn komen, dan moeten zij gekruist worden. Bij het zien is dat het resultaat van het feit dat de beide gezichtszenuwen elkaar in de hersenen kruisen. Deze kruising van de gezichtszenuwen vindt zijn oorzaak in het feit, dat een in het onderbewuste, in de gewaarwordingsziel verrichtte gedachteactiviteit door de kruising in de bewustzijnsziel omhoog gevoerd wordt, waardoor nu de ene activiteit door de andere kan worden beleefd. Zo wordt het fysieke uit het geestelijke opgebouwd en de mens kan pas door antroposofie tot in zijn fijnste anatomische details begrepen worden.
Nu komt als eerstvolgende de warmtezin aan de beurt. Hierbij komt weer iets kijken, dat door zijn werkzaamheid in de mens de warmtezin tot stand laat komen. Het is het gewaarwordingslichaam zelf, dat zijn astrale substantie mobiliseert en naar buiten laat stromen, als er een warmtebeleving moet optreden. Dit doet zich dan voor, wanneer de mens werkelijk in staat is zijn astrale substantie naar buiten te zenden, zonder daarbij een belemmering te ondervinden. In het bad voelen we ons niet verwarmd, als het net zo warm is als wijzelf, als er dus een evenwicht tussen ons en de omgeving bestaat en er door ons niets wordt opgenomen. Alleen als er warmte uit ons stroomt of als deze in ons naar binnen kan stromen, voelen wij warmte of koude. Is de omgeving koud, dan laten wij warmte in haar uit stromen. Zij wij koud, dan laten wij warmte in ons binnen stromen. Het ligt hier weer voor de hand, dat er een in- en uit stromen plaatsvindt. Bij een evenwicht tussen binnen en buiten wordt de warmte niet beleefd. De warmte-ervaring heeft altijd te maken met de werking van het menselijke gewaarwordingslichaam. Dit zal steeds sterker uit stromen, wanneer we een voorwerp aanraken, dat aldoor warmer en warmer wordt. Steeds meer van wat erin wil, dringt zich aan ons op en het gewaarwordingslichaam moet dan dienovereenkomstig meer uit stromen. Dit gaat echter alleen tot een bepaalde grens. Als het niet meer mogelijk is, uit het gewaarwordingslichaam kracht te laten uit stromen, dan verdragen wij de hitte niet meer en we branden ons. Het zou ook zo moeten zijn, dat we telkens een verbranding voelen, als we geen substantie meer van ons gewaarwordingslichaam kunnen laten uitgaan bij het aanraken van iets zeer kouds. Pakken we een heel koud ding beet, dat ons niet toestaat, substantie van het gewaarwordingslichaam te doen uit stromen, omdat het niets aan ons afstaat, dan doet zich de buitensporige koude ook aan ons voor als een branden en veroorzaakt blaren. Het berust in beide gevallen op dezelfde werking.
Dan wijden wij ons thans aan het gebied van de gehoorzin. Daarmee heeft het etherlichaam van de mens iets te maken. Dit etherlichaam is echter, zoals de mens het tegenwoordig bezit, niet in staat werkelijk iets af te staan zonder blijvend verlies voor ons, zoals het gewaarwordingslichaam dat nog kan. Het etherlichaam is al sedert de Atlantische tijd zo gevormd, dat het niets meer kan afstaan, want dat zou de mens dan in zijn levenskracht moeten missen. Indien er een werking van het gehoor tot stand moet komen, moet dat derhalve langs een heel andere weg gebeuren. Hier kan de mens dus niets meer afstaan. De mens kan op eigen kracht geen hoger zintuig ontwikkelen dan de warmtezin. Als hier niet iets in de mens zou binnen komen, dat de mens zelf niet heeft, dan zou er geen gehoorzin tot stand komen. De mens moet daarom door wezens doortrokken worden, die hem hun eigen substantie ter beschikking stellen. Zodoende is het menselijk organisme van wezens vervuld, die hem als een spons doordringen. Deze wezens noemen we de Angeloi; deze hebben in het verleden de trap van het menszijn al doorgemaakt. Zij sturen hun astrale substantie als een vreemde astrale substantie in ons mensen naar binnen, die de mens zich toeeigent en in zich laat werken en uitstromen. Deze substantie stroomt door de oren datgene tegemoet, wat d.m.v. toon naar ons wordt toegedragen. Als het ware op de vleugels van deze wezens begeven wij ons in dat binnenste, dat wij als de ziel der dingen leren te herkennen. Hier heeft men dus met wezens te maken, die boven de mens staan, die de mens vervullen, die echter over dezelfde astrale substantie beschikken als hij.
Nu bestaat er echter nog een hoger zintuig, namelijk de taal-, woord- of klankzin. Wat dit zintuig betreft, heeft de mens wederom niets, dat hij vanuit zichzelf zou kunnen afstaan. Hier moeten derhalve wezens ingrijpen, die wat hun substantie aangaat gelijksoortig zijn met datgene, waaruit het menselijk etherlichaam bestaat. Zij hebben natuurlijk ook de overeenkomstige astrale substantie; deze wordt hierbij echter de buitenwereld ingeduwd. Zij moeten de mens binnengaan, zij geven hun etherlichaam en deze kracht kan de mens dan weer in zijn omgeving naar buiten laten stromen. Dit zijn de Archangeloi, de aartsengelen. Deze spelen nog een heel andere rol dan de engelen. Zij bewerkstelligen, dat de mens de klank niet alleen kan horen, maar ook instaat is, hem begrijpend te beleven. Zij dragen er zorg voor, dat de mens niet alleen in de gelegenheid is een toon, een G of een Cis, te horen, maar ook, dat hij, als hij een klank hoort, daarbij iets beleeft, namelijk het innerlijk van de klank; dat hij bijvoorbeeld een A met zijn klankzin verneemt. Deze wezens zijn niets anders dan wat men ook de volksgeesten noemt, de geesten van de afzonderlijke volksindividualiteiten. Terwijl bij de gehoorzin de engelen uiterlijk blijk geven van hun werk door middel van luchtwerkingen, doordat zij de lucht in het oor behandelen, stellen de aartsengelen andere werkingen tegenover datgene, wat in de lucht buiten gebeurt. Door hen worden sapwerkingen in een waterige substantie opgeroepen. Door hetgeen zij bewerkstelligen wordt de sappencirculatie in een bepaalde richting gestuwd. Dat de mens bijvoorbeeld in de A de bijbehorende betekenis van de klank waarneemt, wordt tevens door de fijnere sappen bewerkstelligd. Uiterlijk wordt deze activiteit uitgedrukt in datgene waardoor de volksfysiognomieën worden gevormd, het bijzondere stempel op het menselijk organisme, voor zover het tot een bepaald volk behoort. Daarin zijn deze wezens in het bijzonder actief. Vandaar dat wij kunnen zeggen, dat de sappen in een mens anders stromen en het gehele organisme anders functioneert, al naar gelang dat aartsengelwezen het volk, waartoe het behoort, deze of gene klankzin bijbrengt. Indien, om een voorbeeld te geven, een volk "Aham" -Ik in het Sanskriet- zegt in plaats van "Ik", ongeacht wat het ook verder nog voor theorieën over het menselijk Ik moge hebben, dan spelen deze theorieën geen rol, maar de twee A's achter elkaar leveren een oorspronkelijke organisatie op en iemand behorende tot zo'n volk moet wel een zodanige gewaarwording van het Ik hebben, zoals die bij deze twee op elkaar volgende A's behoort. Als een volk I met CH (of K) verbindt, dan treedt er een heel ander effect op. Een dergelijk volk moet een andere voorstelling van het Ik hebben. In de I is een speciale nuance gelegen, een speciale klankkleur; dat is het, wat de volksgeest in het organisme legt met betrekking tot de opvatting omtrent het Ik.
Het maakt ook een groot verschil, of iets wordt gekenschetst door de opeenvolging van A en O of van I en E. Onder invloed daarvan moet het hele volksgevoel veranderen. "Amor" heeft bijvoorbeeld een ander gevoelsnuance, dan wanneer "Liebe" (of "liefde") wordt gezegd. Hier ziet men typisch de volksgeest aan het werk. Het is niet onverschillig of bijvoorbeeld het woord "Adam" bij de Israëlieten voor de eerste mensenvorm wordt gebruikt, of bij de Perzen daarentegen voor het Ik. Het zijn immers geheel andere gevoelswaarden, die zo bij de verschillende volken worden gewekt. Wij hebben zo op het mysterie van de taal gewezen of veeleer de eerste beginselen.
Het gaat daarbij om de werking van geesten, die in de orde der hiërarchieën op het niveau der aartsengelen staan en die de mens met hetgeen klankzin is doordringen en zijn waterige substantie doorleven. Het behoort verder tot de grootste belevenissen van de naar het bovenzinnelijke opklimmende mens, als hij begint te voelen, wat voor een verschil er in de vormende kracht der klanken ligt. De kracht der klanken laat zijn allerbeste effect in het waterige element zien, de kracht der tonen in de lucht.
Dan kan ook worden gevoeld, wat het betekent, als iemand zich genoodzaakt voelt, een zeker wezen de naam "Eva" te geven. Wil deze mens iets anders uitdrukken, dat zich daartoe verhoudt als het geestelijke tot het zintuiglijke, dan zou hij het spiegelbeeld daarvan kunnen gebruiken en zou hij zo "Ave" als een lettergrepencombinatie krijgen voor de groet aan Maria. Dit roept een tegengesteld gevoel in het menselijk organisme tevoorschijn, in vergelijking met wanneer hij "Eva" zegt.
Een nog ander omkering van "Eva" zou, met een J ervoor, het woord "Jahwe" zijn, als naam voor God in het Oude Testament. Hij, die in de klank doordringt, kan alle betrekkingen tussen Jahwe en Eva begrijpen, als hij tot hogere inzichten geraakt.
De taal is niet willekeurig tot stand gekomen; hij is een geestelijk product. Om hem in zijn geest waar te nemen, beschikken we over de klankzin, die in het gehele systeem der zintuigen met hetzelfde recht is opgenomen als de overige zintuigen. En er bestaan diepere beweegredenen voor, waarom de zintuigen juist in deze volgorde moeten worden opgenoemd.
De volgende keer zullen we dan tot de begripszin en de hogere zintuigen opklimmen, om dan zo de microkosmos geesteswetenschappelijk voor ons begrijpelijk te kunnen maken.

R.Steiner: Antroposofie 1909 - 1e voordracht (GA 115)

Berlijn, 23 oktober 1909

Wij hebben hier en in de andere steden, waar onze Theosofische Vereniging gevestigd is, de laatste jaren zoveel uit het totale gebied van de Theosofie vernomen, dat om zo te zeggen uit zeer hoge regionen van helderziend onderzoek gehaald is, dat ooit de behoefte moest opkomen, of liever zou moeten opkomen, om iets te doen voor een ernstige en waardige fundering van onze geestelijke stroming. En wel juist de huidige algemene vergadering, die onze gewaardeerde leden na het zevenjarig bestaan van onze Duitse Sectie bijeenbrengt, zal een passende aanleiding daartoe zijn, ook weer een bijdrage te leveren tot een meer solide structurering van onze zaak. Het is de bedoeling, dat een en ander door mij in deze dagen in de vier voordrachten over antroposofie nagestreefd wordt.
De in Kassel gehouden voordrachten over het Johannes-evangelie (GA 112), de voordrachten in Düsseldorf over de hiërarchieën (GA 110), die in Bazel over het Lukas-evangelie (GA 114), die in München over de onderwijzingen der oriëntaalse theosofie (GA 113), zij alle noodzaakten ons, in hoge regionen van geestelijk onderzoek op te stijgen en moeilijk toegankelijke geestelijke waarheden naar beneden te halen. Datgene, wat ons daar steeds bezighield, was theosofie, was tenminste gedeeltelijk een beklimming van hoge toppen van het spirituele menselijke weten.
Men kan werkelijk in dat, wat men het cyclische verloop van het wereldgebeuren noemt, als men daarvoor allengs een gevoel ontwikkelt, terecht iets diepers zien. Het was juist in de dagen van onze allereerste algemene vergadering, toen wij de Duitse Sectie in het leven moesten roepen, dat ik toen voor een publiek, dat slechts voor een zeer gering deel uit theosofen bestond, voordrachten hield, die indertijd ook een hoofdstuk uit de antroposofie werden genoemd, het historisch hoofdstuk van de antroposofie. Thans, na zeven jaren, schijnt de tijd weer gekomen te zijn, waarin ook in dit opzicht een cyclus volbracht is en waarin in een meer omvattende zin over datgene mag worden gesproken, wat men onder antroposofie heeft te verstaan.
Allereerst zullen wij door een vergelijking een beeld scheppen van wat antroposofie is. Als men een gebied in ogenschouw wil nemen, kan men alles, wat zich voor ons oog ontrolt, dorpen, bossen, weilanden, straten en zo meer, bekijken, doordat men beneden rondloopt van plaats tot plaats, door straten en dorpen, door weilanden en bossen. Men zal daar beneden telkens, al naar gelang men zich op de ene of op de andere plaats bevindt, steeds een klein, een uiterst klein gedeelte van het gehele gebied voor ogen hebben.
Men kan echter ook een bergtop beklimmen en vanaf deze hoge bergtop het hele land overzien. Dan zullen de details er voor het gewone oog slechts zeer onduidelijk uitzien: daar staat echter tegenover, dat men een overzicht over het geheel zal hebben. Zo ongeveer zou men de verhouding kunnen kenschetsen, die bestaat tussen wat men in alledaagse leven menselijke kennis, menselijke wetenschap noemt, en wat theosofie is. De gewone kennisgaring begeeft zich in de wereld der feiten van het ene losse detail naar het andere. De theosofie klimt op een hoge bergtop. Daardoor neemt haar gezichtsveld toe. Als zij op de top gaat staan, moet zij echte bijzondere middelen te baat nemen, om tenminste nog iets van het onder haar gelegene te zien. De middelen, die dan moeten worden toegepast, zijn veelvuldig beschreven, ook in mijn boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?". Daar is aangetoond, hoe de mens tot deze ideale top kan doordringen, zonder de kans te verspelen, dat hij überhaupt nog iets ziet.
Nu bestaat er echter -en dat kan direct uit deze vergelijking naar voren komen- nog een derde mogelijkheid: Men klimt niet helemaal naar de top, men blijft om zo te zeggen halverwege staan. Als men beneden staat, dan ziet men louter details voor zijn neus; men heeft geen overzicht en men ziet het boven gelegene vanaf de grond. Indien men boven is, heeft men niets boven zich behalve de goddelijke hemel, en men ziet alles onder zich. Als men in het midden staat, heeft men iets onder zich en iets boven zich, en men kan de beide inzichten met elkaar vergelijken.
Iedere vergelijking gaat natuurlijk mank, maar om te beginnen bestond alleen het plan, om u er een voorstelling van te geven, waardoor theosofie zich allereerst van antroposofie onderscheidt. Theosofie is het staan op de bergtop, antroposofie is het staan in het midden, zodat men naar boven en naar beneden kijkt. De standplaats en het gezichtspunt is alleen maar anders. Nu echter is de vergelijking niet meer toereikend, om het volgende te kenschetsen. Als men zich aan de theosofie wijdt, dan is het noodzakelijk, dat men boven de menselijke zienswijze uitkomt, dat men zich van zijn lagere Ik tot zijn hogere Ik verheft, en dat men met de organen van het hogere Ik kan schouwen. Want de bergtop, van waaruit de theosofie kan schouwen, ligt boven de mens, het gewone menselijke begrip ligt daarentegen onder de mens, en de mens zelf staat in het midden tussen de natuurlijke en geestelijke wereld. Het hogere strekt zich tot in hem uit, want hij is doortrokken, vervuld van geest. Hij kan de geest boven zich zien; hij kiest zijn uitgangspunt echter niet in de geest, vanaf de bergtop, maar zo, dat hij de top boven zich heeft. Tegelijkertijd echter ziet hij datgene, wat alleen maar natuur is, onder zich, want dat loopt van onderaf in hem door. Theosofie staat aan het gevaar bloot, dat, indien niet die middelen worden toegepast, die bijvoorbeeld in mijn boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?" beschreven zijn, het menselijke genegeerd wordt en dat de mens de mogelijkheid verliest, tenslotte nog iets gefundeerds te begrijpen. Bij de theosofie ligt het gevaar voor de hand, aan haar voeten niet meer de werkelijkheid te zien. Zij behoeft de mogelijkheid natuurlijk niet te verliezen, als die adequate middelen worden aangewend ter ontwikkeling van die organen, waarmee door het hogere Ik wordt gezien.
Dan echter kunnen we zeggen: Theosofie is datgene, wat onderzocht wordt, als de God in de mens spreekt. - Dat is eigenlijk de echte definitie van de theosofie: Laat de God in je spreken, en wat hij je dan over de wereld zegt, is theosofie. Antroposofie is daarmee te karakteriseren, dat men zegt: Ga midden tussen God en natuur in staan, laat de mens in je spreken over datgene, wat boven je is en in je naar binnen straalt, en over dat, wat van onderaf in jou doorloopt, dan heb je antroposofie, de wijsheid die de mens spreekt. - Deze wijsheid die de mens spreekt, zal echter voor iemand een belangrijk steunpunt voor een sleutel van importantie tot het totale gebied der theosofie kunnen zijn. En U kunt, nadat U enige tijd theosofie hebt geresorbeerd, nauwelijks iets beters doen, dan dit solide standpunt verwerven, door het werkelijk te zoeken. Daarom zal ik ervoor zorgen, dat in aansluiting aan deze voordrachten zo snel mogelijk een beknopt overzicht van wat antroposofie is verkrijgbaar zal zijn. Datgene, wat ik hier heb gezegd, kan ook vanuit de meest uiteenlopende richtingen historisch gedocumenteerd worden. Wij behoeven het helemaal niet ver te zoeken. U heeft daar bijvoorbeeld een wetenschap - U kunt zich daarvan met de meest uiteenlopende populaire handboeken op de hoogte stellen - deze wetenschap noemt men gewoonlijk antropologie. Hij omvat, zoals hij tegenwoordig bedreven wordt, niet alleen de mens, maar, als de uitdrukking juist wordt opgevat, al datgene, wat tot de mens behoort, alles wat men in de natuur te weten kan komen en wat men nodig heeft, om de mens te begrijpen. Deze wetenschap verkiest zijn uitgangspunt bij het rondgaan temidden van de dingen, hij is zelf helemaal beneden. Hij gaat van detail naar detail. Het is het onderzoek, dat het menselijke met de zintuigen observeert met behulp van een microscoop. Deze wetenschap, de antropologie, die tegenwoordig de wijdste kringen als enige wetenschap over de mens laat gelden, kiest werkelijk zijn standpunt op een lager niveau dan dat, waarop de bekwaamheden van de mens staan. Hij maakt geen gebruik van alle mogelijkheden, die de mens in zich heeft, om onderzoek te verrichten. Vergelijkt U eens met deze antropologie, die om zo te zeggen aan de grond vast geplakt zit, die geen enkel antwoord op de brandende kwesties van ons raadselachtig bestaan kan opleveren, vergelijkt U haar met wat aan iemand als theosoof wordt aangereikt. Daar worden de hoogste pieken beklommen, daar gaat het erom, een antwoord te vinden op de meest brandende vragen van het bestaan. Niettemin zult U de ervaring hebben opgedaan, dat die mensen, die niet langzamerhand en geleidelijk de weg tot haar hebben gevonden, die niet het geduld hebben opgebracht, al datgene te volgen, wat wij de laatste jaren konden zeggen, die niet stap voor stap hebben kunnen meekomen, dat die mensen (dus), die op het standpunt der antropologie zijn blijven staan, de theosofie als een luchtig bouwsel ervaren, als iets beschouwen, dat elk fundament ontbeert. Zij kunnen niet inzien, hoe de ziel van de ene trap naar de andere opklimt, van incarnatie naar incarnatie, en zij kunnen niet overzien, wat de bedoeling van de ontwikkelingsgang van mens en wereld is.
Zo staat de antropologie als het ware op de onderste traptrede, en de theosofie op de bovenste, daar, waar voor velen het vermogen om kennis te verwerven het laat afweten.
Wij beschikken over een historisch voorbeeld, waaraan we kunnen zien, wat er van theosofie terechtkomt, als zij wil doordringen tot de top en niet in staat is, met die middelen door te dringen, die wij aantreffen in het boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?". Een dergelijk voorbeeld vinden wij in de Duitse theosoof Solger, die van 1780 tot 1819 leefde. Wij treffen in zijn opvattingen volstrekt dat aan, wat wij onder het begrip theosofie verstaan. Maar met welke middelen probeerde Solger de hoogste pieken te bereiken? Met de begrippen van de filosofie, met de leeg gezogen en van hun oorspronkelijke kracht beroofde begrippen van het menselijke denken! Dat is werkelijk hetzelfde, als wanneer iemand een bergtop beklimt, om rond te kijken, en zijn verrekijker vergeet, zodat hij beneden niets meer uit elkaar kan houden. De verrekijker is in dit geval een geestelijke verrekijker, hij is de imaginatie, inspiratie en intuïtie. Al dus trachtte Solger met ontoereikende middelen de bergtop te beklimmen.
Men heeft lang gevoeld, dat de menselijke vermogens in de loop der eeuwen steeds minder erop berekend waren, deze bergtop te beklimmen. Gedurende de hele periode der middeleeuwen heeft men het gevoeld en openlijk toegegeven. De laatste tijd voelt men het weliswaar ook, maar wil het niet meer zo van harte toegeven. Lange tijd heeft men gevoeld, dat de vermogens van de mens ooit konden opklimmen naar de top, van waaruit zo kon worden gesproken, zoals inderdaad een oude theosofie heeft gesproken. Een dergelijke oude theosofie bestond er. Toen echter moest eens, wat zich daar op de top openbaarde, ontoegankelijk gemaakt worden. Het moest ervoor gevrijwaard worden, dat men het met de gewone middelen om kennis te verwerven in ontvangst kon nemen. Deze oude theosofie veranderde in de theologie, die de openbaring als voltooid beschouwde. En zo staat naast de antropologie, die met gewone kenmiddelen alleen maar van het ene afzonderlijke ding naar het andere gaat, de theologie, die weliswaar wil opklimmen, om iets van datgene te weten, wat op de hogere gebieden geschouwd kan worden, maar op haar beurt afgaat op iets, dat met gewone menselijke middelen te verwerven is, namelijk op de historische traditie, op datgene wat vroeger geopenbaard is en wat niet steeds en steeds weer opnieuw aan de omhoogstrevende mensenziel geopenbaard moet worden. Antropologie en theologie stonden in de middeleeuwen van begin tot eind tegenover elkaar, zonder dat de een de ander afkeurde. Ook in de recentere tijd staan zij tegenover elkaar, alleen in een ander vorm.
De nieuwere tijd wijst vanuit het standpunt der antropologie de theologie als iets wetenschappelijks als regel botweg af. Als U niet blijft staan bij de los van elkaar staande dingen, maar omhoog gaat, opklimt tot het voor U zo-even gekarakteriseerde middengebied, dan kunt U de antroposofie naast de theosofie plaatsen, ongeveer zoals in de middeleeuwen de antropologie naast de theologie.
Binnen het moderne geestelijk leven werd al geprobeerd ook voor de antroposofie de grondslag te leggen, maar alweer met volledig ontoereikende middelen, namelijk slechts met de middelen der abstracte, dorre begrippen van de filosofie. Als men wil begrijpen, waarom het daarbij gaat, dan moet men eerst begrijpen, wat filosofie eigenlijk is. Wat filosofie in waarheid is, kunnen in de grond der zaak alleen de theosofen begrijpen, maar de filosofen zelf kunnen het niet begrijpen. Wat is filosofie? Men kan haar slechts begrijpen, indien men haar om te beginnen in haar ontwikkelingsgang historisch beschouwt. Ik zal dit met een voorbeeld verduidelijken. In oude tijden bestonden de zogeheten mysteriën als kweekplaatsen van het hogere geestelijke leven. Daar konden leerlingen door ontwikkeling van hun vermogens tot geestelijk schouwen gebracht worden. Een dergelijk mysterie bevond zich bijvoorbeeld in Efese, waar de geheimenissen van Diana van Efese ontraadseld werden. Daar onthulden de geestelijke werelden zich voor het geestesoog der leerlingen. Zoveel als nu van het daar verworvene publiekelijk kon worden meegedeeld, werd feitelijk ook meegedeeld. Dan namen de anderen het als iets, dat in de mysteriën was geschouwd, in ontvangst, als iets waarvan zij deelgenoot werden gemaakt, als geschenk. Er waren daar mensen, die zich ervan bewust waren, dat hun de hogere geheimen van de mysteriën waren meegedeeld. Een dergelijk man was bijvoorbeeld de grote wijze Herakleitos. Aan hem waren vooral de geheimen van het mysterie van Efese onthuld, de feiten, die daar de helderziende mensen konden naspeuren. Dat, wat hij daar als mededeling had verkregen en wat hij aan zijn gedeeltelijke inwijding te danken had, heeft hij dusdanig verkondigd, dat het door iedereen begrepen kon worden. Daar om ziet hij, die de leringen van Herakleitos, de zogenaamde "ondoorgrondelijke" leest, dat daaraan iets diepzinnigers ten grondslag ligt, zodat men in deze oorspronkelijke leringen de directe beleving, de ervaring der hogere werelden nog kan zien doorschemeren. Daarna kwamen de opvolgers van Herakleitos. Zij hadden er geen vermoeden meer van, dat deze mededelingen afkomstig waren uit de directe beleving der hogere werelden. Zij begonnen met verstand te speculeren, zij meenden, met alleen maar hun filosofische verstand hier en daar een onjuistheid te vinden, en zaten eraan te dokteren. Dat werd zo in begrippen verder uitgewerkt en ging van het ene geslacht op het andere over. En als wij tegenwoordig iets van filosofie voor ons hebben, dan hebben we niets anders voor onze neus dan een erfstuk van oude leringen, waar het leven uitgeblazen, uitgeperst is en waarvan slechts het dode begrippengeraamte is overgebleven. De filosofen zijn zich er niet van bewust, war de begrippen vandaan komen. Filosofieën zijn abstracties, erfstukken van de oude wijsheid, die het punt van het leeg geperste begrip bereikt hebben. Er bestaat geen filosoof, die uit zichzelf iets, wat het ook zij, bedenken kan. Daarvoor is nodig de gang naar de hogere werelden.
Zulke filosofieën, zulke uitgeperste begrippen stonden in de grond der zaak juist de filosofen van de 19de eeuw ter beschikking, wanneer zij een begin maakten met wat men antroposofie kan noemen. Het woord is al eens gebruikt. Robert Zimmerman heeft een antroposofie geschreven, maar begon eraan met hoogst ontoereikende middelen, zoals Solger de theosofie. Hij heeft haar ontwikkeld met de meest leeggezogen, abstractste begrippen, en dit spinsel was dan zijn antroposofie. Men heeft daar werkelijk voor zich het abstractste, droogste, de zaak zelve helemaal niet meer rakende begrippenspinsel. Dat is in het algemeen het karakteristieke, dat, hetgeen in de 19e eeuw boven de uiterlijke, losstaande beleving, boven de antropologie wilde uitgaan en antroposofie wilde zijn, een droog spinsel van begrippen is geworden.
Theosofie moet weer daardoor, dat zij de middelen aandraagt om de werkelijkheid binnen het geestelijk leven te begrijpen, ook de kennis van het menszijn verdiepen, die men antroposofie kan noemen. De antroposofie is een geestelijk begrijpen van de wereld, dat zich puur op het menselijke standpunt in het midden stelt, en niet op het ondermenselijke, zoals bijvoorbeeld de antropologie. De theosofie van Solger staat op een bovenmenselijk standpunt, heeft echter geen inhoud. De begrippen willen daarboven alleen maar over het menszijn heen vliegen. Omdat zulke lieden vanuit hun wereld boven niets kunnen zien, spinnen zij fijn aan de weefstoel der begrippen. Zo aan de weefstoel der begrippen spinnen, willen wij niet. Wij willen ons op de werkelijkheid richten. En U zult zien, dat de werkelijkheid van het hele menselijke leven ons tegemoet treden zal. U zult de oude vrienden, de oude objecten van onze beschouwingen weer tegen het lijf lopen, maar vanuit een ander gezichtspunt belicht, dat gezichtspunt namelijk, dat tegelijk naar boven en naar beneden kijkt.
De mens is werkelijk het belangrijkste object van onze beschouwing. Meteen als, als we ons met het eerste bestanddeel van het menselijk wezen, het fysieke lichaam, bezighouden, als wij erover nadenken, wat wij door de theosofie te weten gekomen zijn en daarop nader ingaan, dan worden wij ons bewust, wat voor een gecompliceerd geheel dit fysieke lichaam eigenlijk is.
Opdat U zich om te beginnen tenminste een gevoelsmatig besef verschaft van wat antroposofie eigenlijk wil, moet u eens over het volgende nadenken: Wat wij tegenwoordig het fysieke mensenlichaam noemen, is om zo te zeggen een oud product. Wij weten, dat het in eerste aanleg op de Oude Saturnus is ontstaan en een andere gedaante heeft aangenomen op de Oude Zon, op de Oude Maan en op de aarde. Het etherlichaam is er op de Zon bijgekomen, het astraallichaam op de Maan. Voortdurend zijn deze delen van het menselijk wezen in de loop der ontwikkeling veranderd. Wat ons heden ten dage tegemoet treedt als gecompliceerd mensenlichaam met hart en nieren, ogen en oren enzovoort, dat is het product van een lange ontwikkeling. Alles is uit een vorm ontstaan, die op de Oude Saturnus in de kiem in hoogst eenvoudige gedaante voorhanden was. Dat is door de miljoenen jaren heen steeds weer veranderd en gemetamorfoseerd, zodat het tenslotte tot de tegenwoordige volmaaktheid en complexiteit kon opklimmen. Indien U tegenwoordig welk deel van het fysieke lichaam dan ook bekijkt, het hart of de long, dan kunt U niet begrijpen hoe deze delen ontstaan zijn en zich hebben gevormd, als U niet dat diepere inzicht heeft. Van de tegenwoordige vorm van het hart, van de long, was op de Oude Saturnus natuurlijk nog niets voorhanden. Zeer geleidelijk hebben deze organen hun huidige vorm aangenomen. Het ene is vroeger, het andere later gevormd en is aan het fysieke lichaam toegevoegd. Eén orgaan kunnen we welhaast aanspreken als een zonneorgaan, daar het zich tijdens de Oude Zonnetoestand voor het eerst heeft ingevoegd en getoond. Een ander kunnen we aanspreken als maanorgaan, en zo verder. Zo kunnen wij onze begrippen uit het heelal halen, uit de beschouwing van de hele kosmos, wanneer wij willen begrijpen, hoe deze ingewikkelde structuur, het fysieke mensenlichaam, eigenlijk is ontstaan en wat hij vandaag de dag betekent.
Dat is een theosofische beschouwing van de mens. Wat is daarentegen de antropologische beschouwing van de mens? Als men hem antropologisch beziet, dan neemt men het hart en bekijkt het op zichzelf, de maag en bekijkt hem op zichzelf. Men onderzoekt ze gelijkelijk naast elkaar, alsof het er niet toe doet, welk orgaan jonger en welk ouder is. Daarmee houdt men geen rekening, daar wordt het ene losstaande deel naast het andere gelegd. Theosofie begeeft zich op de hoogste hoogten en verklaart het afzonderlijke vanuit het geestelijke. Antropologie blijft helemaal beneden staan, gaat van het geïsoleerde bestanddeel uit en is tegenwoordig bij het verste extreem aangeland: zij bekijkt de afzonderlijke cellen in hun gelijktijdig voorkomen, alsof het onverschillig zou zijn, dat het ene cellencomplex in de Oude Maantijd, een ander op de Oude Zon is ontstaan. De afzonderlijke cellencomplexen zijn werkelijk in verschillende tijden ontstaan. Men kan uiterlijk de details opnoemen, maar men zal ze niet begrijpen, als men ze niet vanuit het geestelijk gezichtspunt beschouwt. Op deze wijze beweegt zich antropologie op het laagste niveau, en theosofie bezet de hoogste top.
Stelt U zich een voor, dat de zaak nog ingewikkelder wordt. Het menselijk hart wordt tot de organen gerekend, die tot de alleroudste behoren, tenminste in hun eerste aanleg als kiem. Zoals het er thans uitziet, heeft het zich natuurlijk pas later gevormd. En nu bezien wij de Oude Zonnetijd. Toen was bijvoorbeeld deze aanleg van het menselijk hart als kiem van de krachten afhankelijk, die op de Oude Zon heersten. Dan ging de ontwikkeling verder. In de eerste periode van de Maantijd, toen de Oude Maan met de zon verenigd was, maakte het hart weer een ontwikkeling door. Toen deed zich echter de grote gebeurtenis voor, dat de zon zich losmaakte. Zij oefende voortaan haar invloed van buitenaf uit, zodat sedertdien het hart een heel andere ontwikkeling doormaakte. Deze ontwikkeling verliep sedert die tijd zodanig, dat er een zonne- en een maanaandeel was, en men kan het hart alleen begrijpen, indien men het aandeel van de zon en dat van de maan kan onderscheiden. Daarna herenigde zich de zon met de maan. Tijdens de ontwikkeling van de aarde maakte eerst de zon zich weer ervan los en werkte van buitenaf scherper op de ontwikkeling in. Toen trad de afsplitsing van de maan op, en de maan deed zijn invloed van buitenaf gelden, zodat wij een nieuwe fase in de ontwikkeling van dit oude orgaan krijgen.
Zo zien wij in het menselijk fysiek lichaam de meest uiteenlopende krachten vanuit de meest uiteenlopende standpunten naar binnen stralen. Omdat het hart tot de oudste organen behoort, hebben wij daarbij werkelijk een aandeel van de zon, een aandeel van de maan, een tweede zonneaandeel en een tweede maanaandeel en dan nog speciaal een aandeel van de aarde na de afsplitsing van de aarde. Wanneer al deze aandelen aan een orgaan of aan het menselijk fysiek lichaam zo bij elkaar passen, dan bestaat er bij de mens gezondheid. Zodra een der aandelen de overhand krijgt, laten wij bijvoorbeeld zeggen, dat het zonneaandeel te groot wordt tegenover het maanaandeel met betrekking tot het hart, dan wordt het hart ziek. En U begrijpt deze ziekte, als U eerst weet, hoe door welke omstandigheden dan ook het maanaandeel om zo te zeggen achterop geraakt is. Alle ziekte der mensen berust daarop, dat deze verschillende aandelen wanordelijk worden, hun regelmaat kwijt zijn. Alle genezing zou daarin bestaan, dat de harmonie zou worden hersteld. Maar alleen maar erover spreken is niet voldoende, men moet deze harmonie echt kennen, men moet werkelijk de wereld der wijsheid binnen gaan, om aan ieder orgaan de verschillende aandelen te kunnen vinden.
Zo is het fysieke lichaam een geweldig ingewikkeld geheel. Dat kunt U al bevroeden op grond van wat wij tot dusver hebben bekeken. U kunt vermoeden, wat een werkelijk occulte fysiologie en anatomie is, die met al deze factoren moet omspringen en die de mens vanuit de gehele kosmos begrijpt. Zij spreekt over het zonne- en maanaandeel in hart, strottenhoofd, hersenen enzovoort. Daar echter al deze aandelen in de mens zelf werkzaam zijn, zoals hij tegenwoordig voor ons staat, is hij om zo te zeggen het hard geworden, gekristalliseerde product van alle processen, die sinds Saturnus hebben plaats gegrepen op Oude Zon, Oude Maan en aarde. Zo staat als mens iets voor ons, waarin al deze aandelen stevigheid hebben aangenomen.
Als men nu niet de wereld inkijkt, maar in de mens zelve, en de afzonderlijke organen begrijpt, het fysiek lichaam, etherlichaam, astrale lichaam, de gewaarwordingsziel, verstandsziel, bewustzijnsziel, zoals de mens heden ten dage is, dan is dat antroposofie. Wij zullen ook bij de antroposofie moeten uitgaan van het onderste, om geleidelijk aan tot het hoogste op te klimmen. Het onderste voor de mens is de fysiekzintuiglijke wereld, datgene, wat door de zintuigen en het fysiekzintuiglijke verstand is gegeven. Deze wereld beschouwen wij in de theosofie, van de kosmos als geheel uitgaand, in de kosmische samenhangen met de fysiekzintuiglijke, de uiterlijke verschijnselen. Dat is de theosofische benaderingswijze. Antroposofische benadering moet met betrekking tot de fysiekzintuiglijke wereld, van de mens uitgaan, moet datgene bekijken aan de mens, wat aan hem fysiek zintuiglijk is. Hij moet van de mens uitgaan en hem observeren, voor zover hij een met zintuigen begiftigd wezen is. Dit zal het eerste zijn. Dan zullen wij het menselijk etherlichaam moeten bekijken, dan het astraallichaam en het Ik, datgene, wat aan hemzelf te vinden is.
Wat moet ons wel in het bijzonder interesseren, als de fysiekzintuiglijke wereld in aanmerking komt? Wat zich aan de mens zelf bevindt. Dat zijn om te beginnen de zintuigen, want zij zijn het eigenlijk, waardoor hij kennis verkrijgt van de fysiekzintuiglijke wereld. Men moet in de antroposofie om te beginnen over de menselijke zintuigen spreken, als men op het fysieke plan begint, want zij zijn het waardoor de mens überhaupt iets van de fysiekzintuiglijke wereld weet. En wij zullen zien, hoe belangrijk het is, van de observatie van zijn zintuigen uit te gaan, om werkelijk de mens te begrijpen. Laat dat dus ons eerste hoofdstuk zijn. Dan zullen wij opklimmen tot de beschouwing van de afzonderlijke geestelijke gebieden in de natuur van de mens.
Wanneer men nu de menselijke zintuigen beschouwt, dan betreedt men als antroposoof reeds het domein van de antropologie, want antroposofie moet altijd van de zintuiglijke realiteit uitgaan, maar het moet haar duidelijk zijn, dat de geest van bovenaf erin doorwerkt. De antropologie gaat alleen op datgene in, wat zij beneden kan onderzoeken en gooit alles door elkaar. Juist in het hoofdstuk over de menselijke zintuigen is alles door elkaar gegooid in de op uiterlijkheden berustende antropologie en belangrijke zaken zijn juist buiten beschouwing gelaten, omdat de mensen geen richtsnoer hebben om de bijbehorende feiten werkelijk en op de juiste wijze te vinden. Als de draad ontbreekt, die door het labyrint der feiten de weg moet wijzen, dan is het niet mogelijk om aan dit labyrint te ontsnappen. Het kluwen, dat in de sage Theseus de weg uit het labyrint van de Minotaurus wijst, moet het geestelijk onderzoek spinnen. De gewone antropologie blijft binnen het labyrint en wordt het slachtoffer van de Minotaurus. Zo zullen wij zien, dat antroposofie natuurlijk over de zintuigen iets anders te zeggen heeft dan de gewone uitwendige beschouwing. Maar het is ook interessant om te zien, hoe de huidige wetenschap reeds door de uiterlijke feiten wordt gedwongen, de dingen een beetje grondiger en ernstiger te bekijken, dan dit vroeger is gebeurd. Het triviaalste is immers altijd, dat men het heeft over de vijf zintuigen van de mens: tastzin, reukzin, smaakzin, gehoor- en gezichtszin. Wij zullen zien, dat bij deze hele opsomming der vijf zintuigen werkelijk al alles door elkaar gegooid is. Aan deze zintuigen heeft de huidige wetenschap echter al drie andere zintuigen toegevoegd, waarmee hij inderdaad niets behoorlijks weet te beginnen. Vandaag zullen wij de allereerste fundamenten leggen voor een antroposofische zintuigleer. Wij zullen de zintuigen opsommen, voor zover zij aan de hand van de boven besproken leidraad werkelijk zin hebben.
Het eerste zintuig van de mens, dat in aanmerking komt, is dat, wat men in de geesteswetenschap de levenszin kan noemen. Dat is een echt zintuig en evenzo als men van de gezichtszin spreekt, moet men van de levenszin spreken. Wat is de levenszin? Het is iets in de mens, dat hij eigenlijk niet voelt, als alles met hem in orde is. De mens voelt lusteloosheid, die hij waarneemt als een innerlijke beleving, zoals hij kleur waarneemt. En wat in het honger- en dorstgevoel tot uitdrukking komt, of wat men een bijzonder gevoel van kracht kan noemen, dat moet U ook innerlijk waarnemen als een of ander niet in orde is. De eerste menselijke zelfwaarneming wordt door de levenszin gegeven, waardoor de mens als geheel zich wat zijn lichamelijkheid aangaat van zichzelf bewust wordt. Dit is het eerste echte zintuig en hiermee moet evenzeer rekening gehouden worden als met het gezichtsvermogen, het gehoor of de reukzin. Niemand kan de zintuigen begrijpen, die niet weet, dat er een mogelijkheid bestaat zich innerlijk als een geheel te gevoelen, zich van zichzelf als van een innerlijk afgesloten lichamelijke totaliteit bewust te worden.
Het tweede, dat als zintuig weer geheel verschillend van deze levenszin, is wat U kunt vinden, wanneer U één van uw ledematen beweegt, uw arm of uw been. U zou geen menselijk wezen zijn, als u niet uw eigen bewegingen zou kunnen waarnemen. Een machine neemt zijn eigen beweging niet waar, dat kan alleen een levend wezen, dankzij een echt zintuig, Het zintuig voor wat wij in ons zelf bewegen, van een knipoogje tot aan het bewegen der benen, is een echt tweede zintuig, de bewegingszin.
Een derde zintuig zal ons bewust worden, wanneer zij eraan denken, dat de mens onderscheid maakt tussen onder en boven. Als hij zoiets niet meer waarnemen kan, dan is dat voor hem zeer gevaarlijk, hij kan dan niet meer overeind blijven en valt om. Wij kunnen op een orgaan wijzen, dat veel met dit zintuig te doen heeft, namelijk op de drie halfcirkelvormige kanalen in het oor. Bij beschadiging van dit orgaan verliest de mens zijn oriëntatievermogen. Ook in het dierenrijk treft men dit zintuig aan. Daar is het te zien in de vorm van bepaalde evenwichtsorganen. Als daarin een bepaald soort kleine steentjes, de zogenaamde otolithen, op een bepaalde manier op een zekere plaats liggen, dan krijgen wij de evenwichtstoestand, in het andere geval slechts getuimel. Dat is de evenwichtszin of de statische zin.
Met deze zintuigen, die wij tot dusver hebben opgesomd, neemt de mens iets in zichzelf waar, voelt hij iets in zichzelf. Nu treden wij buiten de mens, waar hij begint in wisselwerking met de buitenwereld te treden. De eerste correlatie met de wereld is die, waar de mens de stof met zich verenigt en deze stof waarneemt. Dit kan men alleen dan, wanneer deze stof werkelijk met het menselijk lichaam te verenigen is. Dit is alleen van toepassing op gasvormige stoffen. Die worden door middel van de organen van de reukzin opgenomen. Dan begint voor het eerst het verkeren met de buitenwereld. Zonder dat een lichaam gasvormige stoffen uitzendt, kan het niet geroken worden. De roos moet gasvormige stoffen uitzenden om geroken te kunnen worden. Het vierde zintuig is derhalve de reukzin.
Het vijfde zintuig ontstaat pas, als de mens de stoffelijkheid niet meer alleen waarneemt, maar reeds de eerste stap de stoffelijkheid in doet, d.w.z. een diepere relatie met de stof aangaat. Dan moet de stof wel enigerlei invloed in hem uitoefenen. Dat is dan het geval, zodra een waterig lichaam onze smaakorganen aanraakt. Dan neemt men niet meteen de stoffelijkheid waar, want het ding moet eerst door middel van de vloeistof in de mond opgelost worden. Hier kan slechts een wederzijdse betrekking tussen tong en voorwerp waargenomen worden. De dingen zeggen ons niet alleen wat zij zijn, maar ook, wat zij kunnen teweegbrengen. De wederzijdse betrekking tussen mens en natuur is een intiemere geworden. Dat is de vijfde zin, de smaakzin.
Het zesde zintuig is dat, waar de waarnemingen van de mens aan de dingen nog intiemer het wezen der dingen verraden. De dingen vertellen de mens hier meer, dan zij hen uitsluitend via de smaakzin zeggen. Dat gebeurt nu zo, dat er bijzondere voorzieningen zijn getroffen, opdat de dingen zich aan de mens op een heel bepaalde manier kunnen aankondigen. Bij de reuk neemt het menselijk lichaam de dingen zo als zij zijn. Het smaakzintuig is al ingewikkelder, voor hem geven de dingen hier al iets meer van hun innerlijkheid prijs. Bij het zesde zintuig echter kunnen we onderscheiden of iets licht doorlaat of niet. Dat het op een bepaalde manier licht doorlaat, manifesteert zich daarin, of en hoe het gekleurd is. Een ding, dat het groene licht door zich heen laat gaan, laat daarmee zien, dat het nu eenmaal juist innerlijk zo is, dat het dit licht kan doorlaten. Terwijl het buitenste oppervlak zich in de reukzin openbaart, wordt ons al iets van de innerlijke natuur van een ding d.m.v. de smaakzin bekend; in het gezichtszintuig daarentegen wordt iets openbaar van hetgeen de dingen door en door zijn, Dit is het wezen van het zesde zintuig, de gezichtszin. Het oog is daarom zo'n fantastisch orgaan, omdat het u in de gelegenheid stelt, veel dieper in de natuur der dingen binnen te dringen dan de zojuist besproken zintuigen. Met de gezichtszin is iets zeer merkwaardigs aan de hand. Als wij bijvoorbeeld met het oog de roos rood zien, dan openbaart zich haar innerlijk door het oppervlak. Wij zien alleen het oppervlak en omdat deze door het innerlijk bepaald wordt, leren wij daardoor dit innerlijk tot een zekere graad kennen.
Pakken wij een stuk ijs of een stuk heet staal met de hand beet, dan dringen we nog dieper in het binnenste van een zaak binnen. Bij de kleur hebben we alleen hetgeen zich aan de oppervlakte afspeelt, ijs daarentegen is door en door koud en ook bij het staal doordringt de warmte het hele voorwerp. Bij warmte en koude maken wij dus nog intiemer kennis met de aard der dingen dan bij het gezichtszintuig, dat ons alleen van de hoedanigheid van het oppervlak op de hoogte stelt. De warmtezin dringt tot intiemere eigenschappen der dingen door. Dat is dan de warmtezin of het zevende zintuig.
Thans gaan wij na, hoe de zaak zich verder laat aanzien. Kan de mens in het binnenste der dingen doordringen met behulp van zijn zintuigen? Kan hij het intieme innerlijk der dingen nog nauwkeuriger leren kennen dan door middel van het warmtezintuig? Ja, dat kan hij, doordat de dingen hem laten zien, hoe zij in hun binnenste zijn, wanneer ze beginnen te klinken. De warmte is in de dingen heel gelijkmatig verdeeld. De klank laat het innerlijk der dingen vibreren. Daardoor vertoont zich een zekere innerlijke kwaliteit. Hoe het ding in zijn binnenste beweeglijk is, neemt u waar via het intiemere gehoor. Het verschaft ons een intiemere kennis van de buitenwereld dan de warmtezin. Dat is het achtste zintuig, de gehoorzin. In de toon openbaart een ding aan ons, hoe het van binnen is, indien wij dit ding een tik geven. Wij onderscheiden de dingen naar hun innerlijke natuur, volgens de manier waarop wij ze laten weerklinken. Dan spreekt in zekere zin de ziel der dingen tot ons.
Zijn er nog hogere zintuigen dan de gehoorzin? Hier moeten we nog veel behoedzamer te werk gaan, om de hogere zintuigen te onderzoeken. Want wij mogen de zintuigen niet met iets anders verwisselen. In het alledaagse leven, daar waar men beneden blijft staan, waar men alles dooreen gooit, spreekt men nog van andere zintuigen, bijvoorbeeld van de imitatiezin, van de geheimhoudingszin enzovoort. Daar is het woord zin echter onjuist gebruikt. Zin (zintuig) is datgene, doormiddel waarvan wij ons kennis verschaffen zonder gebruikmaking van het verstand. Waar wij ons d.m.v. het oordeel een inzicht verschaffen, daar spreken we niet van zintuig, maar alleen daar waar ons oordeelsvermogen of niet in werking gesteld is. Neemt u een kleur waar, dan gebruikt u een zintuig. Wilt u oordelen tussen twee kleuren, dan benut u geen zintuig.
Bestaan er in deze zin -hier is het woord "zin" al niet goed gebruikt- nog andere zintuigen? Ja, er is nog een negende zin. Wij vinden hem, indien wij ons realiseren, dat er inderdaad in de mens nog een zeker waarnemingsvermogen bestaat. Dat is in buitengewone mate belangrijk voor de fundering van de antroposofie. Er is een waarnemingsvermogen, dat niet op het oordeel berust, maar toch aanwezig is. Het is hetgeen wij waarnemen, als wij d.m.v. de taal met onze medemensen spreken. In het waarnemen van hetgeen ons door de taal gegeven is, ligt niet allen een expressie van het oordelen, maar er ligt daaraan een werkelijke taalzin ten grondslag. Deze taalzin is het negende zintuig. Hierover moet men spreken, zoals men over een gezichtsvermogen of een reukzin spreekt. Het kind leert spreken, voordat het leert oordelen. Het hele volk heeft een taal; het oordelen berust bij de afzonderlijke mens. Wat het zintuig aanspreekt, is niet aan de zielenactiviteit van de afzonderlijke mens onderhevig. Het luisteren kondigt voor iemand het innerlijk vibreren aan. De waarneming, dat een klank het een of ander betekent, is niet luisteren zonder meer. De betekenis, die zich daarin als betekenis van de taal kenbaar maakt, onthult zich immers aan een ander zintuig, de taalzin. Vandaar, dat het kind lang voordat het leert oordelen, kan spreken of verstaan wat er gesproken wordt. Pas met behulp van de taal leert het te oordelen. Wat een opvoeder is de taalzin, net zoals de gezichtszin en de gehoorzin zulke opvoeders zijn, tijdens de eerste levensjaren! Men kan aan hetgeen het zintuig waarneemt niets veranderen; men kan er niets aan bederven. Dat is evenzeer bij de kleur als bij het waarnemen van het innerlijk van de klank van de taal. De taalzin moet noodzakelijk een bijzonder zintuig genoemd worden. Dit is het negende zintuig.
Nu komen wij aan het tiende zintuig toe. Dat is datgene, wat voor het gewone mensenleven het hoogste is. De mens wordt erdoor in staat gesteld om het begrip te verstaan, dat zich met taalklanken bekleedt. Dat is net zo'n zintuig als ieder ander. Om te kunnen oordelen. moeten we begrippen hebben. De ziel moet begrippen kunnen waarnemen, als het de bedoeling is dat zij in actie komt. Dit vermag zij via de begripszin. Aldus hebben wij daarmee een tiende zintuig genoemd.
Maar een zintuig is helemaal vergeten, zou u kunnen zeggen: de tastzin. Inderdaad! De tastzin wordt gewoonlijk vereenzelvigd met de warmtezin. Dat zo gesproken kan worden, komt van het stichten van verwarring door hen, die niet over de geestelijke draad beschikken. Om te beginnen heeft de tastzin natuurlijk alleen als warmtezin betekenis. Ruwweg de gehele huid is als een zodanig zintuig te betitelen. Die is er op zekere wijze ook voor de tastzin. Maar welbeschouwd is niet enkel dat een tasten, wat wij doen zodra wij een voorwerp aanraken, het oppervlak ervan bevoelen; wij tasten ook, als wij met de ogen iets zoeken. Ook de reukzin en de smaakzin kunnen tasten. Indien wij snuffelen, dan tasten wij met de reukzin. Tot aan de warmtezin toe is het tasten een gemeenschappelijke eigenschap van de zintuigen vier tot en met zeven. Over deze zintuigen kunnen wij derhalve spreken als over tastzintuigen. Alleen onze grofstoffelijke beschouwingswijze van de fysiologie kan aan één zintuig iets toeschrijven, wat aan een hele reeks zintuigen toekomt; de reukzin, smaakzin, gezichtszin en warmtezin. Bij de gehoorzin houdt de mogelijkheid op, hem als tastzin te kenschetsen; nog minder is dat bij de taalzin en weer minder bij de begripszin mogelijk. Deze zintuigen worden daarom zintuigen van het begrijpen genoemd. Terwijl we bij de tastzin met iets te maken hebben, dat aan de oppervlakte blijft, dat niet in de dingen kan doordringen, dringen we bij de warmtezin om te beginnen in de dingen binnen, en daarna steeds dieper. De hogere zintuigen leveren ons het verstaan en begrijpen der dingen in hun binnenste, en zij worden daarom zintuigen van het begrijpen genoemd.
Ligt er iets daaronder en daarboven? Hetgeen is opgesomd, is slechts een fragment. Daaronder en daarboven liggen andere zintuigen. Van het begripszintuig zouden wij kunnen opklimmen naar het eerste astrale zintuig en zouden dan bij de zintuigen komen, die in de geestelijke gebieden binnendringen. Wij zouden een elfde, twaalfde en dertiende zintuig vinden. Wij willen vooreerst volstaan met deze drie onbekende zintuigen alleen te vermelden. Wij zullen er nauwkeuriger op ingaan, wanneer wij morgen of overmorgen van het fysieke naar het geestelijke opklimmen. Zij zullen ons dieper binnen geleiden in de grondslagen van het geestelijk leven, waarin het begrip niet doordringt. Het begrip komt op een bepaalde plaats niet verder. Aan gene zijde van het begrip ligt datgene, wat pas door de hogere zintuigen kan worden waargenomen. De reuk staakt voor het eigen innerlijk. Zoals u onder de reuk nog drie zintuigen hebt, evenzo hebt u boven het begrip nog drie hogere zintuigen, waardoor wij in het uiterlijke van de geestelijke dingen binnendringen, zoals met die naar onderen gelegen zintuigen in het uiterlijke der fysieke dingen.
Maar vandaag zullen wij op het fysieke plan blijven. Daarom hebben wij dat opgesomd, wat tot het waarnemen van het fysieke behoort. Het was niet onnodig, ons zo met een fundering der dingen te bemoeien. Daar deze vergeten is, is alles in de wetenschappen op de meest ontzettende wijze door elkaar gegooid, tot in de filosofie en kentheorie toe. In het algemeen zegt men: Wat kan de mens d.m.v. de afzonderlijke zintuigen te weten komen? - Men kan niet het verschil aangeven, dat tussen gehoor en gezichtsvermogen bestaat. Men spreekt net zo van geluidsgolven als van lichtgolven, zonder er rekening mee te houden, dat de gezichtszin minder diep in het wezen der dingen doordringt dan de gehoorzin, die iets van de zielennatuur van de uiterlijke wereld openbaart. Door middel van de drie nog hogere zintuigen, de elfde, twaalfde en dertiende zin, zullen we tevens in de geest der dingen binnendringen. Natuur en wezen van ieder zintuig zijn anders. Daarmee moeten we allereerst rekening houden. Daarom kunt u een groot aantal betogen, die tegenwoordig vooral de natuurkunde brengt over de aard van het gezichtszintuig en zijn relatie met de omgeving, bij voorbaat als iets beschouwen dat in het algemeen nimmer op de aard der zintuigen bedacht geweest is. Talloze vergissingen zijn door deze miskenning van het wezen der zintuigen ontstaan. Dit dient beklemtoond te worden, omdat de populaire voorstellingen helemaal niet aan het hier gezegde beantwoorden. Ja, de populaire boeken kunnen juist het tegendeel ervan zeggen. U leest daar dingen, die door mensen zijn beschreven, die geen flauw vermoeden van de innerlijke natuur van het wezen van de zintuigen kunnen hebben. Wij moeten goed beseffen, dat de wetenschap vanuit haar standpunt anders moet spreken, dat zij aan de dwaling ten prooi moet vallen, omdat de ontwikkeling dusdanig was, dat het juiste dikwijls vergeten is. Dit is het eerste hoofdstuk der antroposofie: de werkelijke natuur en het ware wezen van onze zintuigen.