woensdag 27 mei 2009

Uit de aantekingen van Audrey McAllen - II

Uitgebreidere aantekeningen met gedachten omtrent de mens (vervolg):

In de laatste bijdrage op dit weblog publiceerden we al een gedeelte uit de persoonlijke aantekeningen van Audrey McAllen. Korte gedachten, bijna meditatief, waaraan men kan aflezen op welke manier Audrey kijkt naar haar eigenwerk en het werk van de vrijeschoolleraar (steinerleraar). Het is geen lectuur voor beginners, eerder notities, gemaakt na langdurige studie van de antroposofie en veel ervaring als pedagoge. Daarom deze keer een korte inleiding voordat we de rest van deze aantekeningen wereldkundig maken. Vooral ook om verkeerde interpretatie en eventuele ophef te voorkomen.

In zijn voordrachten ’Antroposofie’ van oktober 1909 beschreef Rudolf Steiner dat in de lichaamszintuigen (levenszin, eigenbewegingszin en evenwichtszin) de hogere wezensdelen van de mens werkzaam zijn: Geestzelf - Manas, Levensgeest – Buddhi en Geestmens – Atma. Ze worden ook wel het Hogere Ik van de mens genoemd. Deze drie geestelijke wezensdelen heeft de mens nog niet geïndividualiseerd. Het Hogere Ik leeft voorlopig nog buiten de mens onder hoede van de hiërarchieën. Vandaar dat gedurende de eerste drie levensjaren van het kleine kind de ontwikkeling van staan, lopen, spreken en denken, die voor een groot gedeelte afhankelijk is van de lichaamszintuigen, geen proces is afhankelijk van persoonlijke wil, maar een ontwikkeling alsof van buiten gestuurd. Dezelfde krachten die voor dit leer- en ontwikkelingsproces gebruikt worden, zouden later kunnen worden aangewend voor innerlijke scholing.

Sergej O. Prokofieff schrijft in zijn boek ‘De verbondenheid met Rudolf Steiner’:
‘In het centrum van de antroposofie staat het ik of het ‘Ik-Ben’. Op de vraag die iemand in Londen aan Rudolf Steiner stelde, hoe de antroposofie voor de Oxford Dictionary heel kort gedefinieerd kan worden, schreef hij op een vel papier: ‘Antroposofie is een wetenschap die door het Hogere Zelf in de mens teweeg wordt gebracht.’ Maar het Hogere Zelf of het Hogere Ik van de mens is niet in hem. Het blijft ook na de geboorte achter in de geestelijke wereld en bevindt zich buiten de mens. Wat wij in het aardse leven normaliter ons ik noemen, is alleen een afspiegeling van dit Hogere Zelf in onze lichamelijke omhulling. (…….)
Daaruit blijkt dat als iemand het Hogere Ik alleen in zichzelf zoekt en liefheeft, hij daarmee ten prooi valt aan de grootst mogelijke illusie, de meest grove egoïst wordt en in het ergste geval de weg van de zwarte magie kan opgaan. Zoekt hij het echter
buiten zichzelf in volle overgave en liefde, dan leert hij langzamerhand alles liefhebben wat om hem heen is, alles wat hij in het aardse leven ontmoet.
Het Hogere Ik is een zuiver geestelijk wezen. En daarom is de ware liefde tot dit wezen de onzelfzuchtige liefde tot het geestelijke overal in de wereld en vooral tot de openbaring in andere mensen.’


Met dit citaat in gedachten kunnen we de 'Uitgebreidere aantekeningen met gedachten omtrent de mens' van Audrey McAllen nog eens nalezen. Een uitwerking van de gedachten dat de mens zich moet richten op het Hogere Ik, Wereldgeest of het wereldmodel en de consequentie ervan wanneer mens dat niet doet en slechts zijn persoonlijke drijfveren volgt, beschrijft Audrey aan de hand van een voorbeeld. Haar benadering is zo objectief mogelijk, zodat men daaraan geen aanstoot hoeft te nemen.

---------

(vervolg Aantekeningen..)

8 Nu wordt de menselijke ziel zich bewust van zijn eigen Ik, wanneer zij door eigen inspanningen de wereld gaat spiegelen. Het ware wereldmodel is ook in het mensenwezen aanwezig; wanneer de mens het wereldmodel volgt dat in het mensenwezen ligt, leert hij zichzelf kennen. Wanneer de mens zijn eigen weg gaat, volgt hij de krachten van de inmenging, wordt hij hun prooi en verliest hij zijn wilskrachten aan hun begeerten in ruil voor illusionaire Ik-ervaringen.

9 Bijvoorbeeld: Wanneer ik vasthoudt aan mijn linkshandigheid, dan negeer ik het wereldmodel, dat in het mensenwezen is gelegd. Ik weiger de wereld waarin de Wereld Geest -het Wereld-Ik- nu leeft te spiegelen.

10 Het Wereld-Ik verschijnt aan mij via het oog, als koning van de zintuigen. (vandaar de pedagogische oefening van R.St. waarbij je langs de arm moet kijken). Ik moet daarom dus mijn lichaam gebruiken volgens Zijn wetten, d.i. hoe het oog objecten in de omgeving reflecteert. Het oog is voor het mensenwezen de poort naar de wereld, welke het volledige menselijke bewustzijn brengt. Wanneer ik de wereld niet spiegel, ontwikkel ik slechts het Oudemaan-bewustzijn van voordat de Oude Maan werd doordrongen door de Kyrios om tot Kosmos van Wijsheid te worden.

11 Vaardigheden van het Oudemaan-bewustzijn doordrongen door de Kyrios zijn weer geïncarneerd als aardewereld. Deze zijn zuiver. In het mensenwezen zijn zij bezoedeld. Bewust de wereld spiegelen (waarvoor wilskrachten nodig zijn) reinigt de onzuiverheden in het mensenwezen en de menselijke ziel wordt MENS.

12 De MENS is een wezen dat zijn zelfbewustzijn in de geestelijke wereld kan behouden en in de geestelijke krachten van de fysieke wereld. In de MENS wordt de menselijke ziel zich bewust van zichzelf als geestelijk wezen.

We zien hoe via het oog de Geestelijke Wereld in de stroom van het Aardewezen werking uitoefent op het organisme van het opgroeiende kind. Zoals de roos zich verhoudt tot de andere bloemen, zo staat het oog ten opzichte van de andere zintuigen. De scheppende wezens van het oog hebben de mens opgericht en onze handen vrijgemaakt voor het werk op de aarde. Fysiologisch houdt het oog de krachten van antipathie en sympathie in een perfecte balans. Het oog is als waarnemingsorgaan is het fysieke beeld van liefde.


Uit verschillende voordrachten van Rudolf Steiner:

Zien is onderbewust denken, het leeft in de gewaarwordingsziel; enkel de werking ervan verschijnt in de verstandsziel; het komt tot bewustzijn in de bewustzijnsziel.

Het oog als orgaan grijpt alles.

Rudolf Steiner: Voordracht: Antroposofie,
Berlijn - 25 oktober 1909 (GA115)
'Het is zeer merkwaardig, als men bijvoorbeeld in aanmerking neemt, dat eigenlijk reeds in de gewaarwordingsziel onderbewust een denken te voorschijn komt en waarvan wij ons pas in de bewustzijnsziel bewust worden. Wat zich inderdaad, indien wij de dingen met twee ogen aanschouwen, voordoet als twee indrukken, dat wordt door iets van gedachteachtige aard bewerkt, maar het komt voorlopig niet in het bewustzijn terecht. Wanneer dit tot het bewustzijn moet doordringen, dienen beide gedachtemomenten samen te werken. Zij moeten de weg gaan van de gewaarwordingsziel omhoog tot in de bewustzijnsziel. Deze weg kunnen we goed veraanschouwelijken d.m.v. een uiterlijk teken: Hier zijn de beide handen. Elke hand heeft zijn eigen gewaarwordingen, maar alleen, indien de beide handen elkaar kruisen, wordt iemand zich bewust van de gewaarwording, dat de ene hand de andere ervaart, zoals een voorwerp in de buitenwereld pas nadat iemand het aangeraakt heeft, in zijn werkelijke bewustzijn getild wordt. Als het de bedoeling is, dat de indrukken, die door gedachteactiviteit in de gewaarwordingsziel worden verkregen, bij de mens tot bewustzijn komen, dan moeten zij gekruist worden. Bij het zien is dat het resultaat van het feit dat de beide gezichtszenuwen elkaar in de hersenen kruisen. Deze kruising van de gezichtszenuwen vindt zijn oorzaak in het feit, dat een in het onderbewuste, in de gewaarwordingsziel verrichtte gedachteactiviteit door de kruising in de bewustzijnsziel omhoog gevoerd wordt, waardoor nu de ene activiteit door de andere kan worden beleefd.'

De kosmische vormen van de inwendige organen kunnen gedurende de waaktoestand van de mens niet werken aan zijn stofwisselingsorganen. Het hoofd is de zetel voor de meeste zintuigorganen en is in een continue uitwisseling met de uiterlijke aardewereld. In het oog hebben wij niet alleen een orgaan dat ons het gezichtsvermogen verschaft, maar we hebben ermee tegelijkertijd ook een beeld van de kosmos. In de tijd tussen dood en wedergeboorte leeft de mens als geestelijk zielenwezen. Dit leven in de kosmos is nagebootst door de organisatie van het oog. Zoals alle organen heeft ook het oog een tweeledige taak. Ten eerste bemiddelt het contact met de buitenwereld, tijdens de slaap, vooral met de zenuw en bloed systeem, werkt het terug op het fysieke organisme van het stofwisselingsstelsel, in het bijzonder de nieren.
(GA 208, voordracht van 11 & 12 nov. 1921)

Zie ook Rudolf Steiners voordracht ‘Licht en Duisternis’ (van 29 juli 1923) over hoe wij weten wat ‘waarheid’ is, dat we weten dat b.v. een boom werkelijk een boom is en geen octopus.
(Das Wesen der Farben - GA 291)

donderdag 21 mei 2009

Uit aantekeningen van Audrey McAllen

Meditatie bij de ‘Elkaar Doordringende Driehoeken’

Audrey McAllen: Ik zou dit willen geven als een soort meditatie bij de ‘Elkaar Doordringende Driehoeken’ (De Extra Les, blz. 174). Jullie weten uit mijn uiteenzettingen dat de zesster een beeld is van hoe dat de twee driegeledingen van de mens samenkomen en elkaar doordringen, zoals Rudolf Steiner beschreef tijdens de 1e voordracht van de ‘Algemene Menskunde’ . Een beeld daarvan zien we terug in deze vormtekenoefening. Wanneer we die met kinderen doen kunnen we de hieronder volgende gedachten in onszelf voelend beleven.


1 De bovenste driehoek daalt in de onderste:
Wanneer wij incarneren verduistert Lucifer het licht. Alles wat wij in ons astraallichaam meebrengen uit het verleden, wordt verduisterd door Lucifer. Maar er stijgt licht op vanuit de Aarde, want de aardeplaneet is het lichaam geworden van de Verrezene.

2 De onderste driehoek stijgt omhoog in de bovenste:
De wereld is koud zonder het hart van de mens. Warmte moet deze koude van de uiterlijke wereld doordringen. Deze warmte, die komt van de Aarde, moet deze koude doordringen.

3 De twee driehoeken doordringen elkaar: (de bovenste daalt 3 stappen, de onderste stijgt 2 stappen) De mens vindt de Wereld
en de Wereld ziet zichzelf in de mens.



Uitgebreidere aantekeningen met gedachten omtrent de mens:

1 De menselijke ziel
(bovenste driehoek: gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel, bewustzijnsziel)

Het mensenwezen dat werd voorbereid gedurende
Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan.
(onderste driehoek: fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam)



2 Wanneer de leden van het tweeledige mensenwezen elkaar doordringen, wordt de menselijke ziel zich bewust van zichzelf.


3 Om het zelfbewustzijn te behouden moet de menselijke ziel de menselijke organisatie doordringen, wat enkel kan wanneer deze de wereld spiegelt.


4 De wereld is zelf ook voorbereid gedurende Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan.


5 De wereld wordt gespiegeld in de mens via het OOG. De menselijke ziel wordt zich bewust van deze spiegeling door het denken.

6 Wanneer #3 lukt, dan verwerft de menselijke ziel een Ik. Dat betekent dat de ziel de mogelijkheid krijgt zichzelf te kennen als geestelijk wezen te midden van andere geestelijke wezens.
MAAR er is iets in de ontwikkeling binnengedrongen: niet alleen de ziel doordringt het mensenwezen, er zijn ook luciferische wezens die dat doen, zodat het mensenwezen vertroebeld is geraakt en niet langer de wereld spiegelt.

7 Om dit te verhelpen moet de Wereld Geest het mensenwezen reinigen; eerst van binnenuit (de drie jaren na de Doop in de Jordaan), daarna van buitenaf door de wereld te doordringen (Verrijzenis en Hemelvaart).

8 Nu wordt de menselijke ziel zich bewust van zijn eigen Ik, wanneer zij door eigen inspanningen de wereld gaat spiegelen. Het ware model van de wereld is ook in het mensenwezen; wanneer de mens het wereldmodel dat in het mensenwezen is gelegd, volgt leert de mens zichzelf kennen. Wanneer de mens zijn eigen weg gaat, dan volgt hij de krachten van de inmenging, dan wordt hij hun prooi en verliest hij zijn wilskrachten aan hun begeerten in ruil voor illusionaire Ik-ervaringen.

(wordt vervolgd)

vrijdag 8 mei 2009

Oog-kleur-voorkeur - - blauw & rood

Enkele voorbeelden met blauw en rood uit kunst, actualiteit en reclame:

Raphael









logo Publiek Omroep

Pete Turner - fotograaf USA

zaterdag 2 mei 2009

SLEEP - hoofdstuk 9 (deel 7)

scène uit de film Le Ballon Rouge van Albert Lamorisse


vervolg hoofdstuk 9 - laatste gedeelte

Iets anders werd duidelijk bij een leerling die heel slecht schreef. Hij hield zijn pen in zo’n ijzeren greep dat zijn hele hand en arm tot en met de schouder gespannen was. Hij drukte zijn pen bijna door het papier in de tafel. Het was nodig om bewegingsoefeningen te vinden die de situatie van zijn hand- en armspieren konden verbeteren. Samen met andere oefeningen had ik hem de taak gegeven om te proberen een kaars met zijn vingers uit te knijpen. Het was in de Adventtijd. Hij kon het niet. Hij was twaalf maar zijn angst voor vuur was zo groot dat hij amper een lucifer kon afstrijken. Als de kaars was aangestoken had hij niet de moet de lucifer langer vast te houden, noch had hij de behendigheid om zijn greep te ontspannen en de kaars uit te knijpen. We oefenden les naar les, om zijn angst te overwinnen. Nadat we behendigheidsoefeningen voor de vingers hadden gedaan, werd de hand voldoende beweeglijk om het nog eens te proberen, maar hij kon nog steeds zijn wil er niet toe aanzetten. Op een dag kreeg het overwinnen van de angst als resultaat dat verborgen arrogantie naar buiten kwam. Hij stond op met een minachtende houding en wilde weglopen. Ik zat naast hem en hij kon dus niet bij de tafel weg. In hem voltrok zich een stille inwendige strijd. Toen ging hij zitten en kneep de kaarsvlam uit. Toen ik zijn moeder sprak vertelde zij, dat het nieuwe spel dat ik Harry had geleerd hem de hele kerstvakantie had bezig gehouden. Verbaasd vroeg ik wat hij dan gespeeld had. Ze beschreef hoe hij dagen achtereen lege lucifersdoosjes in een grote teil met water had laten drijven. Uit ieder doosje staken verse lucifers. Hij stak dan een van de lucifers aan en roerde dan met zijn hand zacht in het water om golfjes te maken, zodat de lucifersdoosjes naar elkaar dreven en de lucifertjes elkaar aanstaken.
Misschien was hier iets van herinnering uit een eerdere incarnatie aan het werk, die niet vrij kon worden opgenomen in het organisme om een basis te vormen voor rijpe ervaring. Het kan soms zijn dat de ervaringen, die de ziel in de ene incarnatie zo diep hebben geroerd, zodat er meerdere incarnaties nodig zijn om te worden opgelost, gedurende de slaap een remmend effect hebben op de wilskrachten, die daardoor worden vastgehouden aan de beelden van een eerder leven. Het komt voor dat de ziel tijdens de slaap verleid wordt, of door het geweten gedwongen wordt, om vast te houden aan bepaalde aspecten uit een vorige incarnatie, in plaats dat de ziel de wilskrachten aanwendt in de huidige incarnatie om vereiste lotsopgave tot uitvoer te brengen.
In ongeveer dezelfde conditie verkeren kinderen die een zwaar lot te dragen hebben: na het vorige leven is er veel achtergebleven in de kamaloca-sfeer, wat door het met Christuskracht doordrongen Ik opnieuw op zich moet nemen, wanneer het terugkeert vanuit de geestelijke wereld. Zoals al eerder genoemd, licht dit oude karma als schaduwbeelden op in het lymfesysteem van het huidige fysieke lichaam, wat de ziel waarneemt als het moment van ontwaken naderbij komt. Wanneer er tijdens het waakleven niet iets met een ideale kwaliteit kan worden opgenomen, geen gebed, geen beeld van de mens waarmee de ziel zich kan verenigen, dan overweldigen deze schaduwbeelden de ziel. Door die duisternis krijgt de ziel niets teruggespiegeld van zijn ware zelf, dat hem de moed en de zekerheid zou kunnen verschaffen dat alles wat er aan oud karma ligt getransformeerd kan worden. Die twee mogelijkheden speelden zich af in Mary’s geval. Het maakte haar somber en mistroostig, waardoor haar sociale contacten werden gekleurd, zodat andere kinderen genoeg van haar kregen. Haar wilskrachten werden teveel teruggehouden in het organisme, zodat haar zielenleven zich niet harmonisch kon ontplooien. Haar oudere zus had er geen last van dat de ouders waren gescheiden, maar Mary nam het hen hevig kwalijk. Dit is een van de mysteries van het leven, dat binnen een gezin mogelijk is, dat soms de ontwikkeling van maar een kind ongunstig beïnvloed wordt door het ineenstorten van een huwelijk. De andere kinderen kunnen ondanks de gevolgen hun weg vinden.

De slaap speelt een cruciale rol in de diagnose en therapie. We moeten daar honderd procent rekening mee houden, want de hele vrijeschool-pedagogie is gebaseerd op het begrijpen van de processen van waken, dromen en slapen in de ontwikkeling van het kind, en op het principe dat de geestelijke ontwikkeling van de mensheid wordt gerecapituleerd. In Algemene Menskunde (4e voordracht) benadrukt Rudolf Steiner het belang van de herhaling en recapitulatie in samenhang met de wil. Of een klassenleraar zich daarvan nu bewust is of niet, de eerdere levens van de leerlingen weven steeds door hun belevenissen in de klas. Een klas kan bijvoorbeeld geheel in de ban raken van de Oudindische cultuurperiode, terwijl de Oudperzische tijd slechts een oppervlakkige indruk maakt. Wanneer kinderen zich kunnen inleven in de chronologische tijdsontwikkeling –rond het twaalfde jaar wanneer de geschiedenisperiodes pas echt beginnen- dan wordt de leraar door de innerlijke band met de klas geleid om een bepaalde karakteristieke selectie te maken in de onderwerpen, omdat gedurende het slaapleven leraar en kinderen van de klas verenigd zijn en de innerlijke relaties tot de historische tijden dan geopenbaard worden als inspiratieve krachten bij het samenstellen van het lesmateriaal.
Rudolf Steiner heeft ons ongelooflijk veel hulp gegeven door voor ons de geheimen van de slaap te onthullen. Als gewone mensen weten we heel goed dat de slaap een cruciale factor is voor zowel ons innerlijk als uiterlijk welzijn. Een onrustige nacht kan een hele dag verstoren, en de roep van de Oude Zeeman (The Rime of the Ancient Mariner, een lang, strofisch gedicht van Samuel Taylor Coleridge) benadrukt slechts in extremo de werkelijkheid die de geesteswetenschap ons kan vertellen. De slaap is als een burcht van waaruit wij uiterlijke moeilijkheden en innerlijke obstakels te boven kunnen komen, wanneer de ziel sterk genoeg is zijn wil te laten ontwaken om zich te verbinden met het scheppende leven van de kosmos, weer in beweging te komen overeenkomstige de stromingen van de bovenzinnelijke organisatie; het op zichzelf staan van het dagbewustzijn te boven te komen en een sociaal wezen te worden; de verbinding, die voor een gezonde slaap nodig is, weer terug te vinden met de Geestwezen van onze planeet (= Christus vert.), dat voor ons de plek behoedt die nodig is om ons lot en onze ontwikkeling te gaan.
Daarom moeten de oefeningen in beweging, kleur, muziek, en vorm, die we de kinderen geven, zo zijn dat deze de wil wekken en binnenleiden in dat gedeelte van hun organisatie dat hun bewustzijn gedurende de slaap draagt, de ‘slapende mens’, die gedurende de nachtelijke uren uit ons opstaat en ons lichamelijk instrument herschept vanuit de krachten, die werken vanuit de horoscoop van ons vormkrachtenlichaam. Met hulp van imaginatieve beelden, euritmische bewegingen en zinvolle activiteiten wordt de wil van het kind overreed om werkelijk het totale bewegingssysteem te doordringen. Dan wordt gedurende de slaap de Ik-wil volledig gewekt in de geestelijke omgeving van de aarde, wat dan weer een gezonde uitwerking heeft op het lichaam om zijn innerlijk geestelijke bewegingen te verbinden met de archetypische bewegingen van de bovenzinnelijke delen van het Wezen van de Aarde.

Bij Mary, duurde het drie jaar om haar weer gezond te krijgen. Met bewegingsoefeningen, schilderen, schilderen en broodbakken vond de ziel haar weg terug naar het vertroebelde beeld uit het verleden. Toen dit was vrij gemaakt ontwikkelde haar geheugen zich normaal en het mensbeeld dat de vrijeschool-pedagogie aanreikt, bracht genezing voor het gewicht en het lot dat zij moest dragen.
De ontwikkeling bij Dick ging sneller, met de hulp van zijn moeder. In de tweede trimester, toen hij een in brand staand blauw huis tekende, realiseerde ik me dat de wil van zijn individualiteit aan het werk was, dat een reinigingsproces had plaatsgevonden. Er was een algemene verbetering in zijn bewegingen zichtbaar en zijn moeder vertelde dat hij niet langer op de zijkanten van zijn schoenen liep. Tegen de tijd dat hij wegging was de omfloerste blik in zijn ogen verdwenen en kon hij de veranderde omstandigheden in zijn leven goed aan.
Tom had, zoals de anderen, een keer per week een les. Het werk met hem nam de gewone tijd die je voor dit werk kan verwachten, namelijk het ritme van het fysieke lichaam: een jaar. Omdat hij zo overmatig op het zien was ingesteld, voegde ik bij de bewegingsoefeningen een schilderoefening waarbij hij grote blauwe en rode vlakken moest schilderen. (zie hieronder). Deze twee kleuren heen een speciale relatie met de ogen. Dr. Ernst Lehres schrijft hierover in zijn boek Man or Matter. (Mensch und Materie). Het linkeroog heeft voorkeur voor blauw, het rechteroog voorkeur voor rood. Daarom vragen we een kind bij de eerste ontmoeting een ‘Blauw Maan en een Rode Zon’ te tekenen. (zie De Extra Les, blz. 69). Ervaring heeft geleerd dat dit een aanwijzing geeft over de verhouding tussen het vrijgekomen echterlichaam en de zielenkrachten die werkzaam zijn in de ademhaling en bloedcirculatie. Wanneer de kleuren correct op het papier worden gezet (blauw links - rood rechts) de ziel de mogelijkheid heeft vrij in hun functioneren te leven. Wanneer de kleuren omgekeerd verschijnen dan is de ziel te diep verbonden met de lichamelijke functies, wat weer gedrag en leervaardigheden beïnvloedt. Tom was zo gevangen in zijn gezichtswaarnemingen dat hij een intellectueel diagram maakte gecombineerd met zijn kinderlijk idee over sterren en maan, zoals eerder beschreven. Een aantal lessen later hoorde hij wat hem gevraagd werd en tekende hij de kleuren omgekeerd. Het rood spreidde zich uit over de linker papierhelft en een klein blauw maantje kwam rechts. (omgekeerde oog-kleur-voorkeur). Toen hij sterker en gezonder werd, werd de oog-kleur-voorkeur gecorrigeerd en duidelijk. Het bleef zo.
Voor de bovengenoemde schilderoefening maakten we een groot vel papier klaar voor nat-in-nat schilderen. We schilderden de bovenste helft blauw met lange streken van links naar rechts. De onderste helft werd rood geschilderd. We varieerden dat week op week, door dan links blauw, rechts rood te schilderen, de volgende keer een rode vorm in het midden omgeven door blauw. Na enkele weken vroeg Tom of hij een eigen schildering mocht verzinnen. Het mocht, dus hij begon golfpatronen over het papier te maken, afwisselend blauw en rood. Hij vond het heerlijk om te doen. Je kon de ontwikkeling van het ritmische systeem daaraan zien. Een tegenbeeld daarvan verscheen ook toen hij ‘autowegen’ schilderde, die kriskras over heel het blad liepen. Maar aan het einde van de trimester zag zijn gezicht er minder bleek uit, er was een lichte blos op zijn wangen.
De volgende trimester kwam hij zelfverzekerd aan. Hij onderzocht de kamer en zag een zwart-witte kerstkaart met een Madonna. Hij zei dat hij die wilde namaken voor zijn moeder, precies zoals hij op de televisie een meisje had zien doen. Het ging om een glas-in-lood raam uit een kerkje in Wales. De Madonna droeg een roos in haar hand en het Kind op haar arm, die haar kin aanraakt. We werkten samen een plan uit en hij vroeg mij om het voor hem te tekenen terwijl hij de delen voor zijn rekening nam die hijzelf kon tekenen. Toen schilderde hij het met veel plezier. Dit, samen met steeds terugkomende bewegingsoefeningen, nam een hele trimester in beslag. Toen het werkstuk klaar was om thuis boven de trap op te hangen, vertrok hij in triomf.
De laatste trimester schilderden we de ‘Gele Zon in de Blauw Lucht’, waaraan we iedere week een nieuw element toevoegden. (zie de Extra Les blz. 181). Dit was om te voorkomen dat het stelen weer de kop opzou steken en om hem te helpen verschil te maken tussen fantasie en liegen. Het zonmotief is zeer geschikt bij deze twee verschijnselen. Tom vond schilderen ook leuk en dat gaf mij de gelegenheid om zijn schilderingen in een boek te verzamelen terwijl hij mijn schilderingen mee naar huis nam om een boek van te maken.
Aan het eind van het jaar werd de oog-kleur-voorkeur stabiel. Je zag je dat het echterlichaam nu geïntegreerd was in Toms bewegingen, omdat hij zijn arm droeg, en werkelijk de Koperen Bal optilde. Hij had zijn kinderlijke krachten en zijn vrolijkheid weer teruggekregen. Toen ik later zijn moeder ontmoette, zag ik aan haar gezicht en merkte aan haar verwelkoming dat Tom haar met zijn werkstuk van de Madonna, op zijn beurt, het vertrouwen had teruggegeven in het ware moederschap, waarin zij vreesde te kort te zijn geschoten.

Doordring jezelf met fantasiekrachten,
Heb de moed tot waarheid,
Scherp je gevoel voor individuele verantwoordelijkheid.

Rudolf Steiner: Algemene Menskunde – einde van de14e voordracht